Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3778

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
200.032.471-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Nu ten aanzien van één minderjarige inmiddels ontheffing is uitgesproken, is de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de uithuisplaatsing. Ten aanzien van de andere minderjarige over wie zij het gezag heeft, wordt de beslissing tot uithuisplaatsing bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 november 2009

Zaaknummer : 200.032.471/01

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 08-1823

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.W.F. Jansen te Rotterdam,

tegen

de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Diemen,

hierna te noemen: de WSG.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[De vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 29 april 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 februari 2009 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam.

De WSG heeft op 5 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 14 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Rijnmond, locatie Rotterdam, heeft het hof bij brief van 20 augustus 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 14 oktober 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de WSG mevrouw drs. A.M.J.D. Hensen (inhoudelijk manager) en mevrouw P. van ’t Hoff (gezinsvoogd), en de vader. De raad is, zoals aangekondigd, niet verschenen. De verschenen betrokkenen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarigen:

- [De minderjarige sub 1], geboren [in] 1999 te [woonplaats], hierna te noemen: [de minderjarige sub 1], en

- [de minderjarige sub 2], geboren [in ] 2000 te [woonplaats], hierna te noemen: [de minderjarige sub 2], in een pleeggezin verlengd tot 10 februari 2010.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een pleeggezin tot 10 februari 2010.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verzoeken van de WSG alsnog af te wijzen, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren.

3. De WSG bestrijdt haar beroep en verzoekt het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren (het hof leest: verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep), dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft verlengd. Zij voert daartoe aan dat de hulpverlening ten onrechte wordt stopgezet omdat de WSG niet langer streeft naar een terugkeer van de kinderen bij de ouders. Ter zitting van het hof heeft de moeder medegedeeld dat van een terugkeer naar beide ouders inmiddels geen sprake meer kan zijn, aangezien zij in verband met relatieproblemen met de vader voor een tweede keer een echtscheidingsprocedure in gang heeft gezet en die procedure dit keer ook wil doorzetten. De vader woont sinds mei 2009 niet meer bij de moeder in huis en de moeder meent dat zij met hulp van buitenaf zelf weer de opvoeding van de kinderen ter hand kan nemen. De WSG heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist.

Ontvankelijkheid

5. Bij beschikking van 30 maart 2009 van de rechtbank te Rotterdam zijn de ouders ontheven uit het ouderlijk gezag over [de minderjarige sub 1]. Als gevolg daarvan wordt het gezag momenteel door de WSG uitgevoerd en heeft de moeder naar het oordeel van het hof, als niet gezaghebbende ouder, onder de huidige omstandigheden geen belang meer bij haar beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige sub 1]. Er wordt immers met ingang van de datum van de ontheffing niet langer op basis van de door de rechtbank bij de bestreden beschikking uitgeproken maatregel gewerkt maar op basis van het gezag dat bij beschikking van 30 maart 2009 aan de WSG is toegekend. Dat de beslissing omtrent de ontheffing van het gezag nog niet onherroepelijk is doet aan het vorenstaande niet af, aangezien die beslissing uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en op het ingestelde hoger beroep van die beslissing naar verwachting niet vóór het verstrijken van de thans lopende termijn (tot 10 februari 2010) door het hof zal worden beslist.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige sub 1]. Het hof zal de moeder dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing [de minderjarige sub 2]

7. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de moeder tot op heden niet in staat is gebleken een stabiel opvoedingsklimaat te scheppen, waarin continuïteit in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige sub 2] gewaarborgd is. Volgens Jeugdzorg is er bij [de minderjarige sub 2] sprake van parentificatie en het hof vreest dat de moeder een te groot beroep op [de minderjarige sub 2] zal doen, zeker nu zij (wederom) midden in een echtscheidingsprocedure met de vader verwikkeld is. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de WSG, dat de moeder in het verleden telkens de ingezette hulp bij de opvoeding van de kinderen heeft afgehouden. Om die reden wordt de moeder vanwege haar medische beperkingen uitsluitend nog hulp van praktische aard geboden en is er volgens de WSG geen perspectief meer op terugplaatsing van [de minderjarige sub 2]. Het hof begrijpt uit de stellingen van de moeder dat zij bereid is hulp te aanvaarden bij de opvoeding van [de minderjarige sub 2]. Het hof is evenwel van oordeel dat de belangen van [de minderjarige sub 2] daarmee op dit moment onvoldoende worden gewaarborgd. Vaststaat dat [de minderjarige sub 2], die sinds oktober 2007 (samen met [de minderjarige sub 1]) bij de oma van vaderszijde woont, zich goed ontwikkelt en aldaar de opvoeding en verzorging geniet die aansluit op haar basisbehoeften. Het hof passeert de stelling van de moeder dat de grootouders aangegeven zouden hebben dat de opvoeding van de kinderen voor hen te zwaar zou zijn, aangezien de WSG die stelling heeft betwist en de moeder die stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Mede vanwege de echtscheidingsprocedure is er naar het oordeel van het hof sprake van een onzekere situatie bij zowel de moeder als de vader, die ter zitting van het hof eveneens heeft aangegeven dat hij in het vervolg wel voor de kinderen wil zorgen. Gelet ook op de gebeurtenissen in het verleden en het feit dat de beide ouders het verleden nog niet achter zich hebben kunnen laten, acht het hof het in het belang van [de minderjarige sub 2] dat er een consistentie blijft bestaan in haar leefomgeving, zo als thans het geval is.

8. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige sub 2] noodzakelijk is om de huidige status quo te handhaven.

De gronden voor zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing van [de minderjarige sub 2] zijn derhalve nog steeds aanwezig, zodat de bestreden beschikking in zoverre moet worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige sub 1];

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover voorts nog aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van Leuven en Van der Kuijl, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2009.