Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1712

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200.021.383
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Geen) family life en omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 september 2009

Zaaknummer : 200.021.383\01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-2935

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.G. Groen te ’s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.A.M. Perquin te Zoetermeer.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 20 november 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 augustus 2008 van de rechtbank ‘s-Gravenhage (hierna: de bestreden beschikking).

De moeder heeft op 30 juni 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 14 mei 2009 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming, Directie Zuid-West, vestiging Den Haag (hierna: de raad), heeft het hof bij brief van 27 maart 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 15 juli 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de man in zowel zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en na te noemen minderjarige als in zijn verzoek tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling tussen hem en de moeder, niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de omgang tussen de man en [naam minderjarige], geboren [op geboortedatum in] 2006 te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige, en een informatie- en consultatieregeling tussen de man en de moeder. De man heeft de minderjarige niet erkend. De moeder is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair te bepalen:

- dat hij gerechtigd is de minderjarige één dag per week in het weekend van 11:00 uur tot 16:00 uur bij zich te hebben, waarbij de omgang in de even weken op zaterdag en in de oneven weken op zondag plaatsvindt;

- dat wanneer de minderjarige de leeftijd van vier jaar heeft bereikt, hij gerechtigd is de minderjarige een weekeinde per twee weken van vrijdag tot en met zondag, evenals gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waaronder een aaneengesloten periode van drie weken in de zomervakantie, bij zich te hebben; en

- dat de moeder gehouden is hem op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen, meer specifiek over de schoolkeuze en beroepsopleiding van de minderjarige, verhuizingen, medische behandelingen en ingrepen en over het verblijf van de minderjarige in het buitenland.

Subsidiair verzoekt de man het hof de raad te verzoeken te rapporteren en te adviseren of de verzochte omgangsregeling en/of informatie- en consultatieregeling in het belang van de minderjarige is en te bepalen dat hij, gedurende dit onderzoek, gerechtigd is de minderjarige bij zich te hebben zoals primair is verzocht.

Voorts verzoekt de man het hof de moeder te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3. De moeder bestrijdt gemotiveerd het hoger beroep van de man en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden.

4. De man stelt in zijn twee grieven - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er tussen hem en de minderjarige geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking zodat de rechtbank ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid heeft geconcludeerd. De man betoogt dat er tussen hem en de minderjarige wel degelijk sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking nu hij en de moeder ten tijde van het begin van de zwangerschap een bestendige relatie hadden en hij de zwangerschap niet als ongewenst heeft ervaren. Daarbij heeft hij, zowel tijdens als na de zwangerschap bij de moeder informatie trachten in te winnen over de minderjarige en heeft hij na de geboorte van de minderjarige de moeder benaderd om te komen tot een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige.

5. De moeder bestrijdt dat er tussen de man en de minderjarige sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking.

6. Het hof overweegt als volgt.

Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, heeft de wet onmiddellijke werking.

De omgangsregeling

7. Het hof stelt voorop dat, om de man te kunnen ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige, op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW (voorheen artikel 1:377f BW) de vraag voor ligt of de man in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staat. Op grond van vaste jurisprudentie betekent dit dat de man (de niet-juridisch ouder), naast het biologisch vaderschap, ook bijkomende omstandigheden moet stellen waaruit dit voortvloeit.

8. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, gedurende welke periode de moeder zwanger is geraakt. De man had al vóór de zwangerschap van de moeder twijfels over hun relatie en de relatie was, zo heeft de man ter zitting in hoger beroep verklaard, op dat moment niet meer bestendig. De man heeft de relatie in een vroegtijdig stadium van de zwangerschap verbroken. Onbestreden is gebleven dat de man een week voor de bevalling van de moeder zijn spullen uit de voormalige gezamenlijke woning is komen ophalen. De man was boos en gefrustreerd en gedroeg zich dienovereenkomstig. De man heeft, daar nadrukkelijk ter zitting naar gevraagd zijnde, geen enkele herinnering aan de zeer vergevorderde staat van zwangerschap waarin de moeder verkeerde noch aan enige emotie ten aanzien van zijn, toen nog ongeboren, kind. Vervolgens hebben partijen weliswaar (via e-mail) contact gehad met elkaar over de financiële afwikkeling van de relatie, maar zij hebben geen afspraken gemaakt over een eventuele erkenning van de minderjarige door de man dan wel over een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De man is pas tot betaling van zijn onderhoudsplicht overgegaan nadat zijn onderhoudsverplichting bij beschikking van 13 november 2007 door de rechter is vastgesteld. Voorts was de man niet aanwezig bij de bevalling en heeft hij, nadat hij door een collega op de hoogte werd gebracht van de geboorte van de minderjarige, geen contact opgenomen met de moeder over de minderjarige. De door de moeder van de man in januari 2008 in een – kennelijk plaatselijk - krantje geplaatste advertentie en de door haar en de nieuwe partner van de man in de daarop volgende maanden aan de minderjarige gerichte kaarten, waren onvriendelijk en intimiderend van toon en ongepast van aard, terwijl niet is gebleken dat de man zelf actie heeft ondernomen om in contact te komen met de minderjarige. Tot op heden heeft er tussen de man en de minderjarige nimmer contact plaatsgevonden en de man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de moeder heeft benaderd om te komen tot een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige.

9. Het hof is, gezien vorenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijkomende omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat er tussen hem en de minderjarige een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Een beroep op artikel 8 EVRM, zoals de man in eerste aanleg heeft gedaan, maakt dit oordeel niet anders nu er, op grond van het voorgaande, evenmin sprake is van ‘family life’ in de zin daarvan. De man is dan ook terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige.

De informatie- en consultatieregeling

10. Nu de man niet kan worden aangemerkt als ouder in de zin van artikel 1:377b, eerste lid, BW, en er overigens geen sprake is van een betrekking die aangemerkt moet worden als ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM, is de man in dit verzoek terecht niet-ontvankelijk verklaard.

11. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om, zoals subsidiair door de man verzocht, een onderzoek door de raad te gelasten. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

Proceskostenveroordeling

12. Gelet op het vorenoverwogene ziet het hof geen aanleiding de moeder te veroordelen in de kosten van beide procedures en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de man tot veroordeling van de moeder in de proceskosten van beide instanties wordt daarom afgewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Mos-Verstraten en Punselie, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2009.