Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1487

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
200.16.276.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzetting uit het gezag - strafrechtelijke veroordeling. Volledige ontkenning van de vastgestelde feiten. Kinderen hebben belang bij erkenning van het gevoel van onrecht dat hen is aangedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 september 2009

Zaaknummer. : 200.016.276.01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 08-1387/ J2 08-751

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H. H. M. de Vries - Veringa, kantoorhoudende te Voorburg,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. K. Lammers - Roselaar, kantoorhoudende te Rotterdam.

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 16 september 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 juni 2008 van de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 28 november 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 30 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 9 juli 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door mr. M. Hoogerduyn namens haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, namens de raad de heer J. Kühn en namens Jeugdzorg mevrouw A. Van Seventer, de heer L. Luchtenberg en mevrouw Öztem. De aanwezigen, behoudens mevrouw Öztem, hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder ontzet uit het ouderlijk gezag over na te noemen minderjarigen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]. Voorts zijn de minderjarigen voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Bij beschikking van 3 juli 2008 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken. Ingevolge de bestreden beschikking is de vader thans alleen met het ouderlijk gezag belast.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontzetting van het gezag van de moeder over de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [1996] te [geboorteplaats], hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] en

[minderjarige 2], geboren op [2000] te [geboorteplaats] hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2], hierna tevens gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende - naar het hof begrijpt voor zover het de ontzetting uit het ouderlijk gezag over de kinderen betreft - te bepalen dat het verzoek van de raad alsnog wordt afgewezen.

In haar eerste grief stelt de moeder zich op het standpunt dat ten onrechte is bepaald dat zij uit het ouderlijk gezag dient te worden ontzet. De moeder voert aan dat de rapportage en het advies, zoals deze door de raad zijn opgesteld en vervolgens door de rechtbank als uitgangspunt zijn genomen, op een eenzijdige wijze tot stand zijn gekomen. De moeder ontkent de mishandeling van de kinderen ten stelligste. De omstandigheid dat zij strafrechtelijk veroordeeld is, vormt onvoldoende grond om haar uit het ouderlijk gezag te ontzetten, aldus de moeder.

In haar tweede grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een ontzetting uit het ouderlijk gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is, nu deze noodzaak niet is vast komen te staan.

In haar derde grief stelt de moeder dat haar verzoek om een verdergaand onderzoek naar de opvoedingskwaliteiten van de beide ouders ten onrechte is afgewezen. Zij voert aan dat alle omstandigheden die bij de opvoeding van de kinderen van invloed zijn, waaronder ook de pedagogische kwaliteiten van de ouders, bij dit onderzoek in aanmerking zouden moeten worden genomen.

In haar vierde grief klaagt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder haar eigen belang boven het belang van de kinderen plaatst en onvoldoende bij hun belevingswereld stilstaat. Het is de moeder volstrekt onduidelijk waarop de rechtbank deze overweging baseert, nu dit argument geen toegevoegde waarde heeft om vast te stellen of aan de wettelijke vereisten voor de ontzetting van het gezag is voldaan.

3. De raad handhaaft zijn standpunt dat de moeder uit het gezag dient te worden ontzet op grond van misbruik en/of grove verwaarlozing van de verzorging van de minderjarigen. De raad is van mening dat de kinderen hun jeugd tot aan de detentie van de moeder onder zeer ongunstige en beschadigende omstandigheden hebben doorgebracht. De raad heeft geconstateerd dat de moeder ook gedurende haar detentie druk uitoefende op de kinderen en dat zij de feiten waarvoor zij is veroordeeld, ontkent. Hieruit blijkt volgens de raad dat de moeder onvoldoende stil staat bij de belevingswereld van haar kinderen. De raad verwacht dat de ontzetting ertoe zal bijdragen dat de kinderen in hun gevoel erkend worden dat hun in het verleden geweld is aangedaan.

4. De vader verzoekt het hof om bekrachtiging van de bestreden beschikking en het beroep van de moeder hiertegen af te wijzen. Hij wijst erop dat de moeder zich gedurende een periode van ruim vier jaar aan de mishandeling van beide kinderen schuldig heeft gemaakt. Alleen al daarom is voor de ontzetting uit het ouderlijk gezag meer dan voldoende grond, aldus de vader. Het gevaar op herhaling van agressie acht de vader zeer groot, nu de moeder nog steeds geen inzicht heeft in haar handelen en nog altijd niet de ernst van haar handelen inziet.

4. Het hof stelt voorop dat de wetgever het gezag niet onvoorwaardelijk aan een ouder toevertrouwt, maar het beschouwt als een plicht van de ouder om de minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en het lichamelijk welzijn en de veiligheid van de kinderen. Indien daartoe noodzaak bestaat, kan krachtens artikel 1:269 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een ouder van het gezag worden ontzet.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van de moeder welke voldoende grond oplevert om de moeder van het gezag te ontzetten op grond van artikel 1:269 lid 1 sub c onder 2 BW.

Door de kinderen jarenlang stelselmatig te mishandelen en grote psychische druk op hen uit te oefenen, zoals blijkt uit het vonnis in de strafzaak tegen haar, heeft de moeder de verzorging en opvoeding van de kinderen op grove wijze verwaarloosd. De ontzettingsgrond van artikel 1:269 lid 1 sub a BW doet zich eveneens voor. Ter terechtzitting is het hof gebleken dat de moeder objectief gedocumenteerde feiten, waaronder de feiten waarvoor zij onherroepelijk is veroordeeld, blijft ontkennen. Daarmede legt de moeder de verantwoordelijkheid voor hetgeen de kinderen gedurende de betreffende periode hebben meegemaakt volledig buiten zichzelf. Voor het hof is voldoende komen vast te staan dat de moeder door haar handelen en opstelling op een ernstige wijze van haar gezag misbruik heeft gemaakt. Het hof acht de ontzetting van het gezag voorts in het belang van de kinderen noodzakelijk, teneinde tot uitdrukking te brengen dat zij worden erkend in hun gevoel, dat hun onrecht is aangedaan, temeer daar de moeder alle feiten hardnekkig blijft ontkennen.

Nu vast is komen te staan dat de moeder op goede gronden van het gezag is ontzet en daarmee de eerste twee grieven falen, behoeven de derde en vierde grief van de moeder geen bespreking en zal het hof als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Leuven en Van de Poll, bijgestaan door mr. Blauwhoff en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2009.