Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1662

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
200.034.482.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging van voorlopig bepaalde partneralimentatie. Artikel 824 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Uitspraak : 14 oktober 2009

Zaaknummer : 200.034.482.01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 08-1546

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.A. Beekman, kantoorhoudende te Leiden,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P. Hoogenraad, kantoorhoudende te Maassluis.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man heeft het hof op 27 mei 2009, in een scheidingszaak die bij het hof aanhangig is, verzocht de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 augustus 2008 van de rechtbank Rotterdam te wijzigen.

De vrouw heeft op 9 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 16 juni 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 12 augustus 2009 is de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 200.032.326.01 (verzoek schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad), mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Ter terechtzitting heeft de advocaat van de man, met instemming van de advocaat van de vrouw, het verweerschrift inzake hoger beroep partneralimentatie overgelegd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 5 augustus 2008. Bij die beschikking is – onder meer en uitvoerbaar bij voorraad – op de voet van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij wijze van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, de door de man te betalen voorlopige uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna: de partneralimentatie) met ingang van 1 september 2008 bepaald op € 400,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 10 maart 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEVOEGDHEID

Het hof acht zich bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie, nu ook de definitieve partneralimentatie ter beoordeling aan dit hof is voorgelegd (in de zaak met rekestnummer 200.032.322.01) en het om redenen van proceseconomie de voorkeur verdient om in een dergelijk geval van een verzoek tot wijziging van voorlopige voorzieningen kennis te nemen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de voorlopige partneralimentatie van € 400,- per maand.

2. De man verzoekt de beschikking van 5 augustus 2008 te wijzigen voor zover in die beschikking ten laste van de man een partneralimentatie voor de vrouw is vastgesteld. Daarnaast verzoekt hij om vanaf 1 januari 2009 de partneralimentatie te bepalen op nihil, althans op een lager bedrag dan € 400,- per maand.

3. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4. Het hof overweegt als volgt.

5. De rechtbank Rotterdam heeft bij de bestreden beschikking met ingang van 1 september 2008 een voorlopige partneralimentatie vastgesteld van € 400,- per maand. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 28 januari 2009 de definitieve partneralimentatie met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand vastgesteld op:

- € 400,- per maand zolang de man advocaatkosten heeft;

- € 450,- per maand zodra de man geen advocaatkosten heeft, bij vooruitbetaling te voldoen. De man heeft bij het hof een wijzigingsverzoek voorlopige voorzieningen ingediend op de grond dat hij per 26 januari 2009 huurlasten heeft en derhalve geen draagkracht meer om de voorlopige partneralimentatie te betalen.

De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 10 maart 2009.

6. Artikel 824 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat op verzoek van een van de echtgenoten een beschikking voorlopige voorzieningen kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na dagtekening der beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.

Artikel 826 lid 1c Rv bepaalt dat de voorlopige voorziening bedoeld in artikel 822 lid 1 onder e haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat.

Nu de man heeft gesteld dat hij woonlasten heeft en dat dus de omstandigheden na de bestreden beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd dat deze beschikking niet in stand kan blijven, en de vrouw het bestaan van de woonlasten niet heeft weersproken, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de periode die thans aan het hof voorligt, loopt van 26 januari 2009 (ingangsdatum huurovereenkomst man) tot 10 maart 2009 (inschrijving echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand).

Het hof zal hierna bezien of de draagkracht van de man in deze periode door de woonlasten zodanig is gewijzigd dat, alle betrokken belangen in aanmerking nemend, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.

7. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van een bruto jaarinkomen van € 28.421,- zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave van 2008. Gelet op dit inkomen, zijnde meer dan € 2.000,- bruto per maand, zal het hof uitgaan van een bruto draagkrachtberekening. Voorts zal het hof rekening houden met een werkgeversbijdrage zorgverzekeringswet van € 1.908,- per jaar.

8. Ten aanzien van de lasten van de man overweegt het hof als volgt. De man heeft woonlasten opgevoerd van € 524,33 per maand, de vrouw heeft deze lasten betwist en gesteld dat de woonlasten van de man € 373,68 bedragen. Naar het oordeel van het hof behoren de kosten van de verlichting, schoonmaken portiek, glazenwasser, glasfonds, administratiekosten, water via Eneco, en de huismeester tot de servicekosten die tot de huurprijs behoren. De verwarmingskosten vallen hier naar het oordeel van het hof buiten. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man derhalve uitgaan van woonlasten van een bedrag van € 439,33.

9. Ter terechtzitting heeft de man, daar naar gevraagd, verteld dat hij een bedrag van ongeveer € 850,- heeft geleend van zijn broer om de kosten van zijn auto te kunnen voldoen. Volgens de man bestond deze lening al ten tijde van het huwelijk. Hij betaalt een aflossing van € 25,- per maand. Van zijn andere broer heeft de man een bedrag van € 738,29 geleend om zijn advocaatkosten en een rekening bij [naam bedrijf] te betalen. Hij lost deze lening af met een bedrag van € 20,- per maand. Verder heeft de man naar voren gebracht dat hij zijn vakantiegeld heeft aangewend om zijn woning in te richten.

10. Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie dient als uitgangspunt te gelden dat op de draagkracht van de onderhoudsplichtige in beginsel al diens schulden van invloed zijn. Gelet hierop, en nu uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de man bovengenoemde leningen daadwerkelijk is aangegaan en er voorts gedurende een jaar rekening gehouden kan worden met advocaatkosten, zal het hof bij de berekening van de draagkracht met de aflossingen van de leningen van € 25,- en € 20,- per maand rekening houden. Met eventuele herinrichtingskosten houdt het hof geen rekening nu de onderhavige kwestie slechts een periode van twee maanden betreft en de herinrichtingskosten zonodig in de appelprocedure betreffende de definitieve alimentatie aan de orde kunnen worden gesteld.

Het hof houdt rekening met een premie zorgverzekering van € 114,50 per maand. De post eigen risico van € 13,- per maand laat het hof buiten beschouwing nu niet is gesteld, noch gebleken dat dit eigen risico is verwezenlijkt.

Met de premie begrafenisverzekering zal conform de aangepaste Tremanormen geen rekening meer worden gehouden, nu deze post geen prioriteit heeft boven de partneralimentatie.

11. Het hof zal voorts uitgaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, de gebruikelijke heffingskortingen en een draagkrachtpercentage van 60%.

12. Uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van een zodanige mate van wijziging van omstandigheden dat de voorlopige voorziening voor de periode van 26 januari 2009 tot 10 maart 2009 niet in stand kan blijven, zodat het verzoek tot wijziging van de beschikking dient te worden afgewezen.

Behoefte vrouw

13. Op dezelfde gronden als de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man, nu de vrouw ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 26 januari 2009 tot 10 maar 2009 geen zodanige hoger inkomen genoot dat zij een lagere behoefte zou hebben dan het bij beschikking voorlopige voorzieningen bepaalde bedrag.

14. Het hof zal als navolgend beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

wijst het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2008 af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Dusamos en Bos, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2009.