Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK4254

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
105.006.324-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht waterschap bij wateroverlast door hevige regenval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2010, 20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.324/01

Rolnummer (oud) : 07/459

Rolnummer rechtbank : 05-2657

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 24 november 2009

inzake

1. [A],

wonende te Noordwijk,

2. [B],

gevestigd te Brielle,

3. [C],

wonende te Hellevoetsluis,

4. [D],

gevestigd te Oostvoorne (gemeente Westvoorne),

5. [E],

wonende te Oudenhoorn (gemeente Bernisse),

appellanten,

hierna te noemen: ieder voor zich [A], [B], [C], [D], [E] en gezamenlijk [appellanten gezamenlijk],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

tegen

HET WATERSCHAP DE HOLLANDSE DELTA,

zetelende te Dordrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: het Waterschap,

advocaat: mr. I. Marks te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 26 maart 2007 zijn [appellanten gezamenlijk] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 13 september 2006 en van 14 maart 2007, door de rechtbank Dordrecht gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven hebben [appellanten gezamenlijk] drie grieven tegen het vonnis van 14 maart 2007 aangevoerd, die door het Waterschap bij memorie van antwoord zijn bestreden. Het Waterschap heeft daarna bij akte houdende inbreng productie een productie in het geding gebracht. Daarop hebben [appellanten gezamenlijk] bij akte uitlaten tevens houdende inbreng producties gereageerd; zij hebben daarbij tevens producties in het geding gebracht. Vervolgens hebben partijen de zaak voor het hof schriftelijk doen bepleiten (inclusief re- en dupliek). Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 [A] teelt bloembollen op een perceel te Rockanje, [B] exploiteert te Brielle een glastuinbouwbedrijf, [C] exploiteert een landbouwbedrijf te Hellevoetsluis en [C] en [D] exploiteren percelen te Oostvoorne. Het Waterschap is belast met het waterbeheer in het gebied waarin de percelen van [appellanten gezamenlijk] zijn gelegen (verder: het beheersgebied).

1.2 Op 19 september 2001 is in het beheersgebied meer dan 60 mm neerslag gevallen. Van 19 tot en met 21 september 2001 was in het beheersgebied sprake van peiloverschrijdingen en wateroverlast.

1.3 Op 24 november 2005 heeft [A] het Waterschap gewaarschuwd dat hij wateroverlast op zijn perceel ondervond. Die avond is een medewerker bij [A] gaan kijken. In de morgen van 25 november 2005 heeft het Waterschap twee van belang zijnde duikers laten doorspuiten.

2. [Appellanten gezamenlijk] hebben bij de rechtbank in hoofdzaak gevorderd dat deze het Waterschap zal veroordelen aan [appellanten gezamenlijk] de schade, op te maken bij staat, te vergoeden die zij hebben geleden door bovengenoemde gevallen van wateroverlast. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. [Appellanten gezamenlijk] hebben geen grief gericht tegen het vonnis van de rechtbank van 13 september 2006. Zij zullen daarom in hun beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De eerste grief is gericht tegen nagenoeg alle overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de wateroverlast van 19 tot en met 21 september 2001. De tweede grief valt de overweging van de rechtbank met betrekking tot de wateroverlast op 24 en 25 september 2005 aan. De derde grief keert zich tegen de beslissing van de rechtbank en strekt ertoe het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven zullen gezamenlijk worden behandeld.

5. [Appellanten gezamenlijk] hebben zich niet gekeerd tegen de overweging van de rechtbank dat vooropgesteld moet worden dat het Waterschap niet zonder meer aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die het gevolg is van een te hoog waterpeil en op percelen is ontstaan, die binnen zijn beheersgebied zijn gelegen, dat dit pas het geval is indien het Waterschap zijn zorgplicht jegens hen heeft geschonden en dat de maatstaf hiervoor is of het Waterschap, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval en de verschillende bij zijn beleid betrokken belangen en zijn (beperkte) middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Het hof zal daar ook van uitgaan. Tot de zorg van een goed beheerder behoort onder meer het in werking hebben van een adequate klachtenbehandelingsorganisatie, het adequaat behandelen van klachten en het treffen van de nodige maatregelen om het voor een polder vastgestelde waterpeil zoveel mogelijk te handhaven.

