Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK1463

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
MHV 200.033.639
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ook in hoger beroep afgewezen.

Het belang dat een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap sneller en op een eenvoudige wijze de Nederlandse nationaliteit van de vader kan verkrijgen dan door (postnatale) erkenning, is geen belang dat wordt beschermd door art. 1:207 BW.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet aangetoond of aannemelijk geworden.

Het met het verzoek beoogde doel, te weten de verkrijging van het Nederlanderschap, kan thans ook op eenvoudige wijze worden bereikt als gevolg van een wijziging van onder meer artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RJH

27 oktober 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: MHV 200.033.639/01

Zaaknummer eerste aanleg: 65230 / FA RK 08-1415

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ´s-Hertogenbosch

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat: mr. F.A.M. te Braake,

tegen de door de rechtbank Middelburg gegeven beschikking van 29 april 2009.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Middelburg van 29 april 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 mei 2009, heeft verzoekster verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [Y.] over de minderjarige [Z.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar].

2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze zaak bij de rechtbank Middelburg van 1 april 2009;

- de brief van de advocaat-generaal bij dit hof van 28 mei 2009, inhoudende zijn conclusie tot verwerping van het beroep van verzoekster;

- de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, van 28 mei 2009 en 16 juli 2009;

- de brief van mr. J.J.J. Jansen, advocaat te [plaatsnaam], van 21 september 2009 in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de hiervoor genoemde minderjarige, inhoudende de ondersteuning van het beroep van verzoekster.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. Bij die gelegenheid zijn na te noemen personen gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer [Y.], zijnde de erkenner van de hiervoor genoemde minderjarige [Z.].

2.3.1. Het hof heeft geconstateerd dat de advocaat-generaal bij dit hof, de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg en mr. J.J.J. Jansen voornoemd, met bericht niet ter zitting zijn verschenen.

3. De beoordeling

3.1. Uit de overgelegde stukken blijkt het volgende.

Verzoekster en de heer [Y.] wonen samen en hebben een affectieve relatie.

Verzoekster heeft de Poolse nationaliteit en de heer [Y.] bezit zowel de Nederlandse als de Joegoslavische nationaliteit.

Uit de affectieve relatie van verzoekster en de heer [Y.] zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.

Het oudste kind is vóór de geboorte door de heer [Y.] erkend en bezit als gevolg daarvan van rechtswege de Nederlandse nationaliteit.

In deze zaak gaat het over het jongste uit die relatie geboren kind, genaamd [Z.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [Z.]).

Vaststaat dat [Z.] naar Nederlands recht na de geboorte door de heer [Y.] is erkend bij akte van 27 maart 2008, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam].

Omdat [Z.] niet vóór zijn geboorte door de heer [Y.] is erkend heeft [Z.] niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verkregen.

Bij de overgelegde brief van 15 april 2008 van de gemeente [gemeentenaam] gericht aan de ouders van [Z.] is ondermeer medegedeeld dat bij de geboorteaangifte van [Z.] ten onrechte de mededeling is gedaan dat [Z.] naast de Poolse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit bezit en dat na een onafgebroken periode van ten minste 3 jaar verzorging en opvoeding een verzoek kan worden ingediend ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit.

3.2. Bij haar op 22 augustus 2008 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediende verzoekschrift heeft verzoekster verzocht om het vaderschap van de heer [Y.] over [Z.] vast te stellen.

3.2.1. De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 5 november 2008 zich onbevoegd verklaard om van voormeld verzoek kennis te nemen en de zaak vervolgens verwezen naar de rechtbank Middelburg.

3.3. Op de in de bestreden beschikking neergelegde rechtsgronden (zie r.o. 3.2.3.), die als hier ingelast dienen te worden beschouwd, is het verzoek van verzoekster tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap afgewezen.

Het beroep van verzoekster richt zich tegen die afwijzing.

3.4. De door verzoekster geformuleerde grieven strekken ertoe te betogen dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek heeft afgewezen tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de heer [Y.] over [Z.].

Die afwijzing brengt aldus verzoekster de ongewenste situatie met zich dat [Z.] niet vanaf zijn geboorte in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en dat als gevolg daarvan [Z.] pas de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen indien is voldaan aan de bepalingen als bedoeld in artikel 6 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

Deze situatie acht verzoekster niet in het belang van [Z.], noch in het belang van haar en de heer [Y.], noch van het oudste uit hun relatie geboren kind, dat wel vanaf zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit.

3.5. Onder meer met verwijzing naar jurisprudentie en de overige aanwezige belangen en meer in het bijzonder het belang van [Z.] heeft de bijzondere curator - kort gezegd - aangevoerd het verzoek tot gerechtelijke vaststelling volledig te steunen.

3.6. Het hof stelt vast dat onbetwist is dat de heer [Y.] de biologische vader is van de door hem erkende [Z.].

Gebleken is dat het door verzoekster ingediende verzoek ex art. 1:207 BW uitsluitend als doel heeft het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit voor [Z.].

3.7. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft beslist tot afwijzing van het verzoek van verzoekster tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de heer [Y.] over [Z.].

In hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar beroep ondermeer verwezen naar diverse jurisprudentie waarin is overwogen dat artikel 1:207 lid 2 onder a BW aan gerechtelijke vaststelling niet in de weg staat in het geval de vader een minderjarige al (postnataal) heeft erkend. Het hof verwerpt de door verzoekster daaraan ontleende argumenten en overweegt daartoe als volgt.

Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat art. 1:207 lid 2 onder a BW buiten toepassing zou moeten blijven.

Het belang dat een kind door de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap sneller en op een eenvoudige wijze de Nederlandse nationaliteit van de vader kan verkrijgen dan door (postnatale) erkenning, is geen belang dat wordt beschermd door art. 1:207 BW.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel nopen.

In dat kader overweegt het hof dat op 1 maart 2009 een wijziging van onder meer artikel 4 van de RWN in werking is getreden, waardoor het met het onderhavige verzoek beoogde doel, te weten de verkrijging van het Nederlanderschap, op eenvoudige en snelle wijze kan worden bereikt.

3.8. Voorts hebben verzoekster en de heer [Y.] geen andere bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan moet worden geoordeeld dat ieder van hen, althans [Z.] belang heeft bij een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, dan dat die vaststelling terugwerkt tot de geboorte.

Het hof merkt dit niet aan als een zodanig bijzondere omstandigheid, dat een inbreuk op art. 1:207, lid 2 onder a BW gerechtvaardigd zou zijn.

3.8.1. De omstandigheid dat verzoekster en de heer [Y.] hebben gesteld dat het voor hen van emotioneel belang is dat [Z.] dezelfde nationaliteit heeft als hun oudste kind, is naar het oordeel van het hof evenmin zodanig zwaarwegend dat dit belang behoort te worden beschermd door een inbreuk op het systeem van de afstammingsbepalingen uit het BW.

3.9. Het hof komt op grond van hetgeen hierboven is overwogen tot het oordeel dat op het hoger beroep van verzoekster behoort te worden beslist op de hierna aangegeven wijze.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Milar en Renckens, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2009.