Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3096

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200.031.249/01 en 200.031.940/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Geen verwijtbare inkomensdaling. Wel is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden, die gelegen is in de arbeidsongeschiktheid van de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 7 oktober 2009

Zaaknummer : 200.031.249.01 + 200.031.940.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-1929

In de zaak 200.031.249/01

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.J.I. Mullenders te [woonplaats]

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M. de Boorder te ‘s-Gravenhage,

en in de zaak 200.031.940/01

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M. de Boorder te ‘s -Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.J.I. Mullenders te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder en de vader zijn ieder afzonderlijk op 9 april 2009 en 17 april 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2009 en de herstelbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2009.

De moeder heeft op 7 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 16 april 2009 en 7 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 26 juni 2009, 29 juni 2009 en 8 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 9 juli 2009 zijn beide zaken mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De hierna te noemen minderjarige [naam] heeft schriftelijk haar mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

De door de vader bij faxbericht van 8 juli 2009 overgelegde bijlagen bij de pleitaantekeningen zijn buiten de termijn van tien kalenderdagen van de stukken als bedoeld in artikel 1.4.3 van het geldende procesreglement overgelegd. De advocaat van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep bezwaar gemaakt dat het hof kennis neemt van de stukken die door de vader zijn overgelegd. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat de betreffende stukken niet eenvoudig te doorgronden zijn, zal het hof de overgelegde stukken niet in zijn beoordeling betrekken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Bij de beschikking van 11 februari 2009 is – uitvoerbaar bij voorraad – de beschikking van 29 mei 2007 gewijzigd in die zin dat de daarbij aan de vader opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen met ingang van 25 juni 2007 is bepaald op € 172,- per maand per kind, en is verstaan dat genoemde bijdrage jaarlijks met ingang van 1 januari van het nieuwe jaar wordt gewijzigd ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering.

Bij herstelbeschikking van 10 maart 2009 van de rechtbank Rotterdam is het dictum hersteld, in dier voege dat de beschikking van 29 mei 2007 is gewijzigd in die zin dat de daarbij aan de vader opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen met ingang van 25 september 2007 is bepaald op € 172,- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen [kind ] geboren [in 1992] te [woonplaats], [kind] geboren [in 1994] te [woonplaats] [kind] geboren [in 1996] te [woonplaats] en [kind], geboren [in 1998] te [woonplaats] hierna de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking en de beschikking van 10 maart 2009 te vernietigen, en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vader af te wijzen, dan wel een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen vast te stellen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren en deze niet eerder te doen laten ingaan dan op de datum van de beschikking van de rechtbank, dan wel de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift van de vader in eerste aanleg.

3. De vader verzoekt de bestreden beschikking en de beschikking van 10 maart 2009 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader met ingang van 18 juni 2007 dan wel 25 september 2007 € 125,- per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen alles dan wel zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren en kosten rechtens.

4. Ter toelichting op haar hoger beroep heeft de moeder vier grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en de vader drie grieven.

Verdiencapaciteit van de vader

5. De moeder meent dat er enkel door het feit dat de vader door eigen toedoen werkloos is geworden, aanleiding is om van de verdiencapaciteit van de vader uit te gaan. De vader had bij zijn onderhandelingen met de werkgever rekening moeten houden met zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen. De moeder is van mening dat, nu de vader verwijtbaar werkloos is geworden en hij een andere passende functie met een vergelijkbaar inkomen zonder meer heeft afgewezen, de gewijzigde omstandigheden niet kunnen leiden tot een vermindering van de kinderbijdrage. Uitgegaan dient te worden van de volle verdiencapaciteit van de vader. Hij kan zijn verdiencapaciteit herstellen door naast zijn uitkering te gaan werken. Hij heeft niet voldoende aan zijn herstel gewerkt en heeft zich onvoldoende ingespannen om werk te vinden.

6. De vader betwist dat hij verwijtbaar ontslagen is. Hij was met de werkgever in onderhandeling over een nieuwe functie toen hij met het ontbindingsverzoek werd geconfronteerd.

7. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt. Tussen partijen staat onweersproken vast dat sinds de beschikking van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van 23 mei 2007, zich een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de vader heeft voorgedaan. De vader heeft per 16 juni 2007 ontslag gekregen en hij is tevens arbeidsongeschikt verklaard, waardoor hij een lager inkomen geniet dan voorheen. Dat sprake is van een verwijtbare inkomensdaling aan de zijde van de vader, is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken. Het hof passeert dan ook de stelling van de moeder dat de vader verwijtbaar werkloos is geworden. Los daarvan staat vast dat de vader arbeidsongeschikt is geworden. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat derhalve een relevante wijziging van omstandigheden aanwezig is, die aanleiding geeft om de alimentatie opnieuw te toetsen aan de wettelijke maatstaven. De draagkracht van de vader moet opnieuw vastgesteld worden. Alvorens de draagkracht van de vader te bespreken, ziet het hof aanleiding in te gaan op de ingangsdatum.