6. [Appellanten gezamenlijk] hebben zich in de eerste plaats verzet tegen de overweging van de rechtbank dat op 19 september 2001 in het beheersgebied uitzonderlijk veel neerslag is gevallen; zij betwisten dat de neerslag uitzonderlijk was. Het hof heeft met die grief blijkens het bovenstaande rekening gehouden. Hij leidt niet tot vernietiging van het vonnis. Het Waterschap heeft onder verwijzing naar een door hem overgelegd expertiserapport betoogd dat zijn waterbeheerssysteem is berekend op een afvoernorm van 14,4 mm neerslag per hectare per etmaal. Dat betekent dat het het Waterschap met het gehanteerde waterbeheerssysteem (waartoe de in het beheersgebied aanwezige duikers behoren) niet mogelijk was binnen een dag (zoals door [appellanten gezamenlijk] wordt verlangd) de op 19 september 2001 gevallen neerslag af te voeren, maar dat daar zonder noodmaatregelen ten minste vier dagen voor nodig zouden zijn geweest. [appellanten gezamenlijk] hebben niet betwist dat het Waterschap dit waterbeheerssysteem hanteert of gesteld dat de afvoernorm niet aan de voor 19 september 2001 redelijkerwijs te stellen eisen voldeed, zodat het hof van de juistheid van een en ander zal uitgaan.

7. [Appellanten gezamenlijk] hebben wel naar voren gebracht dat “de” duikers te klein waren en dat het Waterschap daarvan al enige jaren op de hoogte was, maar zij hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht ter onderbouwing van deze door het Waterschap betwiste stellingen, bijvoorbeeld wie wanneer en op welke wijze de te geringe afmetingen van de duikers bij het Waterschap aan de orde heeft gesteld en waaruit de ontoereikende afmetingen van “de” duikers zouden blijken; de enkele omstandigheid dat “de” duikers de regenval tijdens de in 1998 opgetreden noodsituatie en de overvloedige regenval van 19 september 2001 niet konden verwerken is daarvoor geen aanwijzing, gelet op de uitgangspunten van het waterbeheerssysteem van het Waterschap.

