Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0907

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
105.005.155-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel Ontvanger Belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Uitspraak: 13 oktober 2009

Zaaknummer: 105.005.155/01 (06/943)

Zaaknummer rechtbank: 250082 (HA ZA 05-2914)

Arrest van de eerste civiele kamer

gewezen in de zaak van:

[Naam],

wonende te ‘s-Gravenhage,

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek te Leiderdorp,

tegen:

de Ontvanger van de Belastingdienst Holland-Midden,

kantoor houdend te Leiden,

geïntimeerde,

hierna: de Ontvanger,

advocaat: mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 22 juni 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 29 maart 2006, door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Ontvanger heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden en gevorderd het bestreden vonnis te bekrachtigen en het arrest van het hof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tot slot heeft alleen de Ontvanger een kopie van zijn procesdossier aan het hof overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

uitgangspunten

1. In hoger beroep kan van de onder 2 in het vonnis vastgestelde feiten worden uitgegaan nu hiertegen geen concrete grieven zijn gericht.

2. Het gaat in deze zaak om de vraag, kort weergegeven, of het verzet van [appellant] tegen de executie van de dwangbevelen met betrekking tot de aan hem opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting (de aanslagen) over 1993, 1995 en 1999 gegrond is.

3. De rechtbank heeft, voor zover thans nog van belang, over de vordering van [appellant] in conventie geoordeeld dat het verzet tegen de executie van de aanslagen over 1993, 1995 en 1999 ongegrond is, en over de vordering van de Ontvanger in reconventie dat [appellant] dient te dulden dat de Ontvanger de betrokken dwangbevelen ten uitvoer legt.

4. De rechtbank heeft deze beslissingen op de volgende overwegingen gegrond:

a. er bestaat geen aanleiding om de executie van de dwangbevelen met betrekking tot de aanslagen over 1993, 1995 en 1999 en mogelijk toekomstige dwangbevelen over aanslagen tot en met 2001 te schorsen, nu [appellant] het gemotiveerde verweer van de Ontvanger hiertegen niet heeft bestreden (4.6);

b. de vordering in reconventie om te dulden dat de Ontvanger de betrokken dwangbevelen ten uitvoer legt, is toewijsbaar nu [appellant] hiertegen geen verweer heeft gevoerd (4.7).

beoordeling grieven en weren

5. Bij de beoordeling van het verzet is de rechtbank onder 4.2 terecht ervan uitgegaan dat het verzet dient te worden getoetst naar de maatstaven van artikel 17 van de Invorderingswet 1990 (Invorderingswet).

6. De eerste grief is gericht tegen de vaststelling van de rechtbank onder 4.3 dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat het dwangbevel met betrekking tot de aanslag over 1999 ten onrechte is uitgevaardigd daar deze aanslag volledig is betaald.

Volgens [appellant] is deze weergave van zijn standpunt onjuist. De aanslag over 1999 is niet betaald. Over deze aanslag liep een mediationtraject en een procedure bij de belastingkamer van het hof. Het verzet is bedoeld om de dwanginvordering over de aanslag te schorsen. De onjuiste vaststelling van de rechtbank heeft gevolgen (gehad) voor haar oordeel onder 4.6.

7. De tweede grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank onder 4.6 dat [appellant] als gronden van het verzet heeft gesteld dat een dwangbevel (over 1999) ