Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK2288

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-09-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
22-005352-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Het hof komt – alles afwegende – tot het oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde brandstichting in de woning van de aangever.

Naar het oordeel van het hof kan daarnaast de toedracht van de onder 2 tenlastegelegde huisvredebreuk – bezien tegen de achtergrond van een problematische relatie – onvoldoende eenduidig worden vastgesteld om te komen tot een bewezenverklaring daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-005352-08

parketnummers 09-900084-08 en 09-662633-08

datum uitspraak 24 september 2009 (bij vervroeging)

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 september 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 17 september 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1: (parketnummer 09-900084-08)

hij op of omstreeks 05 februari 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in perceel [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een aansteker en/of een lucifer, in elk geval vuur en/of een brandend voorwerp bij/tegen (een) kussen(s) en/of een of meer bank(en) heeft gehouden, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer bank(en) en/of (een) kussen(s) in de woonkamer van dat perceel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning en/of (een gedeelte van) de inboedel van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de inboedel van die woning en/of één of meer belendende perce(e)l(en) (onder meer [adres 2] en/of [adres 3]), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de inwoner(s) van die woning en/of de belendende perce(e)l(en) (onder meer [adres 2] en/of [adres 3]), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2: (parketnummer 09-662633-08)

hij op of omstreeks 12 november 2007 te 's-Gravenhage wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres 1] en in gebruik bij [de aangever], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

3: (parketnummer 09-662633-08)

hij op of omstreeks 12 november 2007 te 's-Gravenhage opzettelijk (van) een persoon (te weten [de aangever]), bij de keel heeft vastgepakt en/of bij het hoofd heeft vastgepakt en/of (vervolgens) het hoofd opzij heeft gedraaid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partij is in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte kan blijkens het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet zijn gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Verzoeken van de raadsman

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte na te melden verzoeken gedaan:

1. een verzoek tot het doen horen van de kinderen van [aangever] als getuigen. Ter adstructie van zijn verzoek heeft hij aangevoerd dat de kinderen dienen te worden gehoord teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen van [de aangever] te kunnen vaststellen. Daarbij stelt de raadsman zich op het standpunt dat die verklaringen leugenachtig zijn en derhalve niet voor het bewijs mogen worden gebezigd;

2. een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een onderzoek te laten doen naar de hypothese dat de achterdeur van de woning van [de aangever] tijdens de brand is geopend.

Gelet op na te melden beslissing acht het hof het niet noodzakelijk om in de verzoeken van de raadsman te bewilligen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gemotiveerd betoogd dat op grond van na te melden bewijsmiddelen (zakelijk weergegeven) bewezen kan worden verklaard dat de verdachte op 5 februari 2008 opzettelijk brand heeft gesticht in de woning van [de aangever] gelegen aan de [adres 1] te 's-Gravenhage, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (feit 1):

- de verklaring van de verdachte voor zover inhoudende dat hij die bewuste avond bij de woning van [de aangever] is geweest, hetgeen steun vindt in de verklaring van [de getuige C] en de camerabeelden;

- de verklaring van [de aangever], inhoudende dat zij omstreeks 22.00 uur rook onder haar slaapkamerdeur zag komen, terwijl zij telefonisch in gesprek was met [de getuige P];

- de verklaring van [de getuige P], inhoudende dat zij met [de aangever] telefonisch in gesprek was toen laatstgenoemde haar meedeelde dat zij rook zag;

- de bevindingen van de Technische Recherche als verwoord in het rapport d.d. 4 maart 2008;

- de aangiften van [de aangever X] en [de aangever Y].

De advocaat-generaal stelt zich daarbij op het standpunt dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad om in de woning van [de aangever] brand te stichten. Ter adstructie van zijn standpunt verwijst hij naar de inhoud van het rapport van het NFI d.d. 6 juli 2009, alsmede naar de bevindingen van verbalisant N. van Drongelen als verwoord in het proces-verbaal d.d. 13 mei 2009. Tot slot deelt hij in dit verband mede dat de verdachte een motief had om brand te stichten, gelet op de verklaring van [de aangever] dat zij rond 21.00 uur telefonisch aan de verdachte heeft meegedeeld dat hij haar niet meer moest lastigvallen en dat hij toen zei: "Als ik jou niet krijg, dan krijgt niemand jou" en gelet op de verklaring van de verdachte dat hij gek van binnen werd toen [de aangever] hem in de avond van 5 februari 2008 had gezegd dat ze hem niet meer wilde zien. Uit de aangiften van twee buren blijkt het grote gevaar dat door de brand is ontstaan voor de aangrenzende woningen en hun bewoners.

Voorts heeft de advocaat-generaal betoogd dat op grond van de aangifte van [de aangever] in samenhang bezien met de verklaring van [de getuige M] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte op 12 november 2007 de woning van die [de aangever] wederrechtelijk is binnengedrongen (feit 2).

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 september 2009 gehechte pleitaantekeningen bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 1 tenlastegelegde brandstichting.

