Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2888

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
22-001599-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR1144, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BR1144
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft op woensdag 11 november 2009 een echtpaar veroordeeld voor het plegen van terroristische misdrijven. Het echtpaar maakte onderdeel uit van een organisatie met een terroristisch oogmerk.

De man en vrouw hebben van het gerechtshof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gekregen welke gelijk is aan de periode die ze in voorarrest zaten, respectievelijk 104 en 74 dagen. De ernst van de feiten rechtvaardigt op zich zelf gevangenisstraffen van 2 respectievelijk 1 jaar. Het hof is echter tot een lagere straf gekomen, omdat rekening is gehouden met verschillende factoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 46

Uitspraak

Rolnummer: 22-001599-08

Parketnummer: 10-600112-05

Datum uitspraak: 11 november 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[medeverdachte 2],

geboren te [plaats] op [dag] 1981,

domicilie kiezende te [plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 30 september 2009, 14 oktober 2009 en 28 oktober 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

A

zij in of omstreeks de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005

te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en/of elders in Nederland en/of Brussel en/of elders in België,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of een of meer anderen

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer):

- doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

•voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

•de samenspanning tot het in artikel 288a Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

• het verrichten van één of meer handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld en omschreven in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

•voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

•de samenspanning tot het in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

•het verrichten van één of meer handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld en omschreven in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld en omschreven in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht),

•voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

•de samenspanning tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176b van het Wetboek van Strafrecht), en/of

•het verrichten van één of meer handelingen met het oogmerk om dat misdrijf voor te bereiden of te bevorderen (zoals bedoeld en omschreven in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

-bedreiging met een terroristisch misdrijf (zoals bedoeld in artikel 285 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het voorhanden hebben van en/of overdragen en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van één of meer wapens van de categorieën I en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III, (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet Wapens en Munitie), en/of

•voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht);

en/of

B

zij in of omstreeks de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005

te 's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en/of elders in Nederland en/of Brussel en/of elders in België,

heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of een of meer anderen

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (onder meer):

- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven (zoals bedoeld in artikel 287 en/of artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

• voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

• voorbereiding daarvan (zoals bedoeld en omschreven in artikel 46 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht),

en/of

- het zonder toestemming van de Koning(in) iemand voor gewapende strijd werven (zoals bedoeld in artikel 205 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- bedreiging met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht (zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), zulks al dan niet schriftelijk en onder (een) bepaalde voorwaarde(n) (zoals bedoeld in artikel 285 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

-het in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien (zoals bedoeld in art 131 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

- het verspreiden, openlijk tentoonstellen of aanslaan of het, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad hebben van één of meer geschrift(en) of afbeelding(en) waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid (zoals bedoeld in art 132 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht), en/of

-het voorhanden hebben van en/of overdragen en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van één of meer wapens van de categorieën I en/of II en/of III en/of van munitie van categorieën II en/of III (zoals bedoeld in de artikelen 13 en/of 14 en/of 26 en/of 31 van de Wet Wapens en Munitie), en/of

-valsheid in geschrifte, al dan niet met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 225 en/of 231 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 te

's-Gravenhage en/of Amsterdam en/of Almere en/of Amersfoort en/of elders in Nederland en/of Brussel en/of elders in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om

- één of meer moord(en) en/of doodslag(en), zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland (te weten de heren Weisglas en/of Van der Vlies en/of Marijnissen en/of Dittrich en/of Remkes en/of Van Aartsen en/of Wilders en/of Zalm en/of Balkenende en/of de dames Griffith en/of Hirsi Ali, althans één of meer (andere) politici en/of één of meer medewerkers van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst) en/of

- het opzettelijk teweegbrengen van één of meer ontploffingen in of bij het gebouw van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst te Leidschendam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen te duchten is, zulks (telkens) te begaan met een terroristisch oogmerk,

voor te bereiden en/of te bevorderen:

-een ander of anderen heeft getracht te bewegen om één of meer van die misdrijven te plegen, te doen plegen of mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

-gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en/of

-voorwerpen voorhanden heeft (gehad) waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven en/of

- plannen voor de uitvoering van één of meer van die misdrijven, welke bestemd waren om aan anderen te worden medegedeeld, in gereedheid heeft gebracht of onder zich heeft gehad,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededader(s) (meermalen):

-getracht (automatische) vuurwapens en/of explosieven te verkrijgen en/of daartoe een afspraak gemaakt met een potentiële leverancier en/of

- één of meer (automatische) vuurwapens in hun bezit gehad (te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een (op een) CZ, type Vz-61 Scorpion (gelijkend voorwerp) en/of een (op een) revolver (gelijkend voorwerp)) en/of

- één of meer van voormelde (automatische) vuurwapens vervoerd (ondermeer naar België) en/of

-met een vuurwapen (in het openbaar/in een bos) geschoten, kennelijk ter oefening van het gebruik ervan en/of

- één of meer gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en/of

-meerdere bivakmutsen in hun/zijn bezit gehad en/of

-één of meer computer(s) en/of CD-rom(s) en/of USB-stick(s)/MP3-speler(s) voorhanden gehad met daarop één of meer bestanden, bevattende diverse handboeken en/of instructies voor het maken en/of gebruiken van wapens en/of explosieven (waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandbediening) en/of giffen en/of instructies met betrekking tot (militaire) training en/of gevechtstechnieken en/of overlevingstechnieken en/of de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten (Bouwstenen van naties.doc (ondermeer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad"), (in een map/folder genaamd: i3dad:) 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an _booad.doc, The Mujahideen poisons handbook en/of The Mujahideen explosives handbook, veiligheid.doc) en/of

- op één of meerdere momenten (afgeschermde) bijeenkomsten gehouden en/of overleg gevoerd en/of

-op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en/of e-mail (ondermeer via één of meer speciaal daarvoor aangemaakte e-mail accounts) en/of via de telefoon en/of

-een persoon genaamd Mohammed R'HA gevraagd om mee te doen aan een zelfmoordaanslag op het gebouw van de AIVD, althans op een Nederlandse veiligheidsdienst en/of

- een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster van een apotheek waarin wordt gevraagd welke mensen die in de Tweede Kamer werken in die apotheek komen en wat hun adressen zijn (van ondermeer de heren Remkes en Van Aartsen en (vermoedelijk) mevrouw Hirsi Ali) (gesprek tussen [medeverdachte 6] en haar zus) en/of

-een lijst gemaakt en/of geprint en/of voorhanden gehad met namen en/of adressen van politici (van ondermeer de heren Zalm, Balkenende en Wilders en de dames Hirsi Ali en Griffith) en/of

-een briefje gemaakt en/of voorhanden gehad met daarop (gecodeerd) de namen en adressen van politici (te weten van de heren Weisglas, Van der Vlies, Marijnissen en Dittrich) en/of

-een afscheidsboodschap (een zogenaamd zelfmoordtestament) opgenomen/gemaakt en/of in het bezit gehad met als kennelijke doel deze boodschap openbaar te (laten) maken na de uitvoering van voomoemd(e) misdrij(f)(ven), ondermeer inhoudende een filmopname van [medeverdachte 4] met op de achtergrond een (op een) automatisch vuurwapen (gelijkend voorwerp), waarbij [medeverdachte 4] ondermeer de volgende (Arabische) teksten uitspreekt: "Ik verricht deze daad uit vrees voor de straf van God de verhevene" en/of "Wij moeten ons vandaag voorbereiden om te sterven" en/of "Toen ik deze daad verrichtte, deed ik dat en had de overtuiging dat ik de juiste "Manhaj" volgde" en/of "mijn boodschap aan de regering: Het is de boodschap van onze profeet 0 Toen hij zei: "ik heb jullie de slachting gebracht". Sheikh Osama Bin laden, moge Allah hem behoeden, heeft jullie regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. Sheikh de Moejahid Ayman Al Zawahiri heeft jullie ook regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. En onze geliefde sheikh Aboe Moesaab Al Zarqawi heeft jullie wel eens gewaarschuwd maar jullie hebben steeds onrecht aangericht, jullie kruisvaarders, die Bush steunden toen hij zijn bekende woord heeft uitgesproken: "Laat de kruistochten beginnen". Ik zeg jullie dat er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is tot jullie de moslims met rust laten en de weg van de vrede kiezen." en/of "Ten aanzien van het Nederlandse volk () Jullie worden als strijders beschouwd omdat jullie deze regering hebben gekozen. Jullie vermogens en bloed zijn voor ons geoorloofd. Wij zullen hier jullie bloed verspillen zoals jullie het bloed van de moslimse burgers in Irak hebben verspild." en/of "Wij hebben Allah en zijn gezant trouw gezworen om dood te gaan. Wij zullen jullie, voor zeker, de afschuwelijkheden van de holocaust laten vergeten" en/of waarbij aan het einde van deze opname een tweede stem roept: "De martelaar heeft gezegevierd en de helden hebben gezegevierd.";

