Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1568

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
200.017.856.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag na scheiding: in de geval lopen de kinderen bij voortzetting daarvan een onaanvaardbaar risico. De kinderen ervaren de situatie als zeer belastend en de ouders weten daar niet eensgezind mee om te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 september 2009

Zaaknummer : 200.017.856.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-5128

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. B.C.V.J. van Leur, kantoorhoudende te Delft,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.H.C. Morshuis, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende is aangemerkt:

1. Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoor houdende te ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 30 september 2008 in beroep gekomen van een beschikking van 2 juli 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 23 december 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 14 oktober 2008 en 10 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 10 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Jeugdzorg heeft op 7 juli 2009 een schriftelijke reactie ingediend.

De Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie

’s-Gravenhage (hierna: de raad), heeft bij brief van 3 juli 2009, ingekomen bij het hof op 6 juli 2009, laten weten ter terechtzitting aanwezig te zullen zijn.

Op 10 juli 2009 is van de zijde van de raad de raadsrapportage van 7 februari 2008 ingekomen.

Op 15 juli 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de heer O. Ente namens de raad en de heer A.F. Haitjema, de gezinsvoogd, namens Jeugdzorg. De verschenen betrokkenen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de ter terechtzitting overgelegde pleitnotities. De hierna nader te noemen minderjarigen [Kind 1], [Kind 2] en [Kind 3] zijn in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het gezamenlijk gezag over de na te noemen minderjarigen beëindigd en bepaald dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over:

[Naam kind 1], geboren [in] [1993] te [geboorteplaats], hierna: [Kind 1],

[Naam kind 2], geboren [in] [1997] te [geboorteplaats], hierna: [Kind 2] en

[Naam kind 3], geboren [in] [1997] te [geboorteplaats], hierna: [Kind 3],

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag, de omgang en het informatie- en consultatierecht ten aanzien van de minderjarigen voornoemd.

2. De moeder verzoekt het hof:

primair:

1.te vernietigen de beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 2008 (het hof leest: 2 juli 2008);

2.het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk gezag in éénhoofdig gezag alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen (het hof leest: de vader alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag in éénhoofdig gezag, dan wel dat verzoek af te wijzen);

3.alsnog het verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling toe te wijzen;

4.deze beschikking uitvoerbaar te verklaren bij voorraad voor zover rechtens mogelijk;

subsidiair:

te bepalen dat de vader op grond van artikel 1: 377b van het Burgerlijk Wetboek de moeder op de hoogte stelt omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de drie kinderen zoals kwesties als schoolkeuze, leerprestaties, beroepskeuze of belangrijke zaken op medisch of financieel gebied en de moeder raadpleegt - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen alsmede 4 keer per jaar een goed gelijkende (school-) foto van de drie kinderen aan de moeder toestuurt.

3. De vader verzoekt het hof de grieven van de moeder ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in de proceskosten (het hof leest: de kosten van het geding in hoger beroep).

4. De moeder is van mening dat de rechtbank ten onrechte de vader alleen met het ouderlijk gezag heeft belast en ten onrechte haar verzoek om een omgangsregeling tussen haar en de kinderen vast te stellen, heeft afgewezen. Zij is van mening dat de communicatieproblemen tussen haar en de vader niet zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Voorts stelt zij dat zij enige tijd psychische problemen heeft gehad maar dat het nu veel beter met haar gaat en dat zij het afgelopen jaar heeft laten zien dat zij kan handelen in het belang van de kinderen.

Met betrekking tot een omgangsregeling stelt de moeder dat de vader en Jeugdzorg niet hebben bijgedragen aan de verbetering van de omgang en het contact tussen haar en de kinderen. Bij de beoordeling door de rechtbank is naar haar mening in het geheel geen rekening gehouden met haar zienswijze als omgangsgerechtigde ouder en zijn haar belangen onvoldoende beschermd. De moeder deelt de mening van de raad dat contactherstel nodig is omdat de kinderen voor een goede ontwikkeling hun moeder op de een of andere manier nodig zullen (gaan) hebben. Zij benadrukt dat zij niets wil afdwingen bij de kinderen maar zich zal neerleggen bij de wens van de kinderen.