In de kern weergegeven heeft de raadsman daartoe het volgende aangevoerd:

- de verdachte ontkent de brand in de woning te hebben gesticht;

- het is onmogelijk dat de verdachte die bewuste avond in de woning van [de aangever] is geweest: ramen en deuren waren immers afgesloten; de raadsman stelt in dat verband dat het op 6 juli 2009 uitgebrachte rapport van het NFI onvolledig is, nu daarin niet is onderzocht de hypothese dat de achterdeur tijdens de brand van de sloten is gehaald; ook stelt hij dat het door de rechtbank bewezenverklaarde scenario dat de verdachte de woning via het keukenraam is binnengekomen niet past in de door de raadsman geschetste tijdslijn;

- de conclusie van de Technische Recherche over het ontstaan van de brand sluit de mogelijkheid van een kortsluiting niet uit; de mogelijkheid dat de brand door een kortsluiting is ontstaan is niet door het NFI onderzocht;

- de verdachte heeft geen motief om brand te stichten in de woning van [de aangever], terwijl laatstgenoemde met de verzekeringspenningen haar schulden heeft kunnen aflossen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat de verdachte daarvan eveneens dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat (a) er geen sprake is geweest van wederrechtelijk binnendringen, de verdachte kwam immers dagelijks in de woning van [de aangever], en (b) de verdachte de woning heeft verlaten zodra [de aangever] begon te gillen en daarmee kenbaar maakte dat hij niet welkom was.

Vrijspraak

Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde brandstichting stelt het hof op grond van de zich in het dossier bevindende stukken alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast.

Op 5 februari 2008 te 22.10 uur krijgen verbalisanten B.F. van Emmerik en M.M.A. de Groot opdracht te gaan naar een woning gelegen aan de [adres 1] te 's-Gravenhage, alwaar een brand zou woeden. De woning aan de Thijssestraat betreft een maisonnettewoning. De voordeur van de woning is te bereiken via een gemeenschappelijke binnentuin. De binnentuin kan worden bereikt via een centrale toegangshal gelegen aan de Thijssestraat. De achtertuin van de woning is eveneens te bereiken via een gemeenschappelijke binnentuin; aan de achtertuin van de woning is de woonkamer gelegen, waarin zich de achterdeur van de woning bevindt. De binnentuinen worden omheind door een muur van drie meter hoog en grenzen aan de Tak van Poortvlietstraat. De woning ligt op een hoek; vanuit een raam in de woonkamer en in de keuken heeft de bewoner vrij zicht op de Tak van Poortvlietstraat.

Omstreeks 22.00 uur die avond constateert de bewoonster van die woning, [de aangever], die zich dan op de eerste etage van haar woning bevindt, tijdens een telefoongesprek met haar vriendin [de getuige P] dat er rook onder haar slaapkamerdeur komt. Op advies van haar vriendin besluit [de aangever] de woning samen met haar kinderen onmiddellijk te verlaten. Tijdens het naar beneden lopen, ziet [de aangever] veel rook uit het trapgat opstijgen. Voorts ziet zij de hele benedenverdieping vol dikke zwarte rook staan. Zij verlaat met haar kinderen haar woning via het keukenraam.

Op camerabeelden is geregistreerd dat de verdachte om 21.53.41 uur met [de getuige C] de centrale hal van het complex waar [de aangever] woont, binnenloopt. Vervolgens loopt hij de binnentuin in waaraan de woonkamer met achterdeur van de woning van [de aangever] is gelegen. Even later, om 22.05.18 uur, loopt de verdachte de centrale toegangshal weer in, die hij enkele seconden later verlaat.

Op grond van een verklaring van [de getuige C], die de verdachte de centrale hal heeft zien binnenlopen, rijst bij de politie al spoedig de verdenking dat de verdachte degene is die verantwoordelijk is voor de brand in de woning van [de aangever]. Diezelfde avond nog, omstreeks 23:00 uur, heeft verbalisant Prins telefonisch contact met de verdachte. Geconfronteerd met de verdenking jegens hem ontkent de verdachte een brand in de betreffende woning te hebben gesticht. Hij ontkent (aanvankelijk) ook die avond bij de woning te zijn geweest.

Omstreeks 23.30 uur meldt de verdachte zich op het politiebureau aan de Hoefkade te 's-Gravenhage, alwaar hij wordt aangehouden ter zake brandstichting.

Op 6 februari 2008 doet de Technische Recherche een onderzoek naar de oorzaak van de brand in de woning van [de aangever]. Geconstateerd wordt dat beide zitbanken in de woonkamer door het vuur zijn aangetast. Het pleisterwerk op de muren en het plafond ter hoogte van de banken is gedeeltelijk door de hitte aangetast. Er is rook- en roetschade. Geconcludeerd wordt dat het vuur zich heeft geconcentreerd aan de linkerzijde van de driezitsbank, vermoedelijk op het zitgedeelte. Er zijn geen aanwijzingen dat de brand het gevolg is geweest van een technische oorzaak. Volgens de Technische Recherche is de brand ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen en/of achterlaten van vuur in enigerlei vorm.

