Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3353

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
200.043.131/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei. Sollicitatieplicht. Schuldenaar heeft de bewindvoerder onvoldoende geïnformeerd over zijn sollicitatieactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 200.043.131/01

Insolventienummer rechtbank: 06/504 R

arrest van de tweede civiele kamer van 10 november 2009

in de zaak van

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A.S. Douma te Rijswijk (ZH).

Het geding

Bij vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 28 juni 2006 is ten aanzien van [appellant] de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is zonder toekenning van een schone lei beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 11 september 2009. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het op 17 september 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift. Hij verzoekt het hof dit vonnis te vernietigen en hem alsnog de schone lei te verlenen.

Bij brief van 28 september 2009 heeft de bewindvoerder, mevrouw mr. F.R. van der Stroom van Sociaal.nl Schuldsanering B.V., het hof kopieën gezonden van de verslagen, terwijl zij bij brief van 20 oktober 2009 inhoudelijk heeft gereageerd op het ingestelde beroep.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 november 2009. Verschenen is [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, alsmede namens de bewindvoerder F.H. Entjes.

De beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank - kort samengevat - het volgende overwogen.

De wettelijke schuldsaneringsregeling veronderstelt een inspanning van de schuldenaar om tijdens de schuldsaneringsregeling zo veel mogelijk inkomsten te verwerven, waarmee de schuldeisers geheel of ten dele kunnen worden voldaan. Die verplichting kan concreet tot uitdrukking komen in een sollicitatieplicht. Deze sollicitatieplicht is aan [appellant] opgelegd in het saneringsplan van 28 juni 2006. In de openbare verslagen heeft de bewindvoerder melding gemaakt van het niet-nakomen van deze verplichting, terwijl die verslagen aan [appellant] toegezonden zijn met brieven, waarin hij nogmaals is gewezen op zijn verplichting, het minimale aantal sollicitaties te verrichten en op de mogelijke gevolgen van het niet-nakomen daarvan. De gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling toegezonden 36 bewijsstukken van sollicitaties en de vele uitgeknipte advertenties van vacatures zonder gerichte sollicitatiebrief worden door de bewindvoerder onvoldoende geacht. De door [appellant] ter zitting bij de rechtbank overgelegde map bevat niet meer dan 36 sollicitatiebewijzen en daarnaast inschrijvingen bij uitzendbureaus en advertenties van vacatures, waarvan geen sollicitaties zijn overgelegd. Nu deze map minimaal, zoals [appellant] zelf heeft uitgerekend, 144 bewijsstukken zou dienen te bevatten, komt de rechtbank tot het oordeel dat [appellant] zich niet tot het uiterste heeft ingespannen, terwijl niet is gebleken dat hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt valt te maken. Deze tekortkoming staat naar het oordeel van de rechtbank aan beëindiging van de regeling met een schone lei in de weg, terwijl alle omstandigheden in aanmerking nemende niet gezegd kan worden dat de tekortkoming vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan buiten beschouwing kan worden gelaten. Vervolgens heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei.

2. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat. [appellant] is van mening dat de overwegingen en het oordeel van de rechtbank gebaseerd zijn op een onjuiste vaststelling van de feiten en omstandigheden en voorts blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. [appellant] heeft aangevoerd dat hij tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling voldoende, dat wil zeggen ten minste 144 keer, gesolliciteerd heeft en dat hij de bewindvoerder daarover geïnformeerd heeft. Zijn standpunt heeft hij toegelicht met verwijzing naar een groot aantal overgelegde stukken, waaronder kopieën van sollicitatiebrieven, reacties daarop en advertenties van vacatures.