Ingangsdatum

8. De moeder vindt het onbegrijpelijk dat de rechtbank de ingangsdatum heeft bepaald vóór de datum van het indienen van het verzoekschrift. Ruim een jaar na het ontslag heeft de vader pas een verzoek tot wijziging ingediend bij de rechtbank. Het had op de weg van de vader gelegen om dit direct na het intreden van de wijziging te doen.

9. De vader stelt dat hij vermindering van de alimentatie heeft verzocht vanaf de datum waarop zijn arbeidsovereenkomst is ontbonden en zijn inkomen dientengevolge achteruit is gegaan, 18 juni 2007.

10. De grief van de moeder slaagt. Het hof zal per 25 juli 2008, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, rekening houden met een wijziging van omstandigheden, nu de moeder in redelijkheid vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een wijziging van de bijdrage.

Draagkracht vader

11. De moeder meent dat de draagkracht van de vader een bedrag van € 194,- per maand per kind toelaat.

12. De vader stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft. Zijn inkomen bestond vanaf 18 juni 2007 uit een ZW-uitkering van € 2.590,64 (inclusief vakantiegeld) bruto per maand. Vanaf 15 oktober 2008 kreeg de vader een WGA-uitkering, welke € 2.934,62 bruto per maand bedroeg en vanaf 15 december 2008 bedroeg zijn WIA-uitkering € 2.738,98 bruto per maand. Over 2008 moet de vader extra belasting betalen omdat er ook inkomen over 2007 werd uitbetaald. Netto komt zijn inkomen nu daardoor uit op € 1.534,- per maand. De vader is bereid om per 18 juni 2007, danwel 25 september 2009 (het hof leest 25 september 2007) een bedrag van € 125,- per maand per kind aan kinderalimentatie te betalen.

Inkomen

13. Uit het verhandelde ter zitting en de door de vader overgelegde stukken is het hof gebleken dat de vader thans bezig is met het opstarten van zijn re-integratie traject. Het hof is van oordeel dat de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij inspanningen verricht om weer toe te treden tot de arbeidsmarkt, maar gezien zijn huidige situatie redelijkerwijs niet in staat is thans op (korte) termijn een gelijk inkomen als vóór zijn ontslag te verwerven. Het hof passeert dan ook hetgeen de moeder ter zake heeft gesteld. Het hof zal zich derhalve bij het bepalen van de draagkracht niet baseren op een fictief inkomen, maar op het werkelijke inkomen van de vader.

14. Voor de berekening van de draagkracht van de vader onderscheidt het hof de volgende periodes: de periode vanaf de in rechtsoverweging 10 genoemde ingangsdatum van 25 juli 2008 tot 15 oktober 2008, de periode vanaf 15 oktober 2008 tot 15 december 2008 en de periode vanaf 15 december 2008.

15. Voor de eerste periode zal het hof rekening houden met een inkomen van de vader uit zijn ZW-uitkering van € 2.595,26 bruto (incl. vakantietoeslag) per maand, zoals blijkt uit de door de vader overgelegde jaaropgave 2008. Voor de tweede periode houdt het hof rekening met een inkomen uit WGA-uitkering (inclusief vakantietoeslag) van € 2.934,62. Voor de derde periode houdt het hof rekening met een inkomen uit een bruto WIA-uitkering van € 2.738,98 (inclusief vakantietoeslag) per maand.

16. Verder staat vast dat de vader naast zijn inkomen uit uitkering netto rente-inkomsten ontvangt van € 152,08 per maand. Voor alle periodes zal het hof deze inkomsten in aanmerking nemen. Tevens zal het hof rekening houden met een inkomensafhankelijke bijdrage in de premie voor de zorgverzekering.

Lasten

17. Ten aanzien van de lasten van de vader overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de door de vader gestelde woonlasten en premie ziektekosten, nu de vader deze naar het oordeel van het hof genoegzaam heeft aangetoond. Het hof zal rekening houden met een bedrag van € 356,53 aan woonlasten, zijnde de kale huur en de noodzakelijke servicekosten. Voorts houdt het hof rekening met een ziektekostenpremie van € 124,28 per maand.

18. Het hof houdt geen rekening met de door de vader genoemde belastingclaim 2006, nu onduidelijk is op welke wijze en wanneer deze schuld moet worden betaald.

Conclusie

19. Uit het vorenstaande volgt dat de vader voldoende draagkracht heeft om een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te betalen. Voor de periode van 25 juli 2008 tot 15 oktober 2008 zal het hof de kinderalimentatie vaststellen op het door de vader in zijn beroepschrift voorgestelde bedrag van € 125,- per maand per kind. Voor de periode van 15 oktober 2008 tot 15 december 2008 bepaalt het hof de kinderalimentatie op € 195,- per maand per kind (inclusief fiscaal voordeel) en voor de periode vanaf 15 december 2008 op wederom € 125,- per maand per kind. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en de herstelbeschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank

Rotterdam van 29 mei 2007 - de aan de vader opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarigen voor de periode van 25 juli 2008 tot 15 oktober 2008 op € 125,- per maand per kind, voor de periode van 15 oktober 2008 tot 15 december 2008 op € 195,- per maand per kind en vanaf 15 december 2008 op € 125,- per maand per kind.

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Dijk, van Nievelt en de Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2009.