Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5277

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
22-004718-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft op 4 mei 2008 het slachtoffer op de in de bewezenverklaarde omschreven wijze mishandeld.

Het noodweer(exces)verweer van de verdediging wordt verworpen. De stellingen van de verdediging worden niet worden gestaafd door de verklaringen van aangeefster, die de lezing van de verdachte ontkent, noch worden zij op essentiële onderdelen door eventuele getuigen danwel overige stukken van overtuiging ondersteund.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004718-08

Parketnummers: 11-500218-08 en 09-925229-06 (TUL)

Datum uitspraak: 11 november 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 29 augustus 2008 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 april 2009 en 28 oktober 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 mei 2008 te Dordrecht opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten N.C., meermalen, althans eenmaal (krachtig),

- (terwijl die C. op een trap liep) aan/tegen het lichaam heeft getrokken en/of geduwd en/of

- (terwijl die C. op de grond lag) in/tegen het gezicht, althans het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of geknepen en/of

- (terwijl die C. op de grond lag) in/tegen haar gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam een knietje heeft gegeven en/of

geschopt en/of getrapt en/of

- aan haar haren heeft getrokken en/of

- aan haar haren vasthoudend heeft getrokken en/of geduwd,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn heeft ondervonden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest. Tevens is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis waarvan beroep omschreven. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 13 juni 2006 onder parketnummer 09-925229-06 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 04 mei 2008 te Dordrecht opzettelijk mishandelend een persoon, te weten N.C. krachtig

- tegen het lichaam heeft geduwd en

- in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of geknepen en

- tegen haar lichaam een knietje heeft gegeven en/of geschopt en/of getrapt en

- aan haar haren heeft getrokken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er sprake is van noodweer(-exces). De verdachte heeft aangeefster weliswaar op verschillende momenten (weg)geduwd, maar zulks was telkens geboden teneinde zichzelf te verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangeefster. Voorts doet de verdediging een beroep op putatief noodweer. Immers, de verdachte verkeerde in de gerechtvaardigde veronderstelling dat hij door aangeefster werd aangevallen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ter verduidelijking van zijn standpunt verklaard, zakelijk weergegeven, dat de aangeefster hem eerst heeft aangevallen met een koffiemok en dat die koffiemok op zijn hoofd is kapotgegaan. Vervolgens heeft de aangeefster een koffiekan gepakt, met daarin hete koffie. Volgens de verdachte was de aangeefster duidelijk van plan om de koffiekan naar hem te gooien. Nadien heeft aangeefster nog met een mes stekende bewegingen in zijn richting gemaakt.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het hof overweegt hiertoe dat de stellingen van de verdediging niet worden gestaafd door de verklaringen van aangeefster, die de lezing van de verdachte ontkent, noch op essentiële onderdelen door eventuele getuigen danwel overige stukken van overtuiging worden ondersteund. Zo zijn er op de vloer van de woning van aangeefster geen sporen van koffie aangetroffen, noch is er bij de verdachte een hoofdwond geconstateerd. Dat de verdachte, zoals wordt gesteld, door aangeefster werd bedreigd met een koffiekan met daarin hete koffie, vindt evenmin steun in het voor handen zijnde bewijsmateriaal, zodat het beroep op putatief noodweer reeds hierom dient te worden verworpen.

Daarbij komt dat, zo er al sprake is geweest van de door de verdediging gestelde aanranding danwel dreiging daarmee in vorenbedoelde zin, het door de verdachte jegens de aangeefster gebruikte geweld, gelet ook op de letselverklaring en de zich bij de stukken bevindende foto's van het letsel, niet aan de daaraan onder omstandigheden te stellen eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, zodat het verweer van de verdediging op dit punt, ook hierom faalt.

Het vorenstaande geldt evenzeer voor de stelling van de verdediging dat er sprake was van een noodweersituatie toen aangeefster met een mes stekende bewegingen in de richting van de verdachte heeft gemaakt. Ook dit wordt niet gestaafd door de verklaringen van aangeefster of van getuigen. Dat de getuige Overbeeke later op straat de verdachte hoorde spreken over het gebruik van een mes door aangeefster, maakt dit niet anders. Daarbij komt dat, zo er al sprake was van een bedreiging met een mes, de verdachte zich naar het oordeel van het hof gemakkelijk aan die bedreiging had kunnen onttrekken nu hij zich, blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg, bij de toegangsdeur naar de hal bevond en hij de kamer ongehinderd had kunnen verlaten.

Het hof komt, alles overwegende, tot de slotsom dat, de door de verdediging gevoerde verweren dienen te worden verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft op 4 mei 2008 het slachtoffer op de in de bewezenverklaarde omschreven wijze mishandeld. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel bekomen en pijn ondervonden. Door deze gedraging heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschaad en daarnaast gevoelens van angst en onrust teweeggebracht.

Voorts heeft het hof kennis genomen van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 oktober 2009, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waarvan deze feiten veelvuldig een gewelddadig karakter hadden. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. De ernstige recidive van de verdachte geeft het hof aanleiding om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan is opgelegd door de politierechter en thans door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof is van oordeel dat, om voldoende recht te doen aan het feit dat de verdachte maar door blijft gaan met het plegen van feiten als thans tenlastegelegd en bewezenverklaard, alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft N.C. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 949,99 (€ 274,99 aan materiële schade en € 675,00 aan immateriële schade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, namelijk tot een bedrag van € 675,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu niet is gebleken dat de materiële schade is teweeggebracht door het bewezenverklaarde feit en daarmee geen sprake is van een noodzakelijk oorzakelijk verband tussen feit en schade, zal de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade tot een bedrag van € 274,99 worden afgewezen.

Naar het oordeel van het hof is evenwel aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 675,00.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 675,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer N.C.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 13 juni 2006 onder parketnummer 09-925229-06 is de verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is gegrond.

Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering, mede gelet op de hoofdstraf die het hof in onderhavige strafzaak oplegt. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij N.C. tot een bedrag van

€ 675,00 (zeshonderdvijfenzeventig euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, N.C., van een bedrag van

€ 675,00 (zeshonderdvijfenzeventig euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

13 (dertien) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij N.C. tot een bedrag van € 274,99.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 13 juni 2006 onder parketnummer 09-925229-06 opgelegde voorwaardelijke straf af.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Oosterhof,

mr. R.A.Th.M. Dekkers en mr. A.G. Korvinus, in bijzijn van de griffier mr. K. van Laarhoven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 november 2009.

Mr. A.G. Korvinus is buiten staat dit arrest te ondertekenen.