Het dossier bevat voorts de volgende aanwijzingen dat de verdachte opzettelijk brand in de woning van [de aangever] zou hebben gesticht:

- hij is vlak voor de melding van de brand bij de woning van [de aangever] gesignaleerd;

- op grond van de conclusies in het NFI-rapport d.d. 6 juli 2009, alsmede op grond van de bevindingen van verbalisant N. van Drongelen als verwoord in het proces-verbaal d.d. 13 mei 2009 kan niet worden uitgesloten dat de verdachte de woning is binnengekomen;

- er zijn sporen van een aardoliedestillaat, subklasse kookpuntbenzine, op de schoenen van de verdachte aangetroffen;

- de verdachte had een mogelijk motief: hij kon niet verkroppen dat [de aangever] hem afwees; in dat verband merkt het hof op dat zulks niet alleen kan worden afgeleid uit de verklaring van [de aangever], maar tevens uit de verklaring van de verdachte zelf: op 6 februari 2008 heeft hij immers tegenover de politie verklaard dat zijn bloed begon te koken toen hij hoorde dat er enkele dagen voor de brand een andere man bij [de aangever] was blijven slapen en dat hij gek van binnen werd toen [de aangever] hem op 5 februari zei hem niet meer te willen zien;

- uit de gegevens van de mobiele telefoon van de verdachte blijkt dat hij kort vóór het tijdstip van de brand, te weten tot 21.50.55 uur, meermalen heeft geprobeerd [de aangever] telefonisch te bereiken; ná de brand heeft de verdachte die avond niet meer met [de aangever] gebeld.

Tegenover bovengenoemde aanwijzingen heeft het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting en van de inhoud van het dossier achtgeslagen op het volgende.

Gelet op de conclusie van de Technische Recherche kan niet worden uitgesloten dat de brand is ontstaan door het onopzettelijk bijbrengen en/of achterlaten van vuur in enigerlei vorm. Het hof stelt in dit verband bovendien vast dat zich in het dossier geen rapport van de brandweer bevindt, hetgeen zeer ongebruikelijk is. Evenmin kan uit de stukken in het dossier worden afgeleid hoe lang de brand vermoedelijk heeft gewoed vóór de melding daarvan, derhalve op welk tijdstip de brand vermoedelijk is ontstaan.

In aanmerking nemend de omstandigheid dat er sedert de brand inmiddels ruim anderhalf jaar is verstreken, acht het hof het doen van nader onderzoek naar bovengenoemde punten thans niet langer opportuun.

Het hof merkt voorts op dat de verdachte vrijwel direct ná het ontdekken van de brand is aangemerkt als verdachte; het hele opsporingsonderzoek is volledig op hem toegespitst. Dat wekt in zoverre bevreemding nu - gelet op de bevindingen van de Technische Recherche - andere scenario's denkbaar zijn en de verdachte bovendien van meet af aan heeft betwist de brand te hebben gesticht. De enkele omstandigheid dat de verdachte aanvankelijk heeft ontkend die bewuste avond bij de woning van [de aangever] te zijn geweest, doet daar niet in beslissende mate aan af.

Evenmin kan de omstandigheid dat op de schoenen van de verdachte sporen van een brandversnellend middel, te weten kookpuntbenzine zijn aangetroffen, tot het bewijs bijdragen, gelet op het volgende. De verdachte heeft verklaard dat het zeer wel mogelijk is dat deze sporen tijdens zijn dagelijkse werkzaamheden op zijn schoenen zijn terechtgekomen;

Uit het rapport van het NFI d.d. 9 april 2008 blijkt dat deze sporen naar aanleiding van een op 27 februari 2008 gedaan, op 12 maart 2008 door het NFI ontvangen verzoek zijn onderzocht; de schoenen van de verdachte zijn op 6 februari 2008 reeds in beslag genomen; één en ander leidt tot de conclusie dat bedoeld rapport geen inzicht geeft in het moment waarop de sporen op de schoenen zijn gekomen; blijkens de bevindingen van de Technische Recherche zijn in de woning van [de aangever] geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen.

Al met al komt het hof tot het oordeel dat de hiervoor weergegeven aanwijzingen voor het daderschap van de verdachte geen van alle zelfstandig het overtuigend bewijs kunnen dragen, terwijl evenmin de samenhang tussen die aanwijzingen van zodanige aard is dat daaruit overtuigend bewijs kan worden afgeleid.

Het hof komt - alles afwegende - dan ook tot het oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting in de woning van [de aangever]. Dat brengt mee dat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan de toedracht van de onder 2 tenlastegelegde huisvredebreuk - bezien tegen de achtergrond van een problematische relatie - onvoldoende eenduidig worden vastgesteld om te komen tot een bewezenverklaring daarvan.

Naar het oordeel van het hof is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. S. van Dissel en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 september 2009.