Volgens [appellant] heeft de rechtbank met betrekking tot de bewijsvoering ten onrechte de eis gesteld dat kopieën van alle individuele sollicitatiebrieven dienden te worden overgelegd, waarbij hij heeft betoogd dat een kopie van een brief geen sluitend bewijs oplevert dat die ook daadwerkelijk is verzonden. Daarvoor zou aangetekende verzending met handtekening retour vereist zijn, hetgeen niet op te brengen kosten met zich zou brengen. Volgens [appellant] levert het overleggen van specifieke advertenties van vacatures, met de aantekening daarop dat een gestandaardiseerde brief werd verzonden, een gelijkwaardig bewijsmiddel op als een geadresseerde sollicitatiebrief. Voorts wijst hij erop dat hij 14 reacties heeft ontvangen op sollicitaties waarvan hij alleen maar een advertentie heeft overgelegd. Hieruit kan worden afgeleid dat hij meer sollicitatiebrieven heeft verzonden dan hij in kopie heeft overgelegd, ofwel dat op 14 van de overgelegde advertenties daadwerkelijk werd gesolliciteerd. [appellant] stelt daarmee voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat hij op de vacatures genoemd in alle overgelegde advertenties heeft gesolliciteerd. Ook heeft [appellant] aangevoerd dat hij in 2007 vier maanden gewerkt heeft en in die periode ontheven was van de sollicitatieplicht. Voorts heeft [appellant] bepleit dat in individuele gevallen afgeweken kan worden van de Recofa-richtlijnen, althans dat een tekortkoming in het kader van de toerekenbaarheid of in verband met de bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan blijven. Daarbij heeft hij verwezen naar zijn persoonlijke omstandigheden: hij is een moeilijk bemiddelbare man van 53 jaar oud, die voor het laatst in 1983 een reguliere baan heeft gehad en daarna onder meer vrijwilligerswerk heeft verricht en in een ID-baan werkzaam is geweest en vervolgens niet kon terugkeren naar regulier werk, waardoor hij was aangewezen op een bijstandsuitkering. De sollicitatieplicht verdient daarom volgens [appellant] in een zodanige situatie enige relativering. Ook heeft hij gesteld dat hij aan de overige verplichtingen van de schuldsaneringsregeling heeft voldaan. Tot slot heeft [appellant] bewijs aangeboden van zijn stellingen.

3. In haar reactie op het ingestelde beroep heeft de bewindvoerder onder meer aangevoerd dat [appellant] haar tijdens de schuldsaneringsregeling onvoldoende aantoonbare sollicitaties heeft toegezonden. [appellant] is herhaaldelijk gewezen op het feit dat hij onvoldoende solliciteerde en dat zijn wijze van solliciteren niet juist is. [appellant] is verzocht om kopieën toe te zenden van sollicitatiebrieven en reacties daarop. Op bij lang niet alle overgelegde advertenties is een datum vermeld, waardoor het voor de bewindvoerder niet te controleren is of er gesolliciteerd is. De bewindvoerder concludeert dat de sollicitatieplicht niet juist is nagekomen en adviseert het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.

4. Ter zitting van het hof hebben [appellant] en de waarnemend bewindvoerder hun standpunten toegelicht.

5.1. Het hof stelt voorop dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de schuldenaar verplicht zo veel mogelijk inkomsten te verwerven om zijn schuldeisers geheel of ten dele te voldoen, waarbij de schuldenaar (die geen volledige baan heeft) een sollicitatieplicht heeft. Het hof voegt daaraan toe dat met de sollicitatieplicht samenhangt de verplichting van de schuldenaar om de bewindvoerder volledig te informeren over al zijn inspanningen om betaald werk te vinden, en wel op een zodanige wijze dat voor de bewindvoerder eenvoudig te controleren is in hoeverre de schuldenaar voldoende sollicitatieactiviteiten verricht. De verplichting om alle inlichtingen te verschaffen die door de bewindvoerder worden gevraagd is gebaseerd op artikel 327 in verbinding met artikel 105 Fw. Daarbij kan, indien de schuldenaar dat in verband met de aard van de aan hem gestelde vragen en de door de bewindvoerder aan hem verstrekte aanwijzingen wist of behoorde te weten, van hem worden verwacht dat hij ook inlichtingen verschaft waarom niet uitdrukkelijk is gevraagd.

