Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1572

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
200.006.919-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming om met de kinderen in thuisland op vakantie te gaan wordt vader door rechtbank geweigerd vanwege ontvoeringsgevaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 september 2009

Zaaknummer : 200.006.919.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-8056

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.M. van Kuijeren, kantoorhoudende te Delft,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. B.C.V.J. van Leur, kantoorhoudende te Delft.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 16 mei 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 maart 2008 van de rechtbank Dordrecht.

De moeder heeft op 12 augustus 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 27 juni 2008 en 26 juni 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 1 september 2008 aanvullende stukken ingekomen.

De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Dordrecht, (hierna: de raad) heeft het hof bij brief van 12 maart 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 2 juli 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. H.J Naber, advocaat te Dordrecht, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. R.A.A.H. van Leur, advocaat te Dordrecht. De raad is, zoals aangekondigd, niet verschenen. De verschenen betrokkenen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de vader strekkende tot vervangende toestemming om met na te noemen minderjarigen binnen het kader van de omgangsregeling op vakantie te gaan naar [Land], afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader verzochte vervangende toestemming om in het kader van de omgangsregeling op vakantie te gaan naar [Land] met de minderjarigen:

[Naam kind 1], geboren [in] [1998] te [geboorteplaats],

[Naam kind 2], geboren [in] [2001] te [geboorteplaats], hierna: de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, zijn verzoek tot vervangende toestemming om in het kader van de omgangsregeling met de kinderen op vakantie te gaan naar [Land], alsnog toe te wijzen.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De vader stelt dat de rechtbank het oordeel, dat er een risico bestaat dat hij niet met de kinderen naar Nederland zal terugkeren, baseert op een drietal omstandigheden, te weten: de omstandigheid dat hij geen werk heeft in Nederland, het feit dat hij de moeder een woning in [Land] heeft aangeboden en het feit dat [Land] niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. Deze omstandigheden kunnen naar de mening van de vader het oordeel van de rechtbank niet of onvoldoende dragen. De vader erkent dat hij de moeder een woning in [Land] heeft aangeboden, maar respecteert de keuze van haar en de kinderen om in Nederland te willen blijven wonen. Voorts stelt de vader ter terechtzitting bezig te zijn zich te oriënteren op het opzetten van een onderneming in [Land], maar zich daarvoor zowel in Nederland als in [Land] te willen vestigen. De vader ontkent de kinderen te willen ontvoeren, en is van mening dat de stelling dat [Land] niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 niets zegt over het risico dat hij niet uit eigen beweging met de kinderen na de vakantie naar Nederland zou terugkeren. Hij vindt het belangrijk dat de kinderen zijn thuisland, familie en cultuur leren kennen. De vader stelt hiertoe dat de kinderen recht hebben op contact met de familie en beroept zich hierbij op artikel 8 EVRM. Tenslotte stelt de vader dat hij de overeenkomst tussen partijen betreffende vakanties naar [Land], die er ooit lag, destijds niet heeft getekend vanwege de, zijns inziens vergaande, voorwaarden die erin stonden, maar dat hij ondertussen bereid is deze overeenkomst te tekenen.

5. De moeder stelt zich geheel te kunnen vinden in de beschikking van de rechtbank. De vader heeft volgens haar weinig band met Nederland. Hij heeft hier geen familie, geen inkomen, geen bezittingen en geen carrière opgebouwd. Zijn familie in [Land] is gefortuneerd en heeft daar veel onroerende zaken en inmenging in bedrijven. Zij meent dat de vader wenst dat de kinderen bij hem in [Land] komen wonen en aldaar worden gevormd, dan wel dat de vader onder druk staat van zijn familie, die deze mening ook is toegedaan. De moeder stelt dat zij een tijd geleden nog wel akkoord kon gaan met een vakantie van de vader en de kinderen in [Land] onder bepaalde, naar haar mening niet onredelijke, voorwaarden. Er was destijds ook meer contact tussen de vader en de kinderen, maar inmiddels zijn de omstandigheden dusdanig gewijzigd dat zij niet meer mee wenst te werken aan een dergelijke vakantie.

6. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat de vrees van de moeder dat de vader niet met de kinderen naar Nederland zal terugkeren na een vakantie in [Land] niet ongegrond is. Weliswaar heeft de vader verklaard de wens van de moeder en de kinderen om in Nederland te blijven wonen te respecteren, doch zijn uitlatingen over de, naar zijn mening, wenselijke verblijfplaats van de kinderen, zoals door de moeder onvoldoende weersproken gesteld, stroken daarmee niet. Het hof acht de banden die de vader met [Land] heeft, sterk, en de banden met Nederland zwak, mede gelet op zijn plannen om in [Land] een onderneming te starten en de omstandigheid dat de vader in 2009 enkele maanden in [Land] heeft verbleven in verband met de te starten onderneming. Bovendien acht het hof het aannemelijk dat de familie van de vader druk op hem zal gaan uitoefenen om de kinderen permanent in [Land] te laten verblijven. De vader zal deze druk mogelijk niet kunnen weerstaan. Het hof hecht in dit verband belang aan de opmerking van de man ter zitting van 21 februari 2008 dat hij zelf geen kinderwens had, doch dat zijn familie er op aangedrongen heeft kinderen te krijgen. Niet weersproken is dat de familie van de vader gefortuneerd is waardoor het hof andere vormen van contact tussen de kinderen en de familie van de vader mogelijk acht, bijvoorbeeld door middel van een webcam via het internet. Van schending van artikel 8 EVRM is dan ook geen sprake. Het hof zal het verzoek van de vader tot verlening van vervangende toestemming om met de kinderen binnen het kader van de omgangsregeling op vakantie naar [Land] te gaan derhalve afwijzen omdat dit niet in het belang van de kinderen kan worden geacht.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Van Dijk en Van de Poll, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2009.