8. [Appellanten gezamenlijk] hebben ook van enkele met name genoemde duikers gesteld dat deze onvoldoende capaciteit hadden. Dat betreft de duiker bij de Heveringseweg en de duiker onder de Westvoornseweg. Over de duiker bij de Heveringseweg hebben [appellanten gezamenlijk] aangevoerd dat deze door het Waterschap is verplaatst en verkleind en dat daardoor water van een te groot achterland moet worden afgevoerd. Ter zake van de duiker onder de Westvoornseweg hebben [appellanten gezamenlijk] naar voren gebracht dat een opzichter van het Waterschap heeft verklaard dat deze onvoldoende capaciteit had en dat de te kleine capaciteit wordt bewezen door het verschil in waterpeil tussen de watergang langs de Westvoornseweg en de polder. Zij hebben daarvan bewijs aangeboden. Het Waterschap heeft deze stellingen in hoger beroep gemotiveerd betwist. Over de duiker bij de Heveringseweg heeft het naar voren gebracht dat de duiker in zijn omvang binnen de norm van het afwateringssysteem valt en dat bij de berekening van de afmetingen van de duiker met de omvang van het achterland rekening is gehouden. Het Waterschap heeft betwist dat zijn opzichter over de duiker onder de Westvoornseweg een uitlating als bovenbedoeld heeft gedaan en heeft naar voren gebracht dat het verschil in waterpeil tussen de genoemde watergang en de polder wordt veroorzaakt doordat verschillende peilstanden worden gehandhaafd. Gelet op deze verweren had van [appellanten gezamenlijk] verwacht mogen worden dat zij in hoger beroep hun stellingen nader zouden onderbouwen. Zij hadden ten minste feiten en omstandigheden (buiten de regenval tijdens de noodsituatie van 1998 en de overvloedige regenval in 2001) moeten aanvoeren waaruit het capaciteitsgebrek blijkt en wanneer en door wie dat bij het Waterschap aan de orde is gesteld. Voorts hadden zij aan moeten geven op grond waarvan de conclusie van een opzichter van het Waterschap over de te kleine capaciteit van de duiker juist kan zijn tegenover het verweer van het Waterschap dat op die locatie verschillende peilen gehandhaafd worden. Deze verdere onderbouwing is geheel achterwege gebleven. [appellanten gezamenlijk] hebben zich beperkt tot een herhaling van hun stellingen; dat draagt aan de onderbouwing daarvan niet bij. Daarbij komt dat, ook al zou komen vast te staan dat de capaciteit van deze twee duikers onvoldoende was, daarmee nog niet komt vast te staan dat het Waterschap jegens [appellanten gezamenlijk] onrechtmatig nalatig is geweest. Deze twee duikers vormen immers onderdeel van een uitgebreid waterbeheerssysteem. Het Waterschap zal de vervanging van de duikers in het licht van de beperkte middelen in het kader van de investeringen ter verbetering van het waterbeheerssysteem moeten afwegen tegen andere noodzakelijke werken en zal voorts mede acht moeten slaan op de gevolgen van capaciteitsvergroting van bepaalde duikers voor het waterpeil in andere delen van het beheersgebied. [appellanten gezamenlijk] hebben onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren om het hof tot de conclusie te brengen dat het Waterschap bij de vaststelling en/of uitvoering van bedoelde investeringen vóór 19 september 2001 jegens [appellanten gezamenlijk] in gebreke is gebleven. De omstandigheid dat, zoals [appellanten gezamenlijk] aanvoeren, het Waterschap ná 19 september 2001 aanvullende investeringen heeft gedaan, onder meer in het vast plaatsen van pompen voor noodsituaties, maakt dat niet anders.

9. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing, die gelet op het gemotiveerde verweer van het Waterschap van [appellanten gezamenlijk] ten minste in hoger beroep had mogen worden verwacht, en mede in het licht van hetgeen in rechtsoverweging 8 omtrent de afweging van investeringen door het Waterschap is overwogen, zal het hof [appellanten gezamenlijk] niet tot het bewijs van toelaten van hun stelling dat “de” of bepaalde met name genoemde duikers binnen het beheersgebied van het Waterschap onvoldoende capaciteit hadden.

10. [Appellanten gezamenlijk] hebben verder aangevoerd dat hun schade voorzienbaar was omdat de zes dagen voorafgaande aan 19 september 2001 al 75 mm water was gevallen, dat de percelen daardoor verzadigd waren en dat het Waterschap heeft nagelaten de juiste maatregelen te nemen. Het hof verwerpt dit betoog. Aangezien 75 mm regen in zes dagen binnen de normale werking van het waterbeheerssysteem (14,4 mm neerslag per etmaal) kan worden opgevangen, noodzaakte deze neerslag het Waterschap niet extra maatregelen te nemen, bijvoorbeeld het inzetten van noodpompen zoals door [appellanten gezamenlijk] is gesuggereerd. Het Waterschap heeft voorts naar voren gebracht dat het preventief is opgetreden door voorbemaling toe te passen en heeft ook de resultaten daarvan gepresenteerd. [appellanten gezamenlijk] hebben dit niet behoorlijk betwist, laat staan dat zij feiten of omstandigheden hebben aangedragen waaruit het hof de conclusie zou moeten trekken dat geen voorbemaling heeft plaatsgevonden. Gelet op het ontbreken van onderbouwing van de stellingen van [appellanten gezamenlijk] op dit punt zal het hof hen niet tot bewijs toelaten. In het licht hiervan is ook het verwijt van [appellanten gezamenlijk] dat het Waterschap niet adequaat heeft gereageerd op door hen beweerdelijk op 17 september 2001 bij het Waterschap ingebrachte klachten, ongegrond.

