Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK4993

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
200.017.090.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang, dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 oktober 2009

Zaaknummer : 200.017.090/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7300

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.H.J. Toxopeus te Zoetermeer,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.I. van Leeuwen te Wassenaar.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 2 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 juli 2008 van de rechtbank 's-Gravenhage.

De vader heeft op 8 januari 2009 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 12 februari 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

De raad heeft het hof bij brief van 23 juni 2009 laten weten niet betrokken te zijn geweest in deze zaak en derhalve niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 23 september 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: namens de moeder, haar advocaat en de vader, bijgestaan door mr. A.H. Westendorp. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De raad is, zoals te kennen gegeven, evenmin verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is onder meer bepaald dat de vader met ingang van de datum van deze beschikking omgang zal hebben met de nader te noemen minderjarige:

- gedurende de eerste twee maanden elke zondagmiddag van 13.30 uur tot 17.00 uur;

- gedurende de daarop volgende twee maanden elke zondag van 9.30 uur tot 18.00 uur;

- en daarna één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot en met zondagavond 18.00 uur alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige:

[naam kind], geboren [in 2001] te [geboorteplaats], hierna: [kind]. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking uitsluitend ter zake van de vastgestelde omgang te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat er tussen de vader en de minderjarige geen omgang zal zijn, zulks voor zover nodig met ontzegging van hetgeen de vader te dier zake in eerste aanleg verzocht heeft.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt in incidenteel appel te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat aan de omgangsregeling tussen hem en de minderjarige een dwangsom wordt gekoppeld van € 1000,- per keer dat de moeder geen omgang toestaat.

4. De moeder is van mening dat de rechtbank in de bestreden beschikking geen, althans onvoldoende acht heeft geslagen op de argumenten en gronden waarop zij haar verweer tegen het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige heeft gebaseerd. Voorts is de moeder van mening dat de rechtbank het belang van de minderjarige bij geen omgang niet, althans onvoldoende heeft meegewogen. De moeder is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van contra-indicaties voor omgang tussen de vader en de minderjarige. Ten aanzien van het incidenteel appel van de vader is de moeder van mening dat de rechtbank de door de vader verzochte dwangsom terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

5. De vader is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen contra-indicaties voor omgang tussen hem en de minderjarige zijn. In incidenteel appel stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan het belang van het koppelen van een dwangsom aan de omgang.

6. Het hof overweegt als volgt. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, heeft de wet onmiddellijke werking.

7. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en heeft de niet met het gezag belaste ouder recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het recht op omgang kan door de rechter, al dan niet voor bepaalde tijd, slechts worden ontzegd indien voldaan wordt aan één van de in het derde lid van dit artikel genoemde gronden.

Omgang

8. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken van de aanwezigheid van contra-indicaties als bedoeld in artikel 1:377a, derde lid BW. Naar het oordeel van het hof zijn de problemen die rondom de omgangsregeling naar voren zijn gekomen, met name gelegen in problemen tussen partijen onderling, zoals het niet nakomen van afspraken en slechte communicatie. De namens de moeder aangevoerde argumenten leveren naar het oordeel van het hof onvoldoende aanwijzingen op dat een omgangsregeling niet in het belang van [kind] zou zijn. De stelling van de moeder dat de vader niet goed en zorgvuldig voor [kind] gezorgd heeft, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Het hof acht de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de omgangsregeling terecht en op goede gronden genomen, neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling dan ook bekrachtigen. Gelet op het vorenstaande acht het hof geen termen aanwezig om een raadsonderzoek te gelasten, zoals door de advocaat van de moeder ter zitting is geopperd.

Dwangsom

9. Ten aanzien van het incidenteel appel van de vader overweegt het hof als volgt. Ter terechtzitting is gebleken dat de moeder de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak van de rechtbank niet nakomt, niet bereid is mee te werken aan (vrijwillige) mediation en zonder opgaaf van reden niet ter terechtzitting is verschenen, niettegenstaande het in haar beroepschrift en in haar verweerschrift in incidenteel appel gestelde dat zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof een nadere toelichting zal verschaffen met betrekking tot enkele onderwerpen. Het hof ziet hierin reden om een dwangsom op te leggen van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor iedere keer dat de moeder de omgang tussen de vader en [naam kind] verhindert.

10. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, doch uitsluitend voor zover het verzoek tot het vaststellen van een dwangsom is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat zij de omgang tussen de vader en [kind] verhindert;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Mos-Verstraten en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2009.