Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5112

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
200.038.909-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing en indicatiebesluit krachtens artikel 1:261 lid 2 BW, in relatie tot artikel 5, lid 2 sub c van de Wet op de Jeugdzorg. Laatstgenoemde bepaling is nog niet in werking getreden. Derhalve geldt krachtens artikel 1: 261 lid 2 BW slechts de eis dat bij het verzoek gemeld wordt voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 november 2009

Zaaknummer : 200.038.909/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 09-945

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.J. Zennipman te ’s-Gravenhage,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

vestiging Delft/Westland/Oostland, locatie Delft,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: de vader van de minderjarige sub 1,

2. [belanghebbende 2],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

hierna te noemen: de biologische vader van de minderjarigen sub 2, 3 en 4.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 22 juli 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 mei 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 1 oktober 2009 een verweerschrift ingediend.

De raad voor de kinderbescherming, locatie Den Haag, (hierna: de raad) heeft het hof bij brief van 15 september 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 28 oktober 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens Jeugdzorg: mevrouw N. Boersma, gezinsvoogdes, en mevrouw F. Geuchies, teamleider. De vader van de minderjarige sub 1 is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De biologische vader van de minderjarigen sub 2, 3 en 4 is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, evenmin verschenen. Voorts is, zoals aangekondigd, de raad niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarige sub 1 is in raadkamer gehoord.

Ter terechtzitting heeft de moeder met instemming van Jeugdzorg een brief van 16 oktober 2009 van p.c. basisschool De Bron overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling van de nader te noemen minderjarigen verlengd van 5 juni 2009 tot 5 juni 2010 met behoud van Jeugdzorg, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd, de hierna te noemen minderjarige sub 1 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-voorziening, te weten Ipse/de Bruggen, van 5 juni 2009 tot 5 juni 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Ter terechtzitting heeft de moeder het beroep tegen de ondertoezichtstelling van [naam kind 3], geboren [in 1999] te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige sub 3, ingetrokken. Als gevolg hiervan is de moeder met betrekking tot het beroep tegen de ondertoezichtstelling van de minderjarige sub 3 niet-ontvankelijk.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is thans nog de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van 5 juni 2009 tot 5 juni 2010 van de minderjarigen:

- [naam kind 1], geboren [in 1995] te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige sub 1,

- [naam kind 2], geboren [in 1998] te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige sub 2, en

- [naam kind 4], geboren [in 2001] te [geboorteplaats], hierna: de minderjarige sub 4, hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

Voorts is in geschil de uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 van 5 juni 2009 tot 5 juni 2010, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking in zijn geheel te vernietigen (het hof leest: voor zover thans nog in hoger beroep van belang ten aanzien van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 2 en 4 en ten aanzien van de uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 betreft) en in zoverre opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 2 en 4 en de uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 af te wijzen. De moeder verzet zich niet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige sub 1.

3. Jeugdzorg bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep af te wijzen.

4. De moeder is van oordeel dat de kinderrechter ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de in artikel 1:254, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genoemde gronden voor een ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 2 en 4 nog aanwezig zijn en dat de in artikel 1:261, lid 1 BW genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 aanwezig zijn.

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling stelt de moeder de door Jeugdzorg geuite zorgen niet te herkennen. De minderjarigen sub 2 en 4 ontwikkelen zich volgens haar goed. De moeder heeft naar haar mening voldoende inzicht in de problematiek en kan hen voldoende veiligheid en structuur bieden.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 stelt de moeder dat het indicatiebesluit niet voldoet aan de wettelijke vereisten aangezien de onderbouwing van de uithuisplaatsing ontbreekt. Voorts stelt de moeder dat zij capabel is om de minderjarige sub 1 thuis op te voeden.

