Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3561

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
17-11-2009
Zaaknummer
22-001150-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, nota bene gedurende een proeftijd ter zake van een eerdere veroordeling wegens diefstallen, schuldig gemaakt aan diefstal van diverse zaken uit een woning.

Voor het bewijs van verdachtes betrokkenheid bij het onderhavige feit acht het hof het in het bijzonder redengevend dat zijn vingerafdruk is aangetroffen op een parfumdoosje dat op het bed in de slaapkamer van de woning van de aangeefster lag. De verdachte heeft voor die bijzondere omstandigheid geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Dat hij het betreffende parfumdoosje - zoals hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard - zou hebben aangeraakt in een winkel, waarna de aangeefster dat zou hebben gekocht of gekregen, acht het hof allerminst aannemelijk. Concrete feiten die deze mogelijkheid onderbouwen, zijn door de verdachte niet aangevoerd. Bovendien zijn doosjes met parfumflesjes in winkels in de regel verpakt in cellofaan. Mitsdien verklaart de door de verdachte geopperde gang van zaken de aanwezigheid van zijn vingerafdruk op het doosje niet. De verklaring van de verdachte staat derhalve niet in de weg aan het gebruik voor het bewijs van de aangetroffen vingerafdruk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001150-09

Parketnummer: 10-651197-08

Datum uitspraak: 2 oktober 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van

16 februari 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 september 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 november 2008 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning/pand gelegen aan de [straat] heeft weggenomen een of meer siera(a)d(en) en/of geld en/of een mobiele telefoon (merk/type Nokia N 95-1), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van inklimming, te weten door via een (niet afgesloten) deur die woning/dat pand te betreden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van tien weken, met aftrek van voorarrest, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering. Daarnaast is de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte afgewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 november 2008 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning/pand gelegen aan de [straat] heeft weggenomen sieraden en geld en een mobiele telefoon (merk/type Nokia N 95-1), toebehorende aan [aangeefster].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Voor het bewijs van verdachtes betrokkenheid bij het onderhavige feit acht het hof het in het bijzonder redengevend dat zijn vingerafdruk is aangetroffen op een parfumdoosje dat op het bed in de slaapkamer van de woning van de aangeefster lag. De verdachte heeft voor die bijzondere omstandigheid geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Dat hij het betreffende parfumdoosje - zoals hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard - zou hebben aangeraakt in een winkel, waarna de aangeefster dat zou hebben gekocht of gekregen, acht het hof allerminst aannemelijk. Concrete feiten die deze mogelijkheid onderbouwen, zijn door de verdachte niet aangevoerd. Bovendien zijn doosjes met parfumflesjes in winkels in de regel verpakt in cellofaan. Mitsdien verklaart de door de verdachte geopperde gang van zaken de aanwezigheid van zijn vingerafdruk op het doosje niet. De verklaring van de verdachte staat derhalve niet in de weg aan het gebruik voor het bewijs van de aangetroffen vingerafdruk.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. Hij is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, nota bene gedurende een proeftijd ter zake van een eerdere veroordeling wegens diefstallen, schuldig gemaakt aan diefstal van diverse zaken uit een woning. Hij heeft zich daarbij kennelijk alleen laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin en blijk gegeven van disrespect voor de eigendommen van de bewoonster. Dergelijke feiten veroorzaken doorgaans aanzienlijke materiële en financiële schade. Bovendien bezorgen ze de bewoners veel ergernis, omdat inbreuk wordt gemaakt op hun gevoel van privacy.

Bij het vormen van zijn oordeel met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 september 2009, waaruit blijkt dat hij twee maal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (gekwalificeerde) diefstallen.

Daarnaast heeft het hof (onder meer) acht geslagen op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en de William Schrikker Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming, respectievelijk d.d. 26 november 2008 en 30 december 2008, waaruit het hof afleidt dat de verdachte niet open staat voor begeleiding door de reclassering.

Het hof ziet - gelet op de rapportage d.d. 22 oktober 2008 van laatstgenoemde instelling, waaruit blijkt dat de uitvoering van twee eerder opgelegde taakstraffen is mislukt - bovendien geen aanleiding aan de verdachte een werkstraf op te leggen, zoals subsidiair door de raadsvrouw is verzocht.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat onvoorwaardelijke jeugddetentie van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. De ernst van het feit en verdachtes justitiële documentatie rechtvaardigen naar

's hofs oordeel een hogere straf dan geëist door de advocaat-generaal.

Het hof ziet geen aanleiding de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, zodat het de daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal zal afwijzen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van

EUR 7.451,33.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van EUR 4.167,35.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 2.677,63, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77i en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van

10 weken.

Bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Wijst af de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Beveelt de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz,

mr. R.C.A. Duindam en mr. M. Moussault, in bijzijn van de griffier mr. W.R. van Hattum.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 oktober 2009.