11. [Appellanten gezamenlijk] hebben er voorts over geklaagd dat het Waterschap tijdens en direct na de overvloedige regenval op 19 september 2001 niet adequaat op hun klachten heeft gereageerd, doordat het de wateroverlast bij hen niet aanstonds heeft verholpen door tijdig bij hen pompen te plaatsen en het vijzelsluisje bij [A] direct open te zetten. Het Waterschap heeft daartegenover gesteld dat bij een overvloedige regenval als de onderhavige een samenhangende aanpak is vereist waarbij voorkomen moet worden dat de opheffing van de overlast bij de een tot een wellicht ernstiger overlast bij de ander leidt.

12. Het hof stelt voorop dat de vraag waar, wanneer en hoe noodpompen moeten worden ingezet in een noodsituatie als de onderhavige, behoort tot de beleidsvrijheid van de rampenorganisatie van het Waterschap; bij de toetsing daarvan past het hof terughoudendheid. Datzelfde geldt voor de vraag welke calamiteuze situaties het eerst worden aangepakt. Derhalve zou, ook al had het vijzelsluisje bij [A] wellicht eerder kunnen worden opengezet, het feit dat daaraan later is toegekomen dan voor [A] wenselijk was geweest, er op zich niet toe leiden dat jegens hen onrechtmatig is gehandeld. [appellanten gezamenlijk] hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die het hof tot het oordeel zouden moeten brengen dat terzake door het Waterschap zodanig verkeerde keuzes zijn gemaakt dat onrechtmatig jegens [appellanten gezamenlijk] is gehandeld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat bij [appellanten gezamenlijk] sprake was van gevaar voor de gezondheid of het leven van personen of van het risico voor het onderlopen van woonwijken.

13. Met betrekking tot de door [A] gestelde wateroverlast van 24 en 25 november 2005 stelt het hof voorop dat weliswaar van het Waterschap kan worden gevergd dat het voldoende toezicht houdt op de onderhoudstoestand van voor het waterbeheer van belang zijnde watergangen en kunstwerken, maar dat het Waterschap niet gehouden is zodanig toezicht te houden dat elke overlast wordt voorkomen. [appellanten gezamenlijk] hebben niet gesteld dat het Waterschap bij bedoeld toezicht in gebreke is gebleven; evenmin hebben zij feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat het Waterschap eerder had moeten weten dat bij [A] stagnatie in de waterafvoer optrad. Hetgeen [appellanten gezamenlijk] hebben aangevoerd over de te geringe capaciteit van bedoelde duiker(s) leidt om de in de rechtsoverwegingen 7 en 8 aangegeven redenen niet tot resultaat. Slechts de vraag ligt daarom voor of het Waterschap op de door [A] op 24 september 2004 gedane melding adequaat heeft gereageerd. Tussen partijen staat vast dat een medewerker van het Waterschap nog dezelfde avond is komen kijken en dat het Waterschap de volgende morgen twee mogelijk relevante duikers heeft laten schoonmaken. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Waterschap met deze snelle reactie adequaat heeft gereageerd op de melding van [A].

14. De slotsom is dat de grieven falen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 14 maart 2007 bekrachtigen. Daarbij past een kostenveroordeling van [appellanten gezamenlijk] Tot die kosten behoren de nakosten. Het hof zal de nakosten, anders dan het Waterschap vraagt, thans niet vaststellen, omdat de vaststelling van de kosten ingevolge artikel 237, derde lid, Rv beperkt blijft tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten.

Beslissing

Het hof:

- verklaart [appellanten gezamenlijk] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 13 september 2006;

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 14 maart 2007;

- veroordeelt [appellanten gezamenlijk] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van het Waterschap tot op heden vastgesteld op € 300,- aan verschotten en € 2.235,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, G. Dulek-Schermers en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2009 in aanwezigheid van de griffier.