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005 te 's Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk CZ, model 61, kaliber 7,65 mm, en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 322 patronen, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad,

terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

4.

zij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 11 november 2004 tot en met 14 oktober 2005 te 's Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III, te weten 5 patronen, kaliber .38, voorhanden heeft gehad,

terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

5.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in de periode van 11 november 2004 tot en met 22 juni 2005 te 's Gravenhage en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Agram 2000, kaliber 9 mm, en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III onder 1, te weten een aantal patronen (in twee, althans een, patroonhouder(s)) en/of munitie van categorie III, te weten 40 patronen, kaliber 9 mm, en/of een geluidsdemper (gelet op artikel 3 WWM), voorhanden heeft gehad,

terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor ter bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1B tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1A, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de nader in dit arrest aan te geven gronden - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1A en 1B, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

A

zij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten:

- doodslag, te plegen met een terroristisch oogmerk, en/of

- moord, te begaan met een terroristisch oogmerk, en/of

- het voorhanden hebben van en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van wapens van de categorieën II en/of III en van munitie van categorieën II en/of III, te begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

en

B

zij in de periode van 1 maart 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door haar, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander van het leven te beroven, en/of

-het voorhanden hebben van en/of doen binnenkomen en/of doen uitgaan van wapens van de categorieën II en/of III en van munitie van categorieën II en/of III;

2.

zij in de periode van april 2005 tot en met 14 oktober 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens met het oogmerk om

- moord en/of doodslag, zulks telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, te plegen op één of meer politici uit Nederland, voor te bereiden en/of te bevorderen:

-gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van één of meer van die misdrijven aan zich of anderen heeft getracht te verschaffen en

-voorwerpen voorhanden heeft (gehad) waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van één of meer van die misdrijven,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededaders:

- één of meer vuurwapens in hun bezit gehad (te weten een AGRAM 2000 met bijbehorende munitie, een geluiddemper, een (op een) CZ, type Vz-61 Scorpion (gelijkend voorwerp) en/of een revolver en/of

- één of meer van voormelde vuurwapens vervoerd en/of

-met een vuurwapen (in een bos) geschoten, en/of

- gasmaskers in hun/zijn bezit gehad en/of

-bivakmutsen in zijn bezit gehad en/of

-computers en/of CD-roms voorhanden gehad met daarop één of meer bestanden, bevattende instructies voor het maken en/of gebruiken van wapens en/of explosieven (waaronder een zogenaamde bomgordel en instructies voor het ombouwen van een mobiele telefoon tot afstandbediening) en/of giffen en/of instructies met betrekking tot (militaire) training en/of gevechtstechnieken en/of overlevingstechnieken en/of de werkwijze van politie en veiligheidsdiensten (Bouwstenen van naties.doc (ondermeer bevattende het document: "Hoe kan ik mijzelf ontwikkelen voor de Jihad"), (in een map/folder genaamd: i3dad:) 0475-1.ram en 19.zip/thacom_an _booad.doc, veiligheid.doc) en/of

- bijeenkomsten gehouden en/of overleg gevoerd en/of

-op afgeschermde wijze met elkaar gecommuniceerd via internet en/of e-mail (ondermeer via één speciaal daarvoor aangemaakte e-mail accounts) en/of

- een telefoongesprek gevoerd met een medewerkster van een apotheek waarin wordt gevraagd welke mensen die in de Tweede Kamer werken in die apotheek komen en wat hun adressen zijn en/of

-een lijst gemaakt en/of geprint en/of voorhanden gehad met namen en adressen van politici (van ondermeer de heren Zalm, Balkenende en Wilders en de dames Hirsi Ali en Griffith) en/of

-een briefje gemaakt en voorhanden gehad met daarop (gecodeerd) de namen en adressen van politici (te weten van de heren Weisglas, Van der Vlies, Marijnissen en Dittrich) en/of

-een afscheidsboodschap (een zogenaamd zelfmoordtestament) opgenomen/gemaakt en in het bezit gehad met als kennelijke doel deze boodschap openbaar te (laten) maken na de uitvoering van voomoemd(e) misdrij(f)(ven), ondermeer inhoudende een filmopname van [medeverdachte 4] met op de achtergrond een (op een) automatisch vuurwapen (gelijkend voorwerp), waarbij [medeverdachte 4] ondermeer de volgende (Arabische) teksten uitspreekt: "Ik verricht deze daad uit vrees voor de straf van God de verhevene" en/of "Wij moeten ons vandaag voorbereiden om te sterven" en "Toen ik deze daad verrichtte, deed ik dat en had de overtuiging dat ik de juiste "Manhaj" volgde" en "mijn boodschap aan de regering: Het is de boodschap van onze profeet () Toen hij zei: "ik heb jullie de slachting gebracht". Sheikh Osama Bin laden, moge Allah hem behoeden, heeft jullie regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. Sheikh de Moejahid Ayman Al Zawahiri heeft jullie ook regelmatig en veelvuldig gewaarschuwd. En onze geliefde sheikh Aboe Moesaab Al Zarqawi heeft jullie wel eens gewaarschuwd maar jullie hebben steeds onrecht aangericht, jullie kruisvaarders, die Bush steunden toen hij zijn bekende woord heeft uitgesproken: "Laat de kruistochten beginnen". Ik zeg jullie dat er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is tot jullie de moslims met rust laten en de weg van de vrede kiezen." en "Ten aanzien van het Nederlandse volk () Jullie worden als strijders beschouwd omdat jullie deze regering hebben gekozen. Jullie vermogens en bloed zijn voor ons geoorloofd. Wij zullen hier jullie bloed verspillen zoals jullie het bloed van de moslimse burgers in Irak hebben verspild." en "Wij hebben Allah en zijn gezant trouw gezworen om dood te gaan. Wij zullen jullie, voor zeker, de afschuwelijkheden van de holocaust laten vergeten" en waarbij aan het einde van deze opname een tweede stem roept: "De martelaar heeft gezegevierd en de helden hebben gezegevierd.";

4.

zij op tijdstippen in de periode van 1 april 2005 tot en met 14 oktober 2005

in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, in de vorm van een revolver, merk Smith & Wesson, model 637, kaliber .38, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

5.

zij op tijdstippen in de periode van 1 april 2005 tot en met 22 juni 2005

in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Agram 2000, kaliber 9 mm, en munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III onder 1, en een geluidsdemper, voorhanden heeft gehad, terwijl het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overwegingen ten aanzien van het bewezenverklaarde

Nadere bewijsoverweging feiten 1 A en B: de artikelen 140a en 140 van het Wetboek van Strafrecht

Het hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

In de kring van de verdachte en haar medeverdachten hebben vuurwapens gecirculeerd. In dat verband heeft de verdachte verklaard over 2 locaties waar een of meer vuurwapens voorhanden zijn geweest. De verdachte heeft deelgenomen aan een schietoefening die op initiatief van de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft plaatsgevonden in een bos in Amsterdam1´2. Daarnaast heeft de verdachte wapens en munitie gezien in een woning in Brussel waar de verdachte op dat moment verbleef3. Bij een gelegenheid aldaar heeft de verdachte gezien dat de medeverdachte [medeverdachte 3] een wapen op haar richtte4. De medeverdachte [medeverdachte 3] is op 22 juni 2005 aangehouden terwijl hij in het bezit was van het vuurwapen dat de verdachte heeft herkend als het wapen waarmee is geschoten in het bos in Amsterdam5. Ten slotte zijn twee vuurwapens aangetroffen in een kelderbox behorende bij de woning van de medeverdachte [medeverdachte 5]. Die wapens zijn door de medeverdachte [medeverdachte 1] herkend als dezelfde wapens die hij voordien in zijn woning alsook in Brussel heeft gezien6.

