Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK4880

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
200.024.218-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet handhaving consumentenbescherming. Vordering van Consumentenautoriteit ex art. 3:305d BW. Inbreuk door reisorganisator op art. 7:512 lid 1 BW. Verzoekschrifprocedure in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 200.024.218/01

beschikking van de vierde civiele kamer d.d. 7 april 2009

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Economische Zaken, althans de Consumentenautoriteit),

zetelende te ’s-Gravenhage,

verzoeker,

hierna te noemen: de Consumentenautoriteit,

advocaat: mr. I.M.C. van Leeuwen te ’s-Gravenhage,

tegen

[VERWEERSTER], handelend onder de naam Gold Travel,

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: [verweerster],

niet verschenen.

Het geding

De Consumentenautoriteit heeft een verzoekschrift ex artikel 3:305d BW ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 28 januari 2009, omdat [verweerster] reisovereenkomsten sluit met consumenten en daarbij in strijd zou handelen met artikel 7:512 lid 1 BW. Bij dit verzoekschrift heeft de Consumentenautoriteit elf producties overgelegd. De Consumentenautoriteit verzoekt het hof te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat [verweerster] de overtreding op genoemde bepaling staakt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag waarop niet aan de te geven beschikking wordt voldaan (met een maximum van € 100.000,-), alsmede te bepalen dat de te geven beschikking openbaar zal worden gemaakt, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure. [verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009. Namens de Consumentenautoriteit is verschenen mr. Van Leeuwen, voornoemd, vergezeld van mevrouw G. Bahmany, medewerker toezicht. [verweerster] is niet in persoon of bij advocaat verschenen. Wel was de heer [echtgenoot van verweerster] aanwezig, die meedeelde haar echtgenoot te zijn. Mr. Van Leeuwen heeft het standpunt van de Consumentenautoriteit nader toegelicht. Daarnaast heeft het hof de heer [echtgenoot van verweerster] in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Ten slotte heeft het hof de uitspraak bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek

1. De Consumentenautoriteit heeft in het verzoekschrift uiteengezet dat zij eind 2007 een onderzoek is gestart naar de naleving van artikel 7:512 lid 1 BW door reisorganisatoren. Deze bepaling verplicht een reisorganisator de maatregelen te nemen die nodig zijn om te verzekeren dat, wanneer hij wegens financieel onvermogen zijn verplichting jegens de reiziger niet of niet verder kan nakomen, wordt zorggedragen hetzij voor overneming van zijn verplichtingen door een ander hetzij voor terugbetaling van de reissom of, indien de reis reeds ten dele is genoten, een evenredig deel daarvan. Indien de reiziger reeds op de plaats van bestemming is aangekomen dient, voor zover de reisovereenkomst dat vervoer omvat, in ieder geval te worden zorggedragen voor de terugreis. Ingevolge artikel 7:500 lid 1, aanhef en sub a., BW wordt onder ‘reisorganisator’ verstaan: degene die, in de uitoefening van zijn bedrijf, op eigen naam aan het publiek of aan een groep persoenen van te voren georganiseerde reizen aanbiedt.

2. In het kader van voormeld onderzoek stelt de Consumentenautoriteit een groot aantal reisorganisatoren te hebben benaderd die niet zijn aangesloten bij de Stichting Garantiefonds Reisgelden (hierna: SGR), waaronder Gold Travel, de eenmanszaak van [verweerster]. De Consumentenautoriteit heeft Gold Travel verzocht via internet een vragenlijst in te vullen en uit de door Gold Travel ingevulde lijst bleek haar dat Gold Travel niet voldeed aan de wettelijke verplichting van artikel 7:512 lid 1 BW, terwijl Gold Travel pakketreizen aanbiedt aan consumenten. Bij brief van 25 maart 2008 heeft de Consumentenautoriteit Gold Travel verzocht mee te delen of zij inmiddels maatregelen had getroffen ter bescherming van de reiziger bij financieel onvermogen. Gold Travel heeft daarop gereageerd bij ongedateerde brief, waarin zij meedeelt dat de reissom die de reiziger voldoet direct aan de hotels of luchtvaartmaatschappijen wordt voldaan, dat Gold Travel geen debiteuren heeft en geen risico loopt. Volgens de Consumentenautoriteit heeft Gold Travel daarmee niet aan haar verplichting uit hoofde van artikel 7:512 lid 1 BW voldaan en daarover heeft tussen partijen een aantal keer telefonisch contact plaatsgehad. Bij brieven van 10 juni 2008 en 3 oktober 2008 heeft de Consumentenautoriteit Gold Travel gesommeerd om de overtreding op artikel 7:512 lid 1 BW te beëindigen. Gold Travel heeft niet aan die sommaties voldaan. Bij brief van 16 januari 2009 heeft de (advocaat van de) Consumentenautoriteit aan Gold Travel een kopie van het concept-verzoekschrift gestuurd, alsmede - in verband met het bepaalde in artikel 2.5, tweede lid onder b, van de Wet handhaving consumentenbescherming (hierna: Whc) - een kopie van de gegevens waarop het voornemen tot indiening van het verzoekschrift berust. Daarbij heeft de Consumentenautoriteit aangekondigd dat op 26 januari 2009 zal worden overgegaan tot indiening van het verzoekschrift, tenzij Gold Travel voordien alsnog de in artikel 7:512 BW bedoelde maatregelen zou hebben getroffen. De Consumentenautoriteit stelt dat haar ook nadien niet is gebleken dat Gold Travel de overtreding op artikel 7:512 lid 1 BW heeft beëindigd en dat de SGR haar heeft meegedeeld dat zij geen aanvraag voor het SGR-lidmaatschap van Gold Travel heeft ontvangen.