5. Jeugdzorg stelt dat er vanaf eind 2006 reeds hulpverlening is in het gezin, dat er veel problemen en zorgen zijn in het gezin die deels voortkomen uit de thuissituatie zelf en deels voortkomen uit de persoonsgerelateerde problematiek van zowel de moeder als de kinderen. Omdat de vrijwillige hulpverlening in het verleden niet tot de gewenste resultaten heeft geleid heeft Jeugdzorg, om verdere bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen af te wenden, verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling. Daarnaast heeft Jeugdzorg, omdat de minderjarige sub 1 tot twee keer toe uit huis is geplaatst en ernstige gedragsproblemen vertoonde, voor hem een machtiging tot uithuisplaatsing verzocht. Jeugdzorg stelt voorts dat de samenwerking met de moeder te wensen overlaat, daar zij uit zichzelf beperkt problematiek ziet en moeite heeft de adviezen van de (vrijwillige) hulpverlening toe te passen. Jeugdzorg bestrijdt de grief van de moeder ten aanzien van het indicatiebesluit. Vanwege de verstandelijke en de psychiatrische aandoening van de minderjarige sub 1, valt de zorg waartoe het indicatiebesluit wordt gesteld onder de AWBZ-zorg voor licht verstandelijk gehandicapten en niet onder de zorg binnen de Wet op de jeugdzorg. Om deze reden dient het indicatiebesluit door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) te worden gesteld en niet door jeugdzorg.

6. Het hof oordeelt als volgt. Door de moeder is gesteld, dat ingevolge artikel 1: 261, lid 2 BW voor de plaatsing een indicatiebesluit van het bureau jeugdzorg vereist is. De plaatsing in Ipse/de Bruggen is een vorm van zorg voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen waarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat. De betreffende bepaling van de Wet op de jeugdzorg, artikel 5, tweede lid sub c, is nog niet in werking getreden (Besluit van 16 december 2004 tot inwerkingstelling van delen van de Wet op de jeugdzorg, Staatsblad 2004, 701). Derhalve stelt artikel 1: 261, lid 2 BW voor deze plaatsing slechts de eis, dat bij het verzoek gemeld wordt voor welke verblijfplaats de machtiging gevraagd wordt. Nu aan die eis is voldaan, faalt in zoverre de grief van de moeder.

7. Een ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1: 254, lid 1 BW kan slechts worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de minderjarigen sub 2 en 4 zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1: 261, lid 1 BW, kan worden afgegeven indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gezondheid.

8. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zowel bij Jeugdzorg als bij de school van de kinderen grote zorgen bestaan met betrekking tot de ontwikkeling van de minderjarigen sub 2 en 4. Bij de minderjarige sub 2 is onlangs een aanpassingsstoornis met depressieve stemming vastgesteld, waarvoor zij gedurende een half jaar cognitieve gedragstherapie zal gaan volgen bij de GGZ Jeugd. Bij de minderjarige sub 4 is recent de gedragsstoornis ODD (Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis) gediagnosticeerd en verder onderzoek bij haar zal moeten uitwijzen wat voor problematiek er nog meer speelt. Uit het exit-verslag van Ipse/de Bruggen blijkt dat de overgang van intramurale zorg naar huis van de minderjarige sub 1 niet goed is verlopen. Er zijn weinig doelen uit het behandelplan behaald, maar er zijn wel doelen bij gekomen. Om deze reden is besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 te verzoeken. Uit het verslag van het behandelingsoverleg van 12 februari 2009 blijkt dat de moeder hier op dat moment mee heeft ingestemd. Ter terechtzitting is gebleken dat de minderjarige sub 1 zich op de woongroep van Ipse/de Bruggen positief ontwikkelt. Hieruit blijkt dat hij op zijn plek zit op de woongroep.

Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat de moeder zich, haar goede intenties, betrokkenheid en inzet ten spijt, de ernst van de problematiek van de kinderen onvoldoende realiseert en onvoldoende in staat is om zonder veel hulp de kinderen de structuur en regelmaat te bieden die zij nodig hebben, oordeelt het hof dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 2 en 4 en de gronden voor de uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 (nog immer) aanwezig zijn. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de problemen in het gezin reeds enkele jaren spelen en tot op heden onvoldoende verbetering in de situatie is gekomen. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve bekrachtigen.

9. Het hof beslist daarom als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling van [naam kind 3], geboren [in 1999] te [geboorteplaats];

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Nievelt en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2009.