Een en ander heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van deelname door medeverdachte(n) aan een of meer van de volgende handelingen:

a) het voorhanden hebben van geschriften en/of beeld- en geluidsmateriaal7’8 al dan niet in digitale vorm, die enerzijds getuigen van een radicale uitleg van de Koran en andere godsdienstige geschriften en een daarop gebaseerde oproep tot en/of rechtvaardiging van verzet en/of strijd en/of toepassing van geweld tegen veelal westerse niet-moslims en waarin anderzijds een directe relatie wordt gelegd met de Nederlandse democratie en/of rechtsorde, daaronder begrepen specifieke politici;

b) het organiseren van en/of deelnemen aan een of meer min of meer besloten bijeenkomsten, waaraan op uitnodiging kon worden deelgenomen, die niet in een moskee of in een openbare ruimte plaatsvonden, maar in woningen van een van de deelnemers werden gehouden en waarin al dan niet onder het vertonen van beeldmateriaal werd gesproken over voornoemde opvattingen in het algemeen en meer in het bijzonder over ongelovigen (wat betekent dat en hoe wordt iemand dat) en het ongelovig verklaren van al dan niet specifieke personen met als uiterste consequentie de dood9;

c) het als spreker op dergelijke bijeenkomsten vervullen van een actieve en bepalende rol bij de uitleg van de Koran en andere godsdienstige geschriften en bij de toepassing daarvan in de praktijk;

d) het via msn en bij andere gelegenheden uitdragen van voornoemde opvattingen en het verspreiden en vertonen van van die opvattingen getuigende films, zoals films over onthoofdingen10’11 en het aansporen van anderen tot verdere verspreiding daarvan12;

e) het voorhanden hebben en vertonen van een digitale instructiefilm over het maken van een bomgordel13’14 en het daaraan gekoppelde verzoek om de voor het vervaardigen daarvan noodzakelijke materialen te gaan halen15;

f) het voorhanden hebben van een of meer gasmaskers16 en/of bivakmutsen17;

g) het hebben en/of onderhouden van contact op een zodanig geraffineerde en gemaskeerde wijze zoals door gebruik te maken van aparte hotmailaccounts18’19 dat deze door opsporingsambtenaren ondanks gebruikmaking van diverse opsporingsmiddelen niet konden worden getraceerd;

h) het voorhanden hebben en bewerken van documentatie met als titel “Lessen in Veiligheid” betreffende het inachtnemen van maatregelen ter voorkoming danwel vermindering van (de kans op) observatie en afluistering door derden alsmede hoe te handelen in geval van arrestatie en verhoor20.

i) het organiseren van en/of deelnemen aan ontmoetingen21 waaraan afspraken ten grondslag hebben gelegen die op niet traceerbare wijze zijn gemaakt.

Uit verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat hem door de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] dezelfde film is getoond als hierboven onder e. genoemd, hetgeen duidt op een niet alleen door hen gedeelde belangstelling voor de vervaardiging van bomgordels, maar ook op het delen van die belangstelling met een ander22. Een ander bovendien die zowel door [medeverdachte 4] als [medeverdachte 3] gedurende kortere tijd intensief is opgezocht en indringend is geconfronteerd met de door hen gedeelde opvattingen als hiervoor bedoeld en betrokken is bij een of meer van de handelingen als hierboven beschreven onder a. tot en met i.

Het dossier bevat processen-verbaal waarin wordt gerelateerd over de observatie van ontmoetingen van personen, onder wie de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], die gelet op hun woonadressen zodanig onwaarschijnlijk op toeval zijn terug te voeren dat, ondanks de interceptie van telecommunicatie waaruit geen enkele indicatie naar voren kwam dat een ontmoeting op handen was, het “zeer aannemelijk” is geacht dat aan die ontmoetingen een afspraak ten grondslag heeft gelegen die via heimelijke communicatie is gemaakt23’24.

Een concreet aanknopingspunt dat niet alleen gebruik is gemaakt van heimelijke communicatie, maar dat dat naar het oordeel van het hof ook structureel moet zijn gebeurd en onderdeel is geweest van een gestructureerd verband vormt de in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 4] aangetroffen documentatie als onder h. genoemd. Die documentatie bevat onder meer de navolgende instructies, ter zake waarvan het dossier aanwijzingen bevat dat daaraan niet alleen uitvoering is gegeven, óók door tenminste één ander dan de medeverdachte [medeverdachte 4] in wiens woning deze zijn aangetroffen, maar dat ook tenminste één ander op het belang van naleving van die instructies is gewezen:

I Een telefoon moet vermeden worden, tenzij deze nodig is voor een operatie.25

II Laat de persoon met wie je communiceert alleen sms-berichten verzenden vanaf een onbekend nummer of vanuit een telefooncel.

III Schakel de telefoon zo vaak mogelijk uit en zet ‘m pas weer aan nadat je minimaal 1 km van je huis verwijderd bent.

IV Gebruik geen islamitische termen in je sms, geef alleen data door waarop je met elkaar afspreekt, echter; met ‘maandag’ bedoel je geen maandag en met ‘dinsdag’ bedoel je geen dinsdag.

V Ook de plaats van ontmoeting moet van tevoren worden afgesproken en nooit over de telefoon26.

VI Neem je telefoon nooit mee naar de plaats van ontmoeting.27

VII Spreek nooit af op plaatsen waar veel camera’s hangen zoals stations28.

VIII Wacht nooit langer dan een kwartier op een persoon, als men langer dan een kwartier te laat is, ga dan weg.

IX Open nooit een email vanuit je eigen huis29.

X Wanneer je wil communiceren, via een brief, schrijf deze dan op een openbare computer, print ‘m uit en raak de brief of envelop niet aan met je vingers. Zorg dat je lichaam niet in contact komt met de brief30.

XI Informatie, geld en wapens kunnen worden opgeslagen in leegstaande huizen of bij iemand thuis die niet geobserveerd wordt.

XII Als je telefoonnummers bewaart, schrijf dan nooit het echte nummer op, maar neem bijvoorbeeld voor de 3 een 7, kijk zelf wat je makkelijk kunt onthouden.

XIII Ook belangrijke adressen kun je coderen31.

Dat de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] meer contact met elkaar hebben gehad dan uit observatieverslagen uit het dossier blijkt, leidt het hof af uit verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] die verklaard heeft over i) het veelvuldig door één van hen overbrengen van groeten van een ander aan deze medeverdachte32, ii) het kort na elkaar arriveren door de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij de echtelijke woning van de verdachte bij gelegenheid van het bekijken van een wapen en het bij die gelegenheid door de medeverdachte [medeverdachte 3] openen van de deur van die woning voor de medeverdachte [medeverdachte 4] waaruit de medeverdachte [medeverdachte 1] afleidde dat beiden bij hem thuis hadden afgesproken33, iii) de instructie van de medeverdachte [medeverdachte 3] aan de medeverdachte [medeverdachte 1] om naar de medeverdachte [medeverdachte 4] te gaan omdat hij van deze iets zou krijgen34 (hetgeen vervolgens bleek te gaan om het overbrengen van stencils met daarop de namen van enkele bekende Nederlandse politici), iv) het emailen door de medeverdachte [medeverdachte 3] met de medeverdachte [medeverdachte 4]35 alsmede v) de herhaalde instructie van de medeverdachte [medeverdachte 3] aan de medeverdachte [medeverdachte 1] niet tegen de medeverdachte [medeverdachte 4] te zeggen dat hij in België verbleef36. In dit verband zijn ook van belang de eerder genoemde telefoongesprekken tussen de medeverdachte [medeverdachte 4] en [X.], waar het de contacten tussen de medeverdachte [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] betreft.

In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 4] zijn naast documenten die onderaan ”juli ‘05” resp. “Augustus ‘05” vermelden, handgeschreven notities aangetroffen37 die moeten worden toegeschreven aan de medeverdachte [medeverdachte 4]38. Deze notities vertonen grote gelijkenis met het hierboven onder h. genoemde bestand en duiden erop dat de medeverdachte [medeverdachte 4] actieve aandacht heeft gehad voor en bemoeienis met de daarin opgenomen instructies. Waar deze notities betrekking hebben op passages hoe te handelen in geval van arrestatie en verhoor, is een relatie met het plegen van strafbare feiten aanwezig.

Op een in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 4] aangetroffen computer zijn bestanden aangetroffen waarop een logo is te zien van de Leeuwen van Tawhied39. Op die computer is het internetadres http://leeuwenvantawhied.web-log.nl alsmede een snelkoppeling naar dat adres aangetroffen. Het gaat daarbij om een gratis website waarop onder andere een link is te vinden naar eerdergenoemde Lessen in Veiligheid. De betreffende pagina van de website vermeldt een afbeelding die wordt ingeleid met de tekst “onze nieuwe productie”. Op de afbeelding zelf staat bovenaan de tekst te lezen “Een productie van ‘Leeuwen van Tawhied’”, aan de linker zijde geflankeerd door het logo. Ook dat wijst op een gestructureerd verband dat naar buiten gericht is.

Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat de inbreng van de verschillende verdachten duidt op een zekere werk- dan wel taakverdeling waar het betreft aspecten als: het vervoer van personen, het geven van lezingen, het onderhouden van contacten met elkaar en met anderen, het vervoeren en verbergen van een of meer wapen(s), het in intellectuele zin vorm geven aan eerdergenoemde extreme uitleg van de Koran en andere godsdienstige geschriften, het bieden van verblijfplaats aan medeverdachten en/of deelnemers aan bijeenkomsten als onder b. genoemd, het zoeken van advocaten voor medeverdachten die zijn aangehouden/gedetineerd zijn, het bieden van woonruimte.

Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat in deze gesproken kan worden van een gestructureerde onderlinge samenwerking tussen minimaal twee personen met een duurzaam karakter, omdat van die samenwerking binnen de bewezenverklaarde periode is gebleken en daarmee van een organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof betrekt bij zijn oordeel dat uit de verklaringen van de verdachte40, de medeverdachte [medeverdachte 1]41 en de getuige [getuige 1]42 blijkt dat binnen de groep op basis van de door die groep verstane uitleg van de Koran en andere religieuze geschriften, blijkt dat sprake is van voorschriften en regels die in acht genomen dienden te worden tijdens de onder b. en c. genoemde bijeenkomsten en ontmoetingen/contacten waar het betreft de positie, houding en kleding van de vrouw. Binnen de groep werd door de gemeenschappelijkheid op die groepsleden een zekere druk uitgeoefend zich aan die regels en voorschriften te houden en genoemde uitleg te respecteren en na te leven. Het hof leidt daaruit af dat daarmee tevens een zekere druk werd gelegd op de groepsleden om binnen die groep te blijven.

Voor de vraag wat het oogmerk van die organisatie is geweest is naar het oordeel van het hof het volgende van belang.

Uit de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1]43 en de getuigen [getuige 1]44 en [getuige 2]45 komt een beeld naar voren dat de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] opvattingen huldigen die, samengevat weergegeven, met elkaar gemeen hebben dat vanuit een diep gewortelde geloofsovertuiging waarin absolute gehoorzaamheid aan Allah, de Koran en alles wat daarvan is afgeleid vooropstaat en waarin elke daarvan afwijkende staatsinrichting, gezagsvorm, regeling, leefwijze of gedraging wordt afgewezen en als vijandig wordt beschouwd, nadrukkelijk zogenaamde ongelovigen worden onderscheiden als aanduiding van die mensen die blijk geven van een afwijkende leefwijze of gedrag. Ten aanzien van hen past geen mededogen in die zin dat zij zich moeten bekeren op straffe waarvan elk van de verdachten het gerechtvaardigd acht dat tegen hen geweld wordt gebruikt, ja zelfs dat zij worden gedood.

De inhoud van digitale bestanden en documenten alsmede digitaal beeldmateriaal, zoals aangetroffen op aan de verdachten toebehorende dan wel aan hen toegeschreven computers en cd-roms, sluit op die opvattingen aan.

Dat de verdachte de evengenoemde opvattingen ook zelf heeft aangehangen is het hof uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken uit het dossier onvoldoende gebleken.

Door de verdediging is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat bij de verdachte de vereiste wetenschap heeft ontbroken dat de organisatie waarvan zij deel zou hebben uitgemaakt een terroristisch oogmerk had alsmede dat het oogmerk van die organisatie gericht was op het plegen van meer dan één terroristisch misdrijf. Het hof is van oordeel dat beide verweren moeten worden verworpen en overweegt daartoe het volgende.

De verdachte heeft verklaard een drietal lezingen door de medeverdachte [medeverdachte 6] te hebben bijgewoond, waarbij het haar opviel dat, waar de beide eerste lezingen prettig en informatief waren, de derde lezing, die onder meer over de politieke islam en ongelovigen ging, “grimmig” en “extreem” was46. Na deze derde lezing kwam de verdachte erachter dat de medeverdachte [medeverdachte 6] met de medeverdachte [medeverdachte 3] getrouwd was47. De verdachte heeft de medeverdachte [medeverdachte 6] door de omgang met de medeverdachte [medeverdachte 3] ontzettend zien veranderen, hetgeen er onder meer in heeft geresulteerd dat zij van de medeverdachte [medeverdachte 6] filmpjes te zien kreeg die de medeverdachte [medeverdachte 6] van de medeverdachte [medeverdachte 3] had gekregen48. Bij het tonen van een onthoofdingsfilm wekte de medeverdachte [medeverdachte 6] bij de verdachte de indruk het filmpje als “iets moois” te beschouwen49. Verder heeft de verdachte de medeverdachte [medeverdachte 6] bij gelegenheid van een tussenstop bij een begraafplaats op weg naar de schietoefening in het bos in Amsterdam grappend en respectloos opmerkingen horen maken over overledenen50. Tenslotte heeft de verdachte gezien dat de medeverdachte [medeverdachte 6] actief heeft deelgenomen aan die schietoefening.

Zelf heeft de verdachte over de medeverdachte [medeverdachte 3] in een daarop aansluitende zin verklaard waar deze een leer aanhing die onder meer inhoudt dat een ieder die niet overeenkomstig die leer leeft, als ongelovige wordt bestempeld, daarmee vijand is en gedood mag worden51. Over de medeverdachte [medeverdachte 4] heeft de verdachte verklaard de omgang van de medeverdachte [medeverdachte 1] met hem vervelend te vinden vanwege diens “behoorlijke reputatie” en daarmee niet geassocieerd te willen worden52. Die reputatie hield ermee verband dat de medeverdachte [medeverdachte 4] in het verleden was aangehouden en “volop in het nieuws was”53. Voorts heeft de verdachte verklaard dat, nadat zij ontdekt had dat Abida Kabbay, de vrouw aan wie zij geld had gegeven omdat haar man in de gevangenis zat, getrouwd was met de medeverdachte [medeverdachte 4], de medeverdachte [medeverdachte 1] haar had afgeraden om nog met die vrouw om te gaan54. Door een en ander heeft de verdachte ervan blijk gegeven de medeverdachte [medeverdachte 4] in relatie te zien met opvattingen als hiervoor weergegeven.

Gevoegd bij haar ervaring dat de medeverdachte [medeverdachte 1] op een keer overstuur en huilend thuiskwam en vertelde over een ontmoeting met de medeverdachte [medeverdachte 3], waarbij laatstgenoemde met een mes aan de medeverdachte [medeverdachte 1] had laten zien wat er met ongelovigen en afvalligen moest gebeuren, met inbegrip van de omslag die dat bij de medeverdachte [medeverdachte 1] teweegbracht55 en het zien van wapens, is het hof van oordeel dat de verdachte heeft geweten dat de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] het oogmerk hadden tot het plegen van terroristische misdrijven in de zin van artikel 83 Wetboek van Strafrecht.

Dat het oogmerk, naar de verdachte heeft geweten, gericht was op het plegen van meer dan één terroristisch misdrijf moet worden afgeleid uit het, naar haar bekend was, voorhanden zijn van meerdere vuurwapens in de kring van de verdachte en de medeverdachten.

Tegen de achtergrond dat, zoals hierboven reeds is overwogen, in de kring van de verdachten vuurwapens hebben gecirculeerd, op een in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 4] aangetroffen handschoen schotrestdeeltjes zijn aangetroffen56 en eenmaal daadwerkelijk geoefend is in het schieten met een vuurwapen is sprake van een directe relatie tussen de door de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] gehuldigde opvattingen en het in de praktijk brengen van die opvattingen.

In de woning van [getuige 3] is een briefje aangetroffen waarop in code de namen en privé-adressen van 4 bekende Nederlandse politici geschreven stonden57. Meer specifiek werd dat briefje aangetroffen op een plank onder een tafel in de woonkamer temidden van andere paperassen die zijn terug te voeren op de medeverdachte [medeverdachte 3]. In de week vòòr zijn aanhouding op 22 juni 2005 heeft hij in gezelschap van de medeverdachte [medeverdachte 6] in die woning overnacht, voornamelijk in de woonkamer58. [getuige 3] heeft ontkend dat het briefje van haar is alsmede verklaard geen eigen spullen op die plank te hebben liggen en het briefje niet te kennen. [getuige 3] heeft het briefje voor het eerst bij het schoonmaken op 22 juni 2005 zien liggen. De papieren die op de onderste plank lagen, lagen er nog niet toen de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] bij haar kwamen logeren59. Uit onderzoek is gebleken dat het handschrift niet van [getuige 3] afkomstig is. Hoewel het handschrift evenmin op de medeverdachte [medeverdachte 3] is terug te voeren en alstoen ook een derde onbekende persoon in de woning van [getuige 3] heeft overnacht, is op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting naar het oordeel van het hof in voldoende mate aannemelijk dat het codebriefje in relatie moet worden gezien tot de medeverdachte [medeverdachte 3].

In de woning van de medeverdachte [medeverdachte 4] is op 14 oktober 2005 een videocamera aangetroffen alsmede een cd-rom betreffende een video-opname. Bij onderzoek van die camera zijn op een daarin aanwezige geheugenkaart twee videofilms aangetroffen alsmede fotografische beelden van de besnijdenis van een kind. Het ging wat dat laatste betreft om de besnijdenis van de zoon van de medeverdachte [medeverdachte 4] die op 1 oktober 2005 heeft plaatsgevonden60. Een van de videofilms vertoonde gelijkenis met de video-opname op de cd-rom. Uit de plaatsing van de bestanden op de geheugenkaart moet worden geconcludeerd dat de videofilms na de besnijdenis zijn opgenomen61.

In de op de cd-rom aangetroffen video-opname spreekt de medeverdachte [medeverdachte 4] over “ik verricht deze daad”. Daarnaast bevat deze video onder meer een boodschap aan de regering tot wie gezegd wordt dat “er tussen ons en jullie alleen de taal van het zwaard is”62. De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 4]63 dat deze video zou zijn vervaardigd louter met bedoeling zelf te ervaren wat een echte martelaar moet hebben gevoeld, waartoe de opname zo realistisch mogelijk zou zijn gemaakt, acht het hof in het licht van het dossier onaannemelijk.

Laatstgenoemde overwegingen wijzen concreet in de richting van de toepassing van geweld tegen landelijk bekende politici met de dood als doel. Gelet op de centrale rol die zij binnen het bestek van de democratische rechtsorde vervullen heeft de organisatie naar het oordeel van het hof als naaste doel gehad om door middel van de toepassing van geweld tegen een of meer in het hart van de democratische rechtsorde werkzame politici tenminste een deel van de Nederlandse bevolking vrees aan te jagen en/of de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van Nederland te ontwrichten of te vernietigen, in de zin van art. 83a Sr. Dat het oogmerk gericht zou zijn op het dwingen van de Nederlandse overheid om iets te doen, niet te doen of te dulden is reeds bij gebreke van het daartoe openbaren van enig daartoe strekkend dreigement of ultimatum niet gebleken.

Dat laatste brengt mede dat de bedreiging met een terroristisch oogmerk al evenmin als oogmerk van de organisatie kan worden bewezen. Daarvan zal de verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Overeenkomstig de stellingname van de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat bewijs ontbreekt dat de organisatie tot oogmerk zou hebben gehad opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen. Daarvan zal de verdachte derhalve eveneens worden vrijgesproken.

De verdachte heeft in de groep rond de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] hand- en spandiensten geleverd, zoals het huren van de woning in Brussel op naam van haarzelf en die van de medeverdachte [medeverdachte 1]64, het beschikbaar stellen van haar auto aan de medeverdachte [medeverdachte 3]65, het veelvuldig fungeren als chauffeur66 alsmede haar aanwezigheid bij en deelname aan een schietoefening in een bos in Amsterdam. Een en ander heeft overwegend plaatsgevonden onder heimelijke omstandigheden en op momenten dat de verdachte bekend was met het geradicaliseerde gedachtegoed van personen binnen die groep. Weliswaar heeft een en ander plaatsgevonden in een betrekkelijk korte periode, maar dat doet niet af aan de essentie van de rol van de verdachte.

Een en ander brengt het hof tot het oordeel dat de verdachte onderdeel uitgemaakt van een organisatie die de Koran en andere godsdienstige geschriften uitlegt op een zodanige wijze dat daarmee (terroristische) misdrijven noodzakelijkerwijs worden nagestreefd. Daarbij heeft de verdachte, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten, door zijn participatie blijk gegeven bewust te zijn geweest dat de groep daarmee tevens het oogmerk had op de terroristische misdrijven als bewezen verklaard waarbij het opzet van de verdachte betrekking had op het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. De verdachte heeft als aangegeven een aandeel gehad in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Al met al kan de verdachte derhalve worden aangemerkt als een persoon die heeft deelgenomen aan een terroristische groep als bedoeld in artikel 2 van het Kaderbesluit terrorismebestrijding en als organisatie als bedoeld in de artikelen 140a en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Onder 1A is aan de verdachte deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk tenlastegelegd in de periode 11 november 2004 – 14 oktober 2005 (artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht). Het onder 1B tenlastegelegde betreft de deelneming aan een criminele organisatie, gepleegd in diezelfde tijdsperiode (artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De bestanddelen van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht zijn voor het grootste gedeelte ontleend aan artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en dienen op dezelfde wijze te worden uitgelegd. Een afwijking ten opzichte van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht betreft het begrip “terroristische misdrijven”67. De strekking van de gedragingen die in beide artikelen zijn omschreven wordt gevormd door de deelneming aan de organisatie, en niet aan de concrete misdrijven waarop het oogmerk van die organisatie betrekking heeft. De onder 1A en 1B bewezen verklaarde deelneming ziet telkens op dezelfde organisatie, gelijk in tijd en samenstelling.

Op grond van het hierboven genoemde is het hof van oordeel dat in onderhavige zaak artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht geldt als een gekwalificeerde logische specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Het voorhanden hebben van wapens en munitie

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging – zakelijk weergegeven – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van vuurwapens. Volgens de verdediging kan uit de inhoud van het dossier niet worden afgeleid dat de verdachte voldoende handelings- en beschikkingsmacht over de wapens heeft gehad om van het voorhanden hebben van die wapens te spreken.

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep staat het volgende vast.

De verdachte is in juni 2005 samen met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] alsmede haar echtgenoot tevens medeverdachte [medeverdachte 1] naar een bos in Amsterdam gegaan. Daar heeft zij in navolging van de anderen met een Agram 2000 geschoten, die op dat moment van een geluiddemper was voorzien68.

De verdachte heeft wapens en munitie in de woning in Brussel gezien69. In het bijzonder heeft de verdachte gezien dat de medeverdachte [medeverdachte 3] in die woning met de revolver heeft rondgelopen70.

Tijdens één van de autoritten naar Brussel zijn de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] vanaf de grens per trein verder gereisd. De verdachte en haar echtgenoot tevens medeverdachte [medeverdachte 1] zijn vervolgens samen verdergereden naar Brussel. Achteraf heeft de verdachte van de medeverdachte [medeverdachte 1] gehoord dat er wapens in de bagage hadden gezeten71. Niettemin is de verdachte nadien nog naar Brussel gegaan zonder zich ervan te vergewissen of er wederom wapens werden meegevoerd72.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte het machinegeweer en de revolver opzettelijk voorhanden heeft gehad. De verdachte kon over het machinegeweer en de munitie feitelijk beschikken, immers heeft zij met het machinegeweer geschoten. Dat de verdachte zich daartoe door haar medeverdachten gedwongen voelde is voor het voorhanden van het vuurwapen hebben rechtens niet relevant. Het enkele feit dat de verdachte slechts gedurende korte tijd over het wapen en de munitie heeft kunnen beschikken, doet aan hetgeen hiervoor is overwogen evenmin af.