3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [echtgenoot van verweerster] meegedeeld dat Gold Travel pakketreizen aanbiedt, zij het op zeer beperkte schaal. Volgens hem gaat het om niet meer dan circa 100 passagiers die vaste klant van Gold Travel zijn. Verder heeft de heer [echtgenoot van verweerster] meegedeeld dat Gold Travel op de hoogte is van de verplichting om een garantie of zekerheid aan de reizigers te bieden en dat hij daarover contact heeft gehad met SGR. Het SGR-lidmaatschap is voor Gold Travel echter te duur en als dat lidmaatschap noodzakelijk is, zal Gold Travel volgens de heer [echtgenoot van verweerster] met de verkoop van pakketreizen moeten ophouden.

De Consumentenautoriteit heeft voorts meegedeeld dat het SGR-lidmaatschap volgens haar op dit moment de enige mogelijkheid is om de maatregelen als bedoeld in artikel 7:512 lid 1 BW te treffen. Het verkrijgen van dat lidmaatschap duurt volgens de Consumentenautoriteit ongeveer acht weken, gerekend vanaf de datum van indiening van de aanvraag. In verband hiermee acht de Consumentenautoriteit het redelijk dat in de te geven beschikking aan Gold Travel een termijn van drie maanden wordt verleend alvorens zij dwangsommen verbeurt. Gold Travel heeft dan voldoende gelegenheid om alsnog aan haar verplichtingen ex artikel 7:512 lid 1 BW te voldoen.

4. Het hof overweegt dat [verweerster] niet heeft weersproken dat zij nog steeds pakketreizen aanbiedt aan consumenten via (onder meer) haar internetsite en dat zij derhalve reisorganisator is in de zin van artikel 7:500 lid 1, aanhef en sub a., BW. Tevens heeft [verweerster] niet weersproken dat zij ondanks de schriftelijke sommaties van de Consumentenautoriteit geen maatregelen heeft getroffen ter bescherming van de reiziger als bedoeld in artikel 7:512 lid 1 BW. Directe doorbetaling van door reizigers betaalde reissommen aan hotels en luchtvaartmaatschappijen kan niet als zodanige maatregel worden beschouwd, omdat deze handelwijze onvoldoende bescherming biedt aan reizigers in geval van financieel onvermogen van [verweerster], onder meer omdat geen zekerheid bestaat in de - wellicht korte - periode waarin het geld wel door Gold Travel is ontvangen maar nog niet is doorbetaald. Ook bestaat het risico dat deze handelwijze niet meer wordt gevolgd als [verweerster] in liquiditeitsproblemen zou geraken. Het hof is van oordeel dat [verweerster] het voorschrift van artikel 7:512 lid 1 BW op structurele wijze overtreedt en dat zij daarmee schade kan toebrengen aan de collectieve belangen van consumenten, zodat sprake is van een inbreuk in de zin van artikel 1.1 Whc. De Consumentenautoriteit heeft met haar sommaties en het op voorhand toezenden van de gegevens waarop het voornemen tot het indienen van het verzoekschrift berust, voldaan aan het voorschrift van artikel 2.5 lid 2 Whc. Het hof acht de overtreding van artikel 7:512 lid 1 BW door [verweerster] voldoende aanleiding om te bepalen, zoals verzocht, dat [verweerster] de overtreding op deze bepaling staakt. Dat [verweerster] volgens de heer [echtgenoot van verweerster] slechts een geringe omzet uit pakketreizen genereert, doet daaraan niet af.