5.2. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

6.1. Gebleken is dat [appellant] vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling door de bewindvoerder bij herhaling is gewezen op zijn sollicitatieplicht. In het aanvangsverslag van de bewindvoerder is vermeld dat [appellant] op de hoogte is gebracht van die plicht en dat hij maandelijks minimaal vier bewijsstukken van sollicitaties dient over te leggen. Blijkens verslag 2 wordt door [appellant] matig aan de sollicitatieplicht voldaan, waarbij vermeld wordt dat maandelijks advertenties worden toegezonden, maar geen kopieën van sollicitatiebrieven worden overgelegd. In dit verslag staat verder dat [appellant] zich beter dient in te spannen met betrekking tot de informatie- en sollicitatieplicht en dat hij de bewindvoerder spontaan dient te informeren, waarbij hij kopieën van sollicitatiebrieven of overzichten van de mondeling verrichte sollicitaties (met opgave van de functie, datum, contactpersoon en uitkomst) maandelijks naar de bewindvoerder dient op te sturen. Daaraan is in het verslag nog toegevoegd dat indien het naleven van deze verplichtingen niet zou verbeteren, de schone lei ernstig in gevaar zou zijn. Ook in verslag 3 wordt vermeld dat matig aan de sollicitatieplicht wordt voldaan en dat de enkele toegezonden sollicitatiebrieven en afwijzingen niet als voldoende worden beschouwd. De bewindvoerder waarschuwde ook in dat verslag dat indien [appellant] in aanmerking wenste te komen voor een schone lei hij zich beter diende in te spannen wat betreft zijn sollicitatieplicht. Blijkens verslag 4 heeft [appellant] in de betreffende periode niet voldaan aan de sollicitatieplicht en zijn geen bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt dat hij actief solliciteert. In de brief waarbij verslag 4 aan [appellant] is toegezonden, heeft de bewindvoerder vermeld dat kopieën van sollicitatiebrieven naar de bewindvoerder moeten worden gestuurd. Pas in verslag 5 blijkt dat de naleving van de sollicitatieplicht is verbeterd, maar ook dat de nog ontbrekende bewijsstukken van sollicitaties alsnog overgelegd moesten worden en dat [appellant] omdat hij in het begin niet voldoende heeft voldaan aan de sollicitatieplicht, de daaropvolgende periode nog extra bewijsstukken diende over te leggen. In de brief waarbij verslag 5 aan [appellant] is gezonden, heeft de bewindvoerder nog uiteengezet dat [appellant] in de daaropvolgende periode 8 bewijsstukken van sollicitaties per maand diende over te leggen omdat in het begin van de regeling de sollicitatieplicht niet naar behoren is nageleefd en [appellant] met terugwerkende kracht alsnog daaraan diende te voldoen. De bewindvoerder constateert in verslag 6 dat [appellant] over de voorgaande periode onvoldoende bewijsstukken van sollicitaties heeft overgelegd en dat de verzochte extra bewijsstukken over de vorige periode wederom niet zijn ingediend; wel zijn 16 advertenties overgelegd, hetgeen niet voldoende wordt geacht.

6.2. In hoger beroep is niet weersproken dat [appellant] alle verslagen en de begeleidende brieven van de bewindvoerder heeft ontvangen, zodat hij geacht moet worden voldoende op de hoogte te zijn geweest van wat van hem verwacht werd in het kader zijn sollicitatieplicht en de daarmee samenhangende verplichting de bewindvoerder ter zake te informeren. Voorts is hij door de bewindvoerder steeds gewaarschuwd dat de schone lei ernstig in gevaar komt bij het niet naleven van deze verplichtingen. De klacht van [appellant] dat de bewindvoerder niet of te laat gereageerd zou hebben op zijn kennisgeving als bedoeld in productie 5 (een standaard sollicitatiebrief, met aan het slot een mededeling aan de bewindvoerder) wordt verworpen, zeker gelet op het feit dat niet duidelijk is wanneer deze kennisgeving werd verzonden, en de niet mis te verstane verwijten die de bewindvoerder [appellant] (eerder) gemaakt heeft in haar verslagen en correspondentie. Voorts had het op de weg van [appellant] gelegen om zelf navraag bij de bewindvoerder te doen bij het uitblijven van een reactie, te meer omdat de bewindvoerder [appellant] het verwijt bleef maken dat hij niet naar behoren aan zijn verplichtingen voldeed.

6.3. De door de bewindvoerder van [appellant] verlangde inspanningen om actief te solliciteren en de bewindvoerder daarover te informeren, onder meer door toezending van kopieën van sollicitatiebrieven en van daarop ontvangen reacties, komen overeen met de richtlijnen van de Recofa. Het hof acht geen termen aanwezig om van deze richtlijnen af te wijken.

7. Met betrekking tot de overgelegde producties overweegt het hof als volgt.

7.1. Als productie 2a heeft [appellant] 32 sollicitatiebrieven/e-mails en 4 reacties op sollicitaties overgelegd. Van die 32 brieven/e-mails zijn er tien identiek, en bovendien ongedateerd en zonder adressering, zodat niet duidelijk is op welke vacatures bij welke werkgevers deze brieven betrekking hebben en wanneer deze verzonden zijn. Enkele van de brieven betreffen een inschrijving bij uitzendbureaus (onder meer Randstad en Vedior), terwijl mede gelet op de overgelegde reacties (productie 2b) een deel van de brieven kennelijk betrekking heeft gehad op open sollicitaties. Het hof merkt hierbij op dat open sollicitaties en inschrijvingen bij uitzendbureaus volgens de richtlijnen van de Recofa niet meetellen bij de vereiste vier sollicitaties per maand. Sommige sollicitatiebrieven hebben overigens betrekking op dezelfde vacature of zijn meerdere malen overgelegd. Voorts dateren vijf van de sollicitatiebrieven van vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling. Ruim de helft van de brieven zou daarom buiten beschouwing moeten blijven, althans levert onvoldoende bewijs op voor daadwerkelijk verrichte sollicitaties tijdens de looptijd van de regeling.