De verdachte heeft ook de revolver voorhanden gehad. Op grond van het voorgaande kan immers worden geconcludeerd dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid van dit wapen binnen de groep en dat zij zich hier niet van heeft gedistantieerd, immers is de verdachte blijven deelnemen aan ritten naar Brussel samen met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6], nadat zij had gehoord dat bij een eerdere rit met deze medeverdachten naar Brussel wapens waren vervoerd. Uit het vorenoverwogene volgt dat de verdachte zo bewust en nauw met haar mededaders heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Terroristisch oogmerk

Ten aanzien van de vraag of de feiten 4 en 5 zijn begaan met een terroristisch oogmerk dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in art. 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken overweegt het hof als volgt.

Voor het aannemen van het bestaan van een terroristisch oogmerk is beslissend welk gevolg de dader met zijn gedraging daadwerkelijk beoogde; het bewijs daarvan kan uit objectieve omstandigheden worden afgeleid. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan niet worden bewezen dat de verdachte met het voorhanden hebben van een of meer van de onder 4 en 5 tenlastegelegde wapens en munitie beoogde een der in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht onderscheiden oogmerken na te streven. Het enkele voorhanden hebben van die wapens en munitie in de tenlastegelegde periode levert op zichzelf geen bijdrage aan de verwezenlijking van een de in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerken.

Met de zinsnede “ met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken” wordt, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, bedoeld dat het feit gepleegd wordt in het kader van de voorbereiding van een — later te plegen — terroristisch misdrijf (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2001/02, 28463, nr. 3, blz. 9). Het tezamen en in vereniging met anderen voorhanden hebben van een (geladen) Agram 2000 met munitie is op zichzelf onder de omstandigheden als bewezen verklaard onder 2 en op de openbare weg op een tijdstip laat op de avond een middel om een van de onder 2 omschreven doelen, te weten het omverwerpen van de democratische rechtsorde door het om het leven brengen van een of meer politici, te bereiken. De strafverzwarende omstandigheid dat het feit is begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en gemakkelijk te maken acht het hof dan ook bewezen.

De wijze waarop de onder 4 en 5 bewezen verklaarde feiten zijn begaan in samenhang met de onder feit 2 bewezen verklaarde gedragingen in relatie tot de door de verdachte en enkele van de medeverdachten beleden uitleg van de Koran en andere religieuze geschriften, brengt onder die omstandigheden met zich mee dat de verdachte toen en daar die wapens voorhanden had ter voorbereiding van en/of ter gemakkelijk maken van terroristische misdrijven gericht tegen een of meer politici.

Dit brengt met zich mee dat het hof bij de verdachte wettig en overtuigend bewezen acht het medeplegen van het voorhanden hebben van de wapens als onder 4 en 5 tenlastegelegd en van munitie als onder 5 tenlastegelegd telkens onder de strafverzwarende omstandigheid dat die feiten zijn begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken als bedoeld in artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Samenloop

Het hof overweegt dat de feiten 4 en 5 onderdeel uitmaken van feit 2 nu bij deze feiten bewezen wordt verklaard het onderdeel “het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken”.

Niet alleen is sprake van gelijktijdigheid van handelen en is het voorhanden hebben van een of meer wapens en munitie - al dan niet met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden - bij feit 2 als onderdeel en als aparte gedraging opgenomen; ook wat betrekking de strekking van en het te beschermen rechtsbelang komen het misdrijf als onder 2 tenlastegelegd en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, als onder respectievelijk 4 en 5 tenlastegelegd, overeen. De strafverzwarende omstandigheid heeft immers bij al deze misdrijven dezelfde strekking en beschermt hetzelfde rechtsbelang.

Gezegd kan dan ook worden dat de onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten niet op zichzelf staan en uitgelegd moeten worden in de context van het onder 2 tenlastegelegde feit waar het betreft de vraag of het strafverzwarende bestanddeel “met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken” bewijsbaar zijn, te meer nu het in alle gevallen gaat om de voorbereiding van dezelfde terroristische misdrijven. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (feit 2) bijna steeds van toepassing is wanneer artikel 55 lid 5 Wet wapens en munitie (verder: Wet Wapens en Munitie) kan worden toegepast.

Het hof acht dan ook artikel 55 van het Wetboek van strafrecht van toepassing en concludeert tot eendaadse samenloop.

Vrijspraak van het voorhanden hebben van de baby uzi en van munitie.

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat-generaal – zakelijk weergegeven – betoogd dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van wapens. Door zich vervolgens niet te distantiëren van de personen of de persoon met deze wapens, willens en wetens wapens te vervoeren en ermee te schieten, kan het medeplegen van het voorhanden hebben van alle drie de vuurwapens met munitie worden bewezen.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde voorhanden hebben van een vuurwapen van het merk CZ (een baby uzi) met munitie en het onder feit 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie, overweegt het hof het navolgende.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat de verdachte de baby uzi en de bij dat wapen alsmede de bij de revolver behorende munitie heeft gezien of dat zij op de hoogte was van de aanwezigheid ervan binnen de kring van de verdachten. Het hof is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 en onder 4 waar het het voorhanden hebben van munitie betreft, is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1A en 1B bewezenverklaarde:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Ten aanzien van het onder 2 en 4 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van

medeplegen van met het oogmerk om voor te bereiden of te bevorderen, dat

moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk wordt begaan

door

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

beide begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van het onder 2 en 5 bewezenverklaarde:

De eendaadse samenloop van

medeplegen van met het oogmerk om voor te bereiden of te bevorderen, dat

moord en/of doodslag met een terroristisch oogmerk wordt begaan

door

- gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf zich of anderen trachten te verschaffen,

- voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

beide begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is betoogd dat aan de verdachte een beroep toekomt op psychische overmacht en dat zij om die reden ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Daartoe is – verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft gehandeld onder invloed van grote angst voor een aantal medeverdachten. Die angst, in combinatie met de persoonlijkheid van de verdachte - zoals nader beschreven door de deskundige professor J.T.V.M. de Jong in zijn rapport d.d. 13 februari 2008, toegelicht in zijn brief van 30 september 2009 en in zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep - heeft ertoe geleid dat de verdachte geen andere uitweg heeft gezien dan het plegen van strafbare feiten. Ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten had zij geen keuzevrijheid.

De angst is ontstaan nadat zij de angst van haar echtgenoot, de medeverdachte [medeverdachte 1], heeft ervaren en daarin is mee getrokken. De verdachte is in het bijzonder bang geworden nadat haar echtgenoot haar had verteld hoe de medeverdachte [medeverdachte 3] door met een mes een snijbeweging te maken hem had getoond wat er met afvalligen zou gebeuren. Zij heeft niet willen schieten in het bos in Amsterdam, maar heeft dat toch gedaan omdat zij bang was dat haar anders wat zou worden aangedaan.

Volgens de deskundige De Jong is er in toenemende mate een sociale dwang uitgeoefend op de verdachte waardoor bij haar het besef is gegroeid dat er geen weg terug was. De articulatie van haar persoonlijkheid en die van haar echtgenoot binnen hun gezinsconstellatie, hun talenten en tekorten, hun intenties en hoop, hun psychologische en existentiële problemen in samenhang met de groepsdynamiek hebben er toe geleid dat zij en haar echtgenoot tot hun daden zijn gekomen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt te dien aanzien als volgt.

Een beroep op psychische overmacht kan alleen dan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

Naar het oordeel van het hof zijn de angst van haar echtgenoot en de gebeurtenissen in het bos in Amsterdam voor het aannemen van een dergelijke drang onvoldoende. Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep feiten en omstandigheden om eerder bedoelde drang aan te nemen, niet aannemelijk geworden.

Hoewel het hof zich ervan bewust is dat op menselijk handelen in zijn algemeenheid van invloed kan zijn een groepsdynamiek als door de deskundige De Jong is beschreven, kan de invloed van die groepsdynamiek op de verdachte niet los gezien worden van de eigen persoonlijkheid van de verdachte, gelet op de conclusie van de deskundige De Jong zoals hiervoor is weergegeven, welke conclusie het hof tot de zijne maakt. Juist die eigen persoonlijkheid van de verdachte kan niet worden aangemerkt als enige van buiten komende drang in het kader van haar beroep op psychische overmacht en daarmee kan ook de beschreven groepsdynamiek niet in dat verband worden meegewogen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1A en 1B, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 291 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

De verdediging van de verdachte heeft – zakelijk weergegeven - betoogd dat de onzekerheid over haar vervolging en de lange duur van haar vervolging, versterkt door de hoge straf die haar door de rechtbank Rotterdam is opgelegd aan de verdachte veel leed heeft berokkend. Nog daargelaten of de procedure onredelijk lang heeft geduurd en daarom in strijd moet worden geacht met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (verder EVRM) heeft de procedure in ieder geval onwenselijk lang geduurd en alleen al om die reden dient de lengte ervan in aanmerking te worden genomen in de strafmaat.

Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot een mogelijke schending van artikel 6 EVRM het volgende gebleken. De verdachte is na haar aanhouding op 14 oktober 2005 gedagvaard voor de zitting van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2006. Die dagvaarding is vervolgens ingetrokken waarna de verdachte is gedagvaard voor de zitting van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2008. In de tussentijd zijn op verzoek van de verdediging getuigen gehoord en is de deskundige De Jong benoemd door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam. Op 25 maart 2008 heeft de rechtbank Rotterdam in dezen uitspraak gedaan. De berechting in eerste aanleg heeft weliswaar langer dan twee jaren geduurd maar gelet op de ingewikkeldheid van de zaak en de onderzoekshandelingen die op verzoek van haar verdediging hebben plaatsgevonden, is er naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van enige schending van artikel 6 EVRM.

Op 25 maart 2008 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De griffie van het hof heeft het dossier van de verdachte vervolgens ontvangen op 31 december 2008, waardoor de redelijke termijn met 6 dagen is overschreden.

De berechting van de verdachte in hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen twee jaren en gelet op de voortvarendheid van haar berechting in hoger beroep is er naar het oordeel van het hof geen reden om bij het bepalen van de straf van de verdachte rekening te houden met eerder genoemd overschrijding.

Door de verdediging zijn geen rechtens relevante feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat de vervolging van de verdachte onwenselijk lang heeft geduurd. Dergelijke feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof ook overigens niet aannemelijk geworden.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten doodslag, moord en het voorhanden hebben, doen binnenkomen en doen uitgaan van één of meer wapens.

Daarnaast heeft de verdachte zich, samen met haar medeverdachten, schuldig gemaakt aan voorbereiding en/of bevordering tot het plegen van terroristische misdrijven, te weten moord en/of doodslag te plegen op één of meer Nederlandse politici en in het verlengde daarvan vuurwapenbezit. Daartoe heeft zij, samen met haar medeverdachten, wapens voorhanden gehad, wapens vervoerd en met een wapen geschoten. Mededaders hebben lijsten – al dan niet gecodeerd - met namen en adressen van politici, gasmaskers en bivakmutsen voorhanden gehad en één van haar mededaders heeft een afscheidsvideo/ zelfmoordtestament opgenomen waarin hij het Nederlandse volk direct toespreekt.

Terroristische misdrijven, bij de voorbereiding waarvan de verdachte betrokken is geweest, behoren tot één van de ernstigste misdrijven die de Staat, de samenleving en de democratische rechtsorde in ernstige mate bedreigen. Het gaat in dezen immers om het plegen van een of meer aanslagen op Nederlandse politici, waarmee inbreuk op het menselijk leven van anderen zou worden gemaakt en gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt zou kunnen worden. Deze ernstige feiten dienen er toe (een deel van) de Nederlandse bevolking ernstige vrees aan te jagen en/of de politieke en constitutionele structuren van de Nederlandse samenleving te ontwrichten of te vernietigen.

Bij de strafmaat heeft het hof rekening gehouden met het feit dat niet aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte binnen de bewezen verklaarde organisatie is ingegeven door de geloofsovertuiging zoals die door de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] werd uitgedragen, waarin absolute gehoorzaamheid aan Allah, de Koran en wat daarvan is afgeleid vooropstaat en waarin elke daarvan afwijkende staatsinrichting, gezagsvorm, regeling, leefwijze of gedraging wordt afgewezen en als vijandig wordt beschouwd en nadrukkelijk zogenaamde ongelovigen worden onderscheiden als aanduiding van die mensen die blijk geven van een afwijkende leefwijze of gedrag, ten aanzien van welke mensen geen mededogen past in die zin dat zij zich moeten bekeren op straffe waarvan het gerechtvaardigd is om tegen die mensen geweld te gebruiken dan wel te doden.

Het hof gaat er vanuit dat de verdachte door de omgang van de medeverdachte en echtgenoot [medeverdachte 1], met de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en door hun invloed op haar echtgenoot in korte tijd bij voornoemde organisatie betrokken is geraakt. Het handelen van de verdachte is ingegeven door de angst die zich in eerste instantie manifesteerde bij haar echtgenoot en die later ook door haar zelf werd ervaren om door de medeverdachten [medeverdachte 3]. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] als ongelovige of afvallige te worden gezien en daarom te worden gedood, welke angst haar in de loop van een paar maanden is ingeboezemd door het optreden van met name de medeverdachte [medeverdachte 3]. Het intimiderende effect dat van laatstgenoemde is uitgegaan op de verdachte is versterkt door het tonen van wapens, waaronder vuurwapens aan de verdachte, het richten van een vuurwapen op de verdachte, en door de verdachte en haar echtgenoot te betrekken bij een schietoefening.

In dit verband is naar het oordeel van het hof van belang dat de verdachte – anders dan de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] - geen actieve rol heeft gespeeld bij de voorbereidingen, maar slechts op verzoek van haar echtgenoot uitvoering heeft gegeven aan opdrachten die aan hem zijn gegeven. Naar het oordeel van het hof is haar rol in dezen dan ook een beperktere geweest dan die van haar echtgenoot. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vuurwapenfeit alsmede onder 4 tenlastegelegde vuurwapenfeit waar het betreft de munitie zal worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar op zijn plaats is.

Wat de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden betreft heeft het hof bij de bepaling van de strafmaat in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met het volgende.

Het hof heeft acht geslagen op het rapport van de deskundige De Jong gedateerd 13 februari 2008, zijn aanvullende brief gedateerd 30 september 2009, op de verschillende verklaringen die de deskundige op 20 en 21 februari 2008 ter terechtzitting van de rechtbank heeft afgelegd en op de verklaring die hij op 14 oktober 2009 ter terechtzitting van dit hof heeft afgelegd. Het hof heeft met name rekening gehouden met de omstandigheden dat de verdachte – gegeven haar persoon - niet in staat is geweest om weerstand te bieden tegen de groepsdynamiek binnen de organisatie en evenmin in staat is geweest om om te gaan met de angst die in eerste instantie bij haar echtgenoot manifest werd en later bij haarzelf ontstond, terwijl zij vanwege haar eigen gewetensfunctie veel last heeft gehad van haar eigen handelen in dezen met als gevolg dat bij haar nog meer angst is ontstaan. Vooral die angst is volgens de deskundige De Jong van beperkende invloed geweest op de mate waarin de verdachte vrij was haar keuze te bepalen.

De verdachte heeft kort na haar aanhouding en nadat zij ervan op de hoogte was dat haar echtgenoot daartoe was overgegaan, ook zelf opening van zaken gegeven over haar eigen rol en de verschillende rollen van haar medeverdachten. Die verklaringen zijn van cruciaal belang geweest in het opsporingsonderzoek van de verdachte en haar medeverdachten en in hun respectieve vervolging.

De wetgever heeft met de invoering van artikel 226 g van het Wetboek van Strafvordering – kort gezegd en voor zover thans van belang - beoogd te bewerkstelligen dat in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit in geval van zeer ernstige misdrijven getuigen door het openbaar ministerie kunnen worden bewogen om verklaringen af te leggen indien zulks dringend noodzakelijk is door overeenkomsten met de desbetreffende getuigen te sluiten.