5. Voorts ziet het hof voldoende reden voor het opleggen van een dwangsom voor het geval [verweerster] niet aan de te geven beschikking voldoet, aangezien zij ook na herhaalde sommatie niet bereid is gebleken om de inbreuk op artikel 7:512 lid 1 BW vrijwillig te beëindigen. Gelet op de mededelingen van de Consumentenautoriteit tijdens de mondelinge behandeling gaat het hof er vanuit dat het aanvragen van het SGR-lidmaatschap vooralsnog de enige reële mogelijkheid is om bij de verkoop van pakketreizen aan het bepaalde in artikel 7:512 lid 1 BW te voldoen. In verband met de behandelingstijd van een dergelijke aanvraag zal het hof bepalen dat [verweerster] niet eerder dwangsommen zal verbeuren dan drie maanden na betekening van deze beschikking. Verder ziet het hof aanleiding om de verzochte dwangsom te matigen tot een redelijk te achten bedrag van € 500,- voor iedere dag dat [verweerster] niet aan de hierna te geven beschikking voldoet, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 100.000,-.

6. Ten slotte heeft de Consumentenautoriteit het hof verzocht te bepalen dat de te geven beschikking openbaar zal worden gemaakt. De Consumentenautoriteit heeft daarbij niet aangegeven op welke wijze die openbaarmaking naar haar mening dient te gebeuren. Het hof ziet niettemin voldoende aanleiding dit op artikel 3:305d lid 2 BW gebaseerde verzoek (waartegen [verweerster] geen verweer heeft gevoerd) toe te wijzen, in die zin dat het hof [verweerster] zal bevelen om (op haar kosten) binnen twee weken na de datum van deze beschikking op de homepage van haar website duidelijk leesbaar de volgende mededeling te plaatsen totdat zij is opgehouden met de verkoop van pakketreizen dan wel maatregelen als bedoeld in artikel 7:512 lid 1 BW heeft genomen: “Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 7 april 2009 vastgesteld dat Gold Travel als aanbieder van georganiseerde reizen inbreuk maakt op het bepaalde in artikel 7:512 lid 1 BW. Op grond van deze beschikking dient Gold Travel maatregelen te treffen ter bescherming van reizigers voor het geval Gold Travel wegens eventueel financieel onvermogen haar verplichtingen jegens hen niet (geheel) zou kunnen nakomen.”.

7. Het hof zal [verweerster], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van deze verzoekschriftprocedure.

Beslissing

Het hof:

a. bepaalt dat [verweerster] de inbreuk op artikel 7:512 lid 1 BW dient te staken, hetzij door op te houden met de verkoop van pakketreizen, hetzij door het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 7:512 lid 1 BW ter bescherming van reizigers voor het geval [verweerster] haar verplichtingen jegens hen wegens financieel onvermogen niet (geheel) zou kunnen nakomen;

b. bepaalt dat [verweerster], indien zij niet binnen drie maanden na betekening van deze beschikking aan het onder a. bepaalde voldoet, een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag tot een maximum van € 100.000,- aan verbeurde dwangsommen;

c. bepaalt dat [verweerster] de onderhavige beschikking openbaar dient te maken door op haar kosten, binnen twee weken na heden, op de homepage van haar internetsite goed leesbaar de volgende mededeling te plaatsen totdat zij is opgehouden met de verkoop van pakketreizen dan wel maatregelen als bedoeld in artikel 7:512 lid 1 BW heeft genomen: “Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft bij beschikking van 7 april 2009 vastgesteld dat Gold Travel als aanbieder van georganiseerde reizen inbreuk maakt op het bepaalde in artikel 7:512 lid 1 BW. Op grond van deze beschikking dient Gold Travel maatregelen te treffen ter bescherming van reizigers voor het geval Gold Travel wegens eventueel financieel onvermogen haar verplichtingen jegens hen niet (geheel) zou kunnen nakomen.”;

d. veroordeelt [verweerster] in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op € 313,- aan verschotten en op € 1.788,- aan kosten voor de advocaat;

e. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Davids, J.J. Roos en M.A. Fierstra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2009 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is de beschikking ondertekend door mr. J.J. Roos.