Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK4748

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
200.014.086/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bindend advies omtrent afwikkeling nalatenschap. Veroordeling in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 200.014.086/01

Zaaknummer en rolnummer Rechtbank : 289723 / HA ZA 07-1932

arrest van de familiekamer d.d. 17 november 2009

inzake

[de appellant],

wonende te Amsterdam,

appellant tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: [de appellant],

advocaat: mr. E. Grabandt, kantoorhoudende te `s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Leidschendam,

geïntimeerde tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. D.Th. J. van der Klei, kantoorhoudende te `s-Gravenhage.

1. Het geding

Bij exploot van 29 mei 2008 is [de appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 26 maart 2008 van de rechtbank te `s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft gesteld.

Bij memorie van grieven tevens inhoudende akteverzoek vermindering van eis heeft [de appellant] twee grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk hoger beroep heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en heeft hij twee grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [de appellant] het incidenteel appel en de grieven van [geïntimeerde] bestreden.

De partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

In het procesdossier van [de appellant] ontbraken de stukken in eerste aanleg.

2. Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. [de appellant] vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, waar nodig onder aanvulling van de gronden:

A.

bij arrest de verdeling vast te stellen van de nalatenschap van de op 10 januari 2001 overleden vader van partijen, waarbij de verdeling conform afspraken als op 24 oktober 2007 ter gelegenheid van de comparitie van partijen bij de rechtbank te `s-Gravenhage gemaakt beperkt werd tot het geschil over de kwesties betreffende de registergoederen [betreffende de 1e woning] alsmede de [de 2e woning] te `s-Gravenhage, en met name vast te stellen welke waarden bij de verdeling aan deze activa dienen te worden toegekend en voorts te bepalen of de toescheiding aan [geïntimeerde] leidt tot overbedeling, en zo ja tot welk bedrag en alsdan voorts te bepalen welk bedrag ter zake van overbedeling door [geïntimeerde] dient te worden voldaan aan [de appellant].

B.

bij arrest, en wel voor het geval aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van overbedeling, deze te veroordelen naast het overbedelingsbedrag aan [de appellant] te vergoeden de vertragingsrente te rekenen vanaf datum overlijden erflater, althans een nader door het gerechtshof te bepalen datum tot en met de dag van betaling:

C.

bij arrest [geïntimeerde] te veroordelen in alle proceskosten verband houdende met de procedure als tussen partijen in eerste aanleg gevoerd en in alle kosten verband houdende met de onderhavige appelprocedure;

D

het in deze zaak te wijzen arrest tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2. [geïntimeerde] vordert in zijn incidenteel hoger beroep de bestreden uitspraak te vernietigen voor zover daarin de vordering in reconventie niet is toegewezen, en de vordering in reconventie in eerste aanleg ingesteld alsnog toe te wijzen respectievelijk toe te wijzen onder de voorwaarde dat de conventionele vordering niet definitief is afgewezen, alsmede [de appellant] te veroordelen in de kosten van de eerste aanleg uitgaande van tarief groep 6 subsidiair 5 en rekening houdend met een conclusie van eis in reconventie en een comparitie van partijen in reconventie, derhalve 3,5 subsidiair 3 punten in eerste aanleg.

met veroordeling van [de appellant] in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep en incidenteel hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum uitspraak.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd, indien de rechtbank van oordeel is dat nog niet alle aangelegenheden ten aanzien van de nalatenschap van de vader van partijen afgewikkeld zijn:

1. [de appellant] te veroordelen tot het nakomen van de overeenkomst van bindend advies van december 2004, opdat Maas Accountants de nog open staande aangelegenheden conform de overeenkomst van bindend advies tussen partijen ten aanzien van die nog openstaande aangelegenheden aanvullende bindend advies uitbrengt.

subsidiair

2. Te bepalen dat de nalatenschap van de vader van partijen wordt beschreven en dat deze nadien wordt verdeeld alsmede [de appellant] te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen van hetgeen hij verricht heeft met betrekking tot gelden en of goederen van de nalatenschap.

Voorts primair en subsidiair

3. Kosten rechtens, vanaf datum vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente.

Wat vordert [de appellant]?

3. Het hof leest in de memorie van grieven van [de appellant], dat [de appellant] in het onderhavige appel aan de orde wenst te stellen de waarde waarvoor de hierna te noemen onroerende zaken in de verdeling zijn betrokken.

4. Het betreft de onroerende zaken te ‘s-Gravenhage [betreffende de 1e woning] alsmede de [de 2e woning].

5. Deze onroerende zaken zijn voor een bedrag van € 482.000 in de verdeling betrokken.

6. Het hof leest niet in het appel dat [de appellant] bezwaar heeft dat de hiervoor vermelde onroerende zaken in het kader van de verdeling aan [geïntimeerde] zijn toegedeeld.

7. Uit punt 8 van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk hoger beroep volgt, dat [geïntimeerde] voor wat betreft de omvang van het appel er van uitgaat dat het appel zich richt op de waarde van de hiervoor vermelde onroerende zaken.

8. Naar het oordeel van het hof brengt een goede procesorde met zich mede dat van [de appellant] mag worden verlangd dat hij zijn processtukken zodanig inricht dat het voor de rechter en de wederpartij duidelijk is waartegen zijn bezwaren zich richten inzake het bestreden vonnis. Indien zulks niet het geval is komt dit voor zijn rekening en risico.

9. Het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, betreft de waarde waarvoor de onroerende zaken in de verdeling zijn betrokken.

De waarde

10. Door [de appellant] wordt gesteld dat er tussen partijen geen overeenstemming bestond voor welke waarde de panden in de verdeling zouden worden betrokken. Hij voert daartoe onder meer aan:

• Tijdens de kortgeding zitting is met geen woord gesproken over een eventuele waardering noch over een daaromtrent tussen partijen te maken afspraak;

• Tussen de raadslieden is uitvoerig van gedachte gewisseld over de wijze waarop de notaris de akte diende te redigeren;

• De notaris heeft erop gewezen dat in de akte altijd een waarde dient te worden vermeld voor de overdrachtsbelasting;

• In de onderlinge verhouding tussen [de appellant] en [geïntimeerde] was geen overeenstemming over de waarde van de onroerende zaken. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [de appellant] naar de correspondentie en telefoongesprekken tussen de advocaten van partijen.

11. [geïntimeerde] is primair van mening dat de overeenkomst tot een bindend advies inzake de afwikkeling van de nalatenschap nog steeds geldt. [geïntimeerde] doelt hierbij op de overeenkomst tussen partijen en Maas Accountants van december 2004 waarbij partijen aan Maas Accountants een opdracht hebben gegeven om een bindend advies uit te brengen inzake de splitsing en afwikkeling van de nalatenschap van vader.

12. In het bindend advies van Maas accountants van 14 januari 2005 - zie productie 11 bij de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie - is voor de waarde van de panden een bedrag opgenomen van € 482.000.

13. Voorts zijn partijen op 14 januari 2005 met elkaar overeengekomen :

" De heer [de appellant] zal na verkoop en levering van de panden recht hebben op 30% van het positieve verschil tussen de gerealiseerde verkoopprijs en de waarde zoals deze in de overeenkomst van boedelscheiding is vermeld."

14. Het hof overweegt als volgt. Uit het bindend advies van Maas accountants van 14 januari 2005 – zie productie 11 bij de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie – volgt dat de waarde van de panden voor een bedrag van € 482.000 in de verdeling zijn betrokken. Gezien de overeenkomst die partijen in december 2004 met elkaar hebben gesloten waren partijen in beginsel gebonden aan dit bindend advies.

15. Uit het bindend advies volgt dat de bindend adviseur de panden door een onafhankelijke NVM taxateur heeft laten taxeren. Bij het bepalen van de waarde heeft de bindend adviseur derhalve de nodige zorg besteed en de belangen van beide partijen in ogenschouw genomen.

16. In aanvulling op het bindend advies zijn partijen met elkaar over een gekomen, dat als door [geïntimeerde] wordt over gegaan tot verkoop van de onroerende zaken, [de appellant] 30 % krijgt van het positieve verschil tussen de gerealiseerde verkoopopbrengst en de waarde zoals deze in de overeenkomst van boedelscheiding is vermeld.

17. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen staat tussen partijen vast dat de panden voor een bedrag van € 482.000 in de verdeling dienen te worden betrokken.

18. Hetgeen [de appellant] in appel heeft aangevoerd dat er tussen partijen geen overeenstemming bestond over de waarde waarvoor de onroerende zaken in de verdeling dienen te worden betrokken acht het hof niet rechtens relevant. De grief van [de appellant] treft geen doel.

Incidentele grieven

19. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen heeft [geïntimeerde] geen belang meer bij de bespreking van zijn eerste incidentele grief.

20. [geïntimeerde] is het niet eens met de hoogte van de proceskosten veroordeling. [de appellant] is van mening dat de rechtbank kon uitgaan van het liquidatie tarief.

21. Het hof overweegt als volgt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er gezien de feitelijke gang van zaken er gronden aanwezig zijn om [de appellant] in de kosten van de procedure te veroordelen.

22. Partijen zijn met elkaar overeengekomen om de nalatenschap af te wikkelen op basis van een bindend advies. Dit bindend advies is met de nodige zorg tot stand gekomen. In aanvulling op dit bindend advies is [geïntimeerde] er mee akkoord gegaan dat als hij zou overgaan tot verkoop van de onroerende zaken [de appellant] nog zal delen voor een deel van de winst. [geïntimeerde] heeft in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap rekening gehouden met de belangen van [de appellant]. Het is onder deze omstandigheden redelijk en billijk dat [de appellant] in de proceskosten wordt veroordeeld zowel in eerste aanleg als in appel. Gezien het feit dat er sprake is van een familieverhouding gaat het hof niet uit van de tarieven die [geïntimeerde] stelt.

Proceskosten

23. Ter zake de proceskosten in eerste aanleg alsmede de proceskosten in het principaal appel verwijst het hof naar hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen.

24.Ter zake de proceskosten in het incidentele appel acht het hof het redelijk en billijk om deze tussen partijen te compenseren aangezien [geïntimeerde] niet in zijn vordering in het gelijk is gesteld.

25. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

3. Beslissing

bekrachtigt het vonnis door de rechtbank te `s-Gravenhage tussen de partijen op 26 maart 2008 gewezen;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

veroordeelt [de appellant] in de kosten van het principale beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot deze uitspraak begroot op € 1.659,- gespecificeerd als volgt:

- vastrecht € 303,-

- salaris advocaat € 1.356,-;

compenseert de kosten inzake het incidentele appel en wel in die zin dat dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Dusamos en van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2009 in aanwezigheid van de griffier.