Hoewel in dezen van een dergelijke overeenkomst niet is gebleken, ziet het hof - gelet op de ernst van de strafbare feiten die hier aan de orde zijn en het grote maatschappelijke belang bij het opsporen van die feiten en het vervolgen van de daders - aanleiding om naar analogie van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht van de eerder op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan geformuleerde straf te verminderen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is verder komen vast te staan dat de verdachte met haar echtgenoot al na enkele maanden na hun aanhouding in 2005 is opgenomen in een regeling met betrekking tot getuigenbescherming nadat beiden hun ook voor de andere medeverdachten belastende verklaringen hadden afgelegd en nadat op grond van een dreigingsanalyse is geconcludeerd dat er voor hen beiden, daadwerkelijk gevaar bestond voor hun persoonlijke veiligheid als gevolg van de door hen afgelegde verklaringen. Bij het bepalen van de straf van de verdachte houdt het hof in hoge mate rekening met de gevolgen van die regeling voor de verdachte die daarin bijna vier jaren later nog immer functioneert. De verdachte wordt voortdurend geconfronteerd met het besef dat er gevaar dreigt voor haar en haar gezin, zij heeft een groot deel van haar persoonlijke vrijheid in moeten leveren en leeft met haar gezin in een sociaal isolement. Wanneer er een einde komt aan de situatie waarin zij thans verkeert, is niet te voorzien, omdat niet is te voorspellen wanneer aan het gevaar voor de verdachte dat aan de regeling ten grondslag ligt, een einde zal komen.

Ten slotte heeft het hof bij de bepaling van de strafmaat acht geslagen op het feit dat de verdachte blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2009 eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor een vermogensdelict, waarmee het hof in verband met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in haar voordeel rekening heeft te houden.

Gelet op het bovenstaande is het hof alles afwegende van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van

74 dagen, welke straf gelijk is aan de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht passend en geboden is. Onder de gegeven omstandigheden is een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal, niet opportuun.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 55, 57, 63, 83a,

83, 96, 140, 140a, 288a en 289a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1A en 1B, 2, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

74 (vierenzeventig) dagen.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. Chr.A. Baardman en mr. M. Moussault, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 november 2009.

1 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 7

2 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 16 oktober 2005, proces-verbaalnummer 1610200510.45.11.3, p. 11753 ev

3 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 7 alsmede haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg, proces-verbaal p. 23

4 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 7

5 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 21 oktober 2005, proces-verbaalnummer 211020050940.11.5, p. 11562

6 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 21 oktober 2005, proces-verbaalnummer 2010200510.00.11.15, p. 11798 en verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 februari 2008, proces-verbaal p. 35 ev

7 Proces-verbaal over onderzoek op image van computer A11501 ten behoeve van het hoger beroep Piranha, opgesteld door de verbalisant [verbalisant 1] d.d 10 maart 2008, p. 3

8 Proces-verbaal van het Korps Landelijke Politiediensten d.d. 23 januari 2006, nummer 23012006 AHD VM194, p. 1729 ev

9 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 8 juli 2005, proces-verbaalnummer 0507081035.G16, p. 9546 ev

10 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 7

11 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2], d.d. 18 juli 2005, documentcode 0507181405.G08, p. 9491 ev

12 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] d.d. 18 juli 2005, tap

13 Proces-verbaal van bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, p. 1915 ev

14 Processen-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 oktober 2005, proces-verbaalnummer 171020051030.11.5, p. 11757 ev en d.d. 17 november 2005, proces-verbaalnummer 17112005.1305.11.28, p. 11857

15 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 22 november 2005, proces-verbaalnummer 22112005.1015.11.30, p. 11868

16 Proces-verbaal houdende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, nummer 20060504.0730/3965, p. 1912 ev

17 Proces-verbaal houdende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, nummer 26-125375, p. 1904 ev

18 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 13

19 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten d.d. 16 oktober 2005, p. 1240 ev

20 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, nummer 160106.AHB VM194 d.d. 16 oktober 2005, p. 1611 ev

21 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 8 ev

22 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 november 2005, proces-verbaalnummer 171120051305.11.28, p. 11857

23 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, nummer Z72048 20051015 1529 1745, d.d. 15 oktober 2005, p. 1225 ev

24 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, nummer Z72048 20051015 1338 1745, d.d. 15 oktober 2005, p. 1214 ev

25 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 8 november 2005, proces-verbaalnummer 081120051015.11.25, p. 11845

26 Tapgesprek p. 1510 alsmede het proces-verbaal van politie, d.d. 29 juni 2005, AHA12, map 2, p. 1249 ev

27 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 8 november 2005, proces-verbaalnummer 081120051015.11.25, p. 11845 en proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 9 februari 2006, kenmerk A0C02, p. 3518 ev

28 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 15 oktober 2005, nummer Z72048 20051015 1529 1745, p. 1225 ev en proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 15 oktober 2005, nummer Z72048 20051015 1338 1745, p. 1214 ev

29 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 16 oktober 2005, nummer Z72048 20051016 1404 1745, p. 1240 ev

30 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 18 oktober 2005, proces-verbaalnummer 181020051115.11.9, p. 11769

31 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 4 juli 2005, nummer 0507041315.AMB, p. 9271 ev

32 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 oktober 2005, proces-verbaalnummer 1710200512.30.11.7, p. 11764

33 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige in de strafzaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 15 april 2008, p. 9

34 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 18 oktober 2005, proces-verbaalnummer 181020051115.11.9, p. 11769

35 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 21 oktober 2005, proces-verbaalnummer 211020051145.11.14, p. 11796

36 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 1] d.d. 17 november 2005, proces-verbaalnummer 17112005.1340.11.29, p. 11863

37 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 16 januari 2006, nummer 160106.AHB VM194, p. 1611 ev

38 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 maart 2006, nummer 2005.12.07.116, p. 12681 ev

39 Proces-verbaal logging website http://leeuwenvantawhied.web-log.nl, nummer 20050811-2181, p. 1589 ev

40 Proces-verbaal van getuigenverhoor van de verdachte door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam in de strafzaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] d.d. 27 maart 2006, p. 5 ev

41 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 20 oktober 2005, proces-verbaalnummer 2010200510.00.11.11, p. 11777 ev

42 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 21 juli 2005, proces-verbaalnummer 2107051830.G16, p. 9566 ev

43 Proces-verbaal van getuigenverhoor van de verdachte in de strafzaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 april 2008, p. 10 ev en processen-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 25 oktober 2005, proces-verbaalnummer 251020051035.11.21, p. 11824 ev en d.d. 8 november 2005 proces-verbaalnummer 081120051015.11.25, p. 11846 ev

44 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 21 juli 2005, proces-verbaalnummer 2107051830.G16, p. 9566 ev

45 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam in de strafzaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] d.d. 1 november 2005, p. 4 ev

46 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 5

47 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 6

48 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 9

49 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 7

50 Verklaring van de verdachte als getuige in de strafzaak Piranha 1 ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 18 februari 2005, proces-verbaal p. 19

51 Proces-verbaal van getuigenverhoor van de verdachte door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam in de strafzaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] d.d. 27 maart 2006, p. 4 ev

52 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 16 oktober 2005, proces-verbaalnummer 20051016.1525.11.4 p. 11543

53 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 15 oktober 2005, proces-verbaalnummer 20051015.1355.11.2 p. 11527

54 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 6

55 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 6

56 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 20 februari 2006, nummer 2005.12.07.116, p. 9829 ev

57 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 4 juli 2005, nummer 0507041315.AMB, p. 9271 ev

58 Verklaring van de getuige [getuige 3] in de strafzaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 maart 2008, p. 30 ev

59 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3] d.d. 25 juli 2005, proces-verbaalnummer 0507251400.V03, p. 9297 ev

60 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 20 januari 2006, nummer 20060120.1.89, p. 2049 ev

61 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 april 2006, nummer 2005.12.07.116, p. 9843 ev

62 Proces-verbaal inhoudende relaas van verrichtingen en bevindingen van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, d.d. 16 oktober 2005, nummer 20051015.1.72, p. 1317 ev

63 Verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 4] in zijn strafzaak ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 april 2008, p. 51 ev

64 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 7

65 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 21 oktober 2005, proces-verbaalnummer 21102005.0940.11.5 p. 11571

66 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p. 6 ev en processen-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 1 november 2005, proces-verbaalnummer Z72048, p. 11587 alsmede d.d. 15 november 2005, proces-verbaalnummer 20051115.1150.11.7 p. 11594

67 Kamerstuk 2001-2002, 28463, nr. 3, Tweede Kamer, p. 9

68 Verklaring van de verdachte als getuige in de strafzaak tegen de medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] ter terechtzitting in eerste aanleg op 25 oktober 2006, proces-verbaal p 87

69 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p 7

70 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 18 februari 2008

71 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p 7

72 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 september 2009, proces-verbaal p 8