5. De vader is van mening dat de rechtbank zijn verzoek om alleen met het ouderlijk gezag over de kinderen belast te worden terecht heeft toegewezen. De rechtbank heeft volgens hem terecht vastgesteld dat de communicatieproblemen tussen hem en de moeder zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Hij stelt dat de kinderen veel hebben geleden onder de psychische problemen van de moeder en hierdoor een dusdanige weerzin tegen de moeder hebben ontwikkeld dat hun belangen zich verzetten tegen omgang met de moeder. De kinderen hebben laten weten geen prijs te stellen op omgang met de moeder, omdat dit spanningen en onrust met zich brengt.

Gezag

6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt. Voorwaarde hiervoor is dat er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de verhouding tussen de moeder en de vader als gevolg van de relationele problemen tussen hen ernstig is verstoord, waardoor van communicatie of enige vorm van ouderlijke samenwerking tussen de vader en de moeder op dit moment geen sprake is. De kinderen wijzen contact met de moeder af. De wens van de moeder om via het gezag toch grip te houden op de kinderen is begrijpelijk, doch in dit geval ook zeer belastend, omdat de ouders hier niet eensgezind mee om weten te gaan. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de communicatieproblemen tussen de vader en de moeder van dien aard zijn dat er bij gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen hen. Ook is gebleken dat niet te verwachten is dat in de verhouding tussen de vader en de moeder binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. Het hof is daarnaast van mening dat er op dit moment rust moet komen binnen het gezin van de vader, hetgeen in het belang van de kinderen is. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft het gezag dan ook bekrachtigen.

Omgang

7. Het hof stelt voorop dat de moeder ingevolge artikel 1:377a, eerste lid, BW recht heeft op omgang met de kinderen, ongeacht of zij het gezag heeft of niet, tenzij er sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel genoemde uitzonderingen. Deze uitzonderingen doen zich onder andere voor als het kind van twaalf jaar of ouder bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken of omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, alsmede uit het gesprek in raadkamer met de kinderen, is gebleken dat zij als gevolg van de traumatische ervaringen in de voormalige gezinssituatie een dermate grote weerstand hebben tegen omgang met de moeder dat het op dit moment, mede gelet op hetgeen omtrent het verleden naar voren is gekomen, in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen wordt geacht een omgangsregeling vast te stellen. De twee jongste kinderen hebben weliswaar nog niet de leeftijd van twaalf jaar, doch wel is gebleken dat deze kinderen in staat kunnen worden geacht tot een redelijke waardering van hun belangen terzake. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de omgang dan ook bekrachtigen.

Informatie- en consultatieregeling

8. Ingevolge artikel 1:377b, tweede lid, BW kan de rechter bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft, indien het belang van het kind zulks vereist. Het eerste lid van dit artikel houdt in een informatie- en consultatieplicht van de met het gezag belaste ouder jegens de ouder die niet met het gezag belast is. Gelet op hetgeen het hof hiervoor in rechtsoverweging 7 heeft overwogen, acht het hof het niet in het belang van de kinderen om de vader een consultatieverplichting op te leggen. Het hof zal derhalve de consultatieverplichting buiten toepassing verklaren.

Tegen de informatieverschaffing naar de moeder zoals de vader dat op dit moment doet, te weten via e-mail, bestaat van de zijde van de vader en de kinderen geen bezwaar. Het hof zal de vader dan ook een beperkte verplichting tot informatieverschaffing opleggen, in de zin dat hij de moeder blijft informeren over de kinderen op de wijze zoals hij dat momenteel doet.

Kosten van het geding in hoger beroep

9. Het door de vader gedane verzoek tot veroordeling van de moeder in de kosten van het geding in hoger beroep wijst het hof af. In zaken met een familierechtelijk karakter, zoals de onderhavige, is compensatie van proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, gebruik. Het hof ziet in de stellingen van de vader geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Het verzoek van de vader zal derhalve worden afgewezen.

10. Het hof beslist, gelet op het hiervoor overwogene, als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat de vader de moeder zal informeren omtrent de kinderen zoals hij dat momenteel doet, te weten: via e-mail;

verklaart de consultatieverplichting van de vader buiten toepassing;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk, Van de Poll, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2009.