7.2. Volgens [appellant] zijn bij de (afwijzende) reacties op zijn sollicitaties (productie 2b) 14 reacties overgelegd, waarvan wel een advertentie, maar geen sollicitatiebrief werd overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij ook op de vacatures heeft gesolliciteerd waarvan hij alleen een advertentie heeft overgelegd. Het hof merkt hieromtrent allereerst op dat het - afgezien van de reacties van uitzendbureaus en reacties op open sollicitaties en dubbelen - zes reacties telt die betrekking hebben op een vacature waarvan louter een advertentie is overgelegd. Hoewel niet uit te sluiten is dat [appellant] vaker gesolliciteerd heeft dan blijkt uit het aantal overgelegde sollicitatiebrieven/-emails en ontvangen reacties, is niet komen vast te staan dat hij aantoonbaar voldoende gesolliciteerd heeft. Het hof betrekt hierbij dat de als productie 2c overgelegde kopieën van advertenties van vacatures grotendeels ongedateerd zijn en niet voorzien zijn van een aantekening met informatie over een daadwerkelijk (via een standaardbrief) verrichte sollicitatie, zodat het voor de bewindvoerder vaak niet te controleren is geweest of werd voldaan aan de sollicitatieplicht. De stelling van [appellant] dat de door hem aan de bewindvoerder toegezonden informatie hetzelfde bewijs oplevert als een kopie van een sollicitatiebrief wordt dan ook verworpen.

8.1. De conclusie moet zijn dat uit hetgeen door [appellant] in hoger beroep aangevoerd is, niet blijkt hoeveel hij tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft gesolliciteerd. Naar het oordeel van het hof kan dit, goed beschouwd, ook in het midden blijven, nu gebleken is dat [appellant] de bewindvoerder in ieder geval onvoldoende over zijn sollicitaties heeft geïnformeerd. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd - nog daargelaten dat in een verzoekschriftprocedure in het kader van de Faillissementswet voor bewijslevering (als bedoeld in artikel 149 Rv) geen plaats is - omdat het eventueel te leveren bewijs van voldoende sollicitaties onverlet laat, dat de bewindvoerder hierover door hem gedurende de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is ingelicht. Hierbij wordt door het hof overwogen dat [appellant], door de bewindvoerder niet volledig te informeren over zijn sollicitaties, een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft gefrustreerd, omdat hij het de bewindvoerder - vanwege het veelal ontbreken van relevante gegevens omtrent de vacature, de werkgever, diens contactpersoon - vrijwel onmogelijk heeft gemaakt om (steekproefsgewijze) te controleren of die sollicitaties daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

8.2. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank onjuiste eisen heeft gesteld aan het bewijs van zijn sollicitaties en dat toezending van kopieën van al zijn sollicitatiebrieven aan de bewindvoerder te veel kosten met zich zou brengen wordt verworpen. Met dit betoog miskent [appellant] dat hij de bewindvoerder desgewenst ook op andere, eenvoudige wijze, en naar behoren, had kunnen informeren over zijn sollicitatieactiviteiten, bijvoorbeeld door toezending per e-mail van een kopie van zijn (schriftelijke of per mail) verrichte sollicitaties. Daarnaast bestond er voor hem de door de bewindvoerder in haar verslag 2 van 26 maart 2007 vermelde mogelijkheid om maandelijks overzichten van sollicitaties (met opgave van de functie, datum, contactpersoon en uitkomst) aan de bewindvoerder te verstrekken. Overigens valt niet in te zien waarom van [appellant], die kennelijk wel in de gelegenheid was om kopieën van advertenties naar de bewindvoerder te zenden, niet verlangd zou mogen worden om kopieën van zijn sollicitatiebrieven aan te bewindvoerder te zenden. Ook de stelling dat toezending van kopieën van de sollicitatiebrieven geen zin had omdat het vaak standaardbrieven zonder adressering betrof, gaat niet op. Dat van [appellant] volgens zijn stelling ervoor koos om geen adres op de brief te vermelden, laat onverlet de mogelijkheid om de bewindvoerder toch te informeren over het adres van de werkgever waaraan de sollicitatiebrief werd gezonden, bijvoorbeeld door de bewindvoerder een kopie van de envelop toe te zenden.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven van [appellant]. Het hof is van oordeel dat [appellant] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen om actief te solliciteren naar betaald werk, althans de bewindvoerder daarover naar behoren te informeren en dat die tekortkomingen ook toerekenbaar zijn, nu deze betrekking hebben op de meest elementaire uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

Alle omstandigheden in aanmerking nemende - waaronder ook zijn leeftijd, zijn afstand tot de arbeidsmarkt en de correcte nakoming van zijn overige uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen - is geen sprake van tekortkomingen die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Daarom is verlening van de schone lei niet op zijn plaats.

10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank 's-Gravenhage van 11 september 2009.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, J.J.I. Verburg en J.E.H.M. Pinckaers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2009 in aanwezigheid van de griffier.