Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK4664

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
MHV 200.040.468/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ingesteld door de stichting BJZ samen met de pleegouders tegen de ouders van de minderjarige (principaal appel)

Het principaal appel gericht tegen de beschikking van de rechtbank waarin onder meer is bepaald:

- dat bij het eerst volgende contact tussen de ouders en de minderjarige de pleegouders en een hulpverlener (niet zijnde de gezinsvoogdijwerker) aanwezig mocht zijn; en

- dat wanneer dit contact rustig zou verlopen het volgende contact wet bij de pleegouders thuis plaats kon vinden.

Appellanten verzoeken het hof uitdrukkelijk om een principiële uitspraak te doen over de vraag of pleegouders gedwongen kunnen worden tot een omgangsregeling bij hen thuis en of de kinderrechter de bevoegdheid heeft om te beslissen dat de gezinsvoogd niet bij een omgangsregeling aanwezig mag zijn.

Het hof bepaalt in deze beschikking onder r.o. 3.8.2 en 3.8.3. - kort samengevat – dat in dit geval zowel bij de stichting als de pleegouders het belang bij het door hen ingestelde hoger beroep ontbreekt.

Onder r.o. 3.8.4. overweegt het hof ten overvloede dat de kinderrechter in dit geval de omgang tussen de ouders en de minderjarige bij de pleegouders thuis heeft bepaald nadat hiertoe ter zitting instemming was verleend door de pleegouders, althans zo blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.

In hoger beroep is gebleken dat er thans bij de pleegouders geen instemming (meer) is om de genoemde omgang bij hen thuis te laten plaatsvinden. Door hen is derhalve terecht een beroep gedaan op de schending van artikel 8 EVRM; er is immers in dat geval sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het gezinsleven van de pleegouders (…..)

Voor wat betreft de voorwaarde dat de gezinsvoogd niet bij het eerste contact aanwezig zal zijn geldt dat gelet op artikel 1:263a tweede lid BW de kinderrechter een zodanige omgangsregeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Onder die bevoegdheid valt ook het ambtshalve vaststellen van een incidentele voorwaarde als de onderhavige (…..).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Burgerlijk Wetboek Boek 1 263a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/44

Uitspraak

MB

26 november 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: MHV 200.040.468/01

Zaaknummer eerste aanleg: 68105/JE RK 09-370

GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland,

gevestigd te Middelburg,

en

[A.] en [B.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna te noemen: de stichting respectievelijk de pleegouders,

advocaat: mr. M. Kramer,

t e g e n

[C.]en [D.],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader en de moeder,

advocaat: mr. C.L. de Koeijer.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Middelburg van 10 juli 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2009, hebben appellanten verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de bepaling dat bij het eerstvolgende contact de pleegouders en een hulpverlener (niet zijnde de gezinsvoogd) aanwezig zal zijn en voor wat betreft de bepaling dat wanneer dit contact rustig verloopt en ook de ouders het belang van de jeugdige voorop weten te stellen, het hierna volgende contact weer kan plaatsvinden bij de pleegouders.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2009, hebben de vader en de moeder verzocht het beroep van appellanten ongegrond te verklaren.

Tevens hebben de vader en de moeder incidenteel appel ingesteld en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de aanwijzing van de stichting te vernietigen, en een omgangsregeling vast te stellen tussen hen en hun thans nog minderjarige zoon [X.] van één dagdeel per drie weken, onbegeleid bij de vader en de moeder thuis dan wel op neutraal terrein, dan wel een omgangsregeling vast te stellen die het hof in het belang van [X.] billijk voorkomt.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer P. Geervliet (in zijn hoedanigheid van gezinsvoogdijwerker) en mevrouw L. Thoen, en de pleegouders, allen bijgestaan door mr. M. Kramer;

- de vader en de moeder, bijgestaan door mr. C.L. de Koeijer.

Tevens was als toehoorder ter zitting aanwezig de heer H.J. Ramstijn, als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 juli 2009;

- de brieven met bijlagen van de stichting d.dis 25 augustus 2009 en 15 oktober 2009;

- de brieven (met bijlagen) van de raad d.dis 26 augustus 2009 en 22 oktober 2009;

- de ter zitting door overgelegde stukken, te weten: de pleitnotitie van mr. M. Kramer.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. Uit de relatie van de vader en de moeder is, voor zover hier van belang, geboren: [X.] (hierna: [X.]), op 17 december 2005 te [geboorteplaats]. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [X.] uit.

3.2. [X.] is direct na zijn geboorte (voorlopig) onder toezicht van de stichting en in een pleeggezin geplaatst.

3.3. Sinds 28 november 2008 is de (geheime) plaatsing van [X.] voor de ouders opgeheven en heeft er een contactregeling van de ouders met [X.] in het pleeggezin plaatsgevonden. De inhoud van deze regeling is vastgelegd in een brief van de stichting aan de ouders van 21 november 2008.

Na de evaluatie van deze contactregeling op 24 april 2009 hebben de pleegouders aangegeven te willen afzien van het bezoek bij hen thuis aangezien de veiligheid niet meer gegarandeerd kon worden en hebben zij voorgesteld om de omgang weer op het kantoor van de stichting te laten plaatsvinden onder toezicht van de gezinsvoogdijwerker. Bij brief van 24 april 2009 zijn de ouders door de stichting hierover ingelicht.

Op 19 mei 2009 heeft de stichting vervolgens bepaald dat er één bezoek op 29 mei 2009 zou plaatsvinden, waarna de volgende bezoeken in afwachting van het gesprek met de pleegouders per keer zouden worden afgesproken.

Vervolgens heeft de stichting op 22 juni 2009 de ouders bij brief op de hoogte gesteld van een door de stichting - in de vorm van een aanwijzing ex artikel 1:263a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - vastgestelde bezoekregeling en de daaraan gekoppelde afspraken en verplichtingen.

3.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de ouders - om de aanwijzing van de stichting met betrekking tot de omgangsregeling tussen hen en [X.] van 19 mei 2009 vervallen te verklaren onder vaststelling van een nieuwe omgangsregeling van één maal per drie weken - afgewezen, onder bepaling, dat de omgang hervat zal worden op de wijze als in de bestreden beschikking geschetst.

De rechtbank heeft hiertoe verwezen naar de ter zitting gemaakte afspraak om het eerstvolgende contact op het kantoor van de stichting te laten plaatsvinden, waarbij de pleegouders en (een) hulpverlener(s) (niet zijnde gezinsvoogd) aanwezig zouden zijn. Wanneer dit contact rustig zou verlopen en ook de ouders het belang van de jeugdige voorop zouden weten te stellen, zou het hierna volgende contact weer kunnen plaatsvinden bij de pleegouders.

3.5. Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan (incidenteel) in hoger beroep gekomen.

3.6. De stichting en de pleegouders voeren in hun beroepschrift, kort samengevat, aan dat de kinderrechter ten onrechte heeft bepaald dat de eerstvolgende bezoekregeling in aanwezigheid van een hulpverlener - niet zijnde de gezinsvoogd - plaats zal vinden. Deze beslissing komt volgens de stichting en de ouders feitelijk neer op een wijziging van een gezinsvoogd; artikel 1:254 lid 5 BW biedt niet een dergelijke vergaande bevoegdheid voor de rechter.

Daarbij komt dat de rechtbank de aanwijzing van de stichting juist heeft bekrachtigd door het verzoek van de ouders tot vervallenverklaring af te wijzen.

Daarnaast heeft de kinderrechter ten onrechte bepaald dat wanneer het contact rustig verloopt het hiernavolgende contact kan plaatsvinden bij de pleegouders.

De pleegouders betwisten dat zij ter zitting in eerste aanleg een voorstel hebben gedaan tot een omgangsregeling (op termijn) bij hen thuis en zij menen hiertoe niet te kunnen worden gedwongen nu de vader zich dreigend heeft opgesteld jegens hen. Er is sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De stichting en de pleegouders menen tot slot dat het belang van [X.] conform artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de eerste overweging dient te zijn.

3.7. De vader en de moeder voeren, kort samengevat, het volgende aan.

Zij betwisten de door de stichting en de pleegouders geschetste gang van zaken ter zitting bij de rechtbank. Strijdigheid met artikel 8 EVRM is niet aan de orde nu de pleegouders ter zitting zelf hebben aangegeven akkoord te gaan met de regeling zoals de kinderrechter wilde treffen.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:263a lid 2 BW een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt en heeft derhalve, wanneer het een aanwijzing betreft die ziet op de omgang tussen de met gezag belaste ouders en hun kind, een verdergaande bevoegdheid dan bij een reguliere aanwijzing.

De ouders benadrukken dat zich nimmer dreigend hebben uitgelaten in de aanwezigheid van [X.]. Zij geven toe dat de verhouding tussen hen en de pleegouders verstoord is, doch de kinderrechter heeft getracht deze verstoorde relatie te herstellen juist door vaststelling van de onderhavige regeling, die in overleg tot stand is gekomen. Dat de stichting en de pleegouders hierop thans wensen terug te komen doet daaraan niet af, aldus de ouders.

In het incidenteel appel hebben de ouders het hof verzocht alsnog een omgangsregeling vast te stellen tussen hen en [X.] waarbij omgang plaatsvindt éénmaal per drie weken. De ouders vermeerderen tevens hun verzoek in die zin dat zij verzoeken een omgangsregeling vast te stellen waarbij uiteindelijk, na een periode van opbouw, omgang plaatsvindt gedurende één dagdeel per drie weken, onbegeleid, bij de ouders thuis, dan wel op een neutrale plek.

3.8. Op grond van het voorgaande beslist het hof als volgt.

In het principaal appel

3.8.1. De stichting en de pleegouders hebben het hof ter zitting uitdrukkelijk verzocht een principiële uitspraak te doen over de vraag of pleegouders gedwongen kunnen worden tot een omgangsregeling bij hen thuis en of de kinderrechter de bevoegdheid heeft om te beslissen dat de gezinsvoogd niet bij een omgangsregeling aanwezig mag zijn.

3.8.2. Ter zitting van het hof is naar voren gekomen dat de pleegouders bezwaar maken tegen een omgangsregeling van de ouders met [X.] bij hen thuis. Zij hebben verklaard dat de omgang niet meer bij hen kan plaatsvinden. De stichting heeft desgevraagd aangegeven dat het thans niet haar intentie is om de genoemde omgangsregeling bij de pleegouders te laten plaatsvinden. Daarnaast heeft het eerste contact al plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de gezinsvoogd en in aanwezigheid van de pleegouders.

3.8.3. Gelet op het voorgaande ontbreekt bij zowel de stichting als de pleegouders het belang bij het door hen ingestelde hoger beroep. Het hof zal de stichting en de pleegouders derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het door hen ingestelde appel.

3.8.4. Ten overvloede overweegt het hof nog dat de kinderrechter in het onderhavige geval de omgang tussen de ouders en [X.] bij de pleegouders thuis heeft bepaald nadat hiertoe ter zitting instemming was verleend door de pleegouders, althans zo blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.

In hoger beroep is gebleken dat er thans bij de pleegouders geen instemming (meer) is om de genoemde omgang bij hen thuis te laten plaatsvinden. Door hen is derhalve terecht een beroep gedaan op de schending van artikel 8 EVRM; er is immers in dat geval sprake van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het gezinsleven van de pleegouders, reeds hierom nu de omgang tussen de ouders en [X.] ook elders kan plaatsvinden.

Voor wat betreft de voorwaarde dat de gezinsvoogd niet bij het eerste contact aanwezig zal zijn geldt dat gelet op artikel 1:263a tweede lid BW de kinderrechter een zodanige omgangsregeling kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Onder die bevoegdheid valt ook het ambtshalve vaststellen van een incidentele voorwaarde als de onderhavige. Hetzelfde geldt ten aanzien van de aanwezigheid van de pleegouders bij de omgang. Overigens hebben die ter zitting ook zelf aangegeven juist wel bij die omgang aanwezig te willen zijn in het belang van de minderjarige.

In het incidenteel appel

3.8.5. De stichting heeft een omgangsregeling tussen de ouders en [X.] vastgelegd van éénmaal per vier weken gedurende twee uren op het kantoor van de stichting. Tevens is bepaald dat de omgang plaatsvindt onder toezicht van de gezinsvoogd en in de aanwezigheid van de pleegouders. In deze aanwijzing zijn voorts gedragsregels voor de ouders opgenomen.

3.8.6. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat gezien de recente spanningen tussen de voor [X.] belangrijke volwassenen er eerst rust voor hem rond de omgang hersteld dient te worden. Pas wanneer dat het geval is en de omgang weer op positieve wijze ten huize van de pleegouders verloopt, kan - in overleg met alle betrokkenen - door de stichting overwogen worden of de door de ouders gewenste frequentie in het belang van [X.] is.

Ter zitting van het hof hebben de ouders in aanvulling op hun beroepschrift verklaard dat zij de frequentie van de omgangsregeling willen wijzigen om het ouderverstotingssyndroom bij [X.] terug te dringen. Daarbij hebben zij aangetekend dat het hun wens is de omgang onbegeleid op een neutrale plek te laten plaatsvinden.

3.8.7. Ter zitting van het hof is gebleken dat de begeleide omgangscontacten tussen de ouders en [X.] thans (op zich) goed verlopen. De pleegouders hebben verklaard dat het goed gaat met [X.] en hij na afloop van een omgangscontact met de ouders geen last ervaart.

Afgezien van ingrijpendheid van de met de omgangscontacten samenhangende reistijd - van in totaal twee uren per keer - ziet het hof geen bezwaren voor [X.] om de door de ouders verzochte vermeerdering van de omgangscontacten toe te wijzen.

Dat er gedurende de omgangscontacten door de ouders aan [X.] wordt getrokken - in die zin dat de ouders hem proberen te beïnvloeden - zoals de stichting heeft gesteld ter zitting is het hof niet gebleken. Dit vermoeden van de stichting, dat gebaseerd wordt op uitlatingen van [X.], is niet althans onvoldoende onderbouwd.

Daarbij hecht het hof waarde aan de door Het Ambulatorium in het psycho-diagnostisch onderzoek van 20 juli 2007 voor [X.] wenselijk geachte volgende bezoekregeling: “gedurende de peuter en vroege kleuterleeftijd een begeleid bezoek van één uur per twee weken. Later gedurende de schoolleeftijd kan de frequentie worden teruggebracht tot één keer per drie weken en later eventueel één keer per vier weken. Bij het ouder worden van [X.] kan worden overwogen de bezoeken met de andere drie kinderen te laten samenvallen”.

3.8.8. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de door de stichting vastgestelde regeling, zoals hiervoor onder 3.8.5. beschreven, gehandhaafd moet worden, zij het dat deze regeling met ingang van 1 december 2009 dient te worden uitgebreid naar éénmaal per drie weken. Het verzoek van de ouders de omgangscontacten reeds thans uit te breiden naar onbegeleide contacten bij de ouders thuis wijst het hof af; hiervoor is het gezien de gebeurtenissen in het (recente) verleden nog te vroeg, temeer nu nog niet duidelijk is hoe die minderjarige zelf zal reageren op een omgang buiten de aanwezigheid van de pleegouders. Indien de begeleide omgang goed blijft verlopen, dient te worden bezien of gewerkt kan worden naar een onbegeleide omgang.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de beslissing van de rechtbank waarvan beroep vernietigen en hierna de bestaande regeling qua frequentie uitbreiden.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal appel:

verklaart de stichting en de pleegouders alsnog niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde principaal appel;

op het incidenteel appel:

vernietigt de door de rechtbank Middelburg op 10 juli 2009 gegeven beschikking;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de tussen de ouders en [X.], door de stichting vastgestelde begeleide omgangsregeling zoals weergegeven onder 3.8.5. zal worden gehandhaafd en uitgebreid met dien verstande dat deze geldende regeling met ingang van 1 december 2009 eens per drie weken zal plaatsvinden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Koens, Van Dijkhuizen en Van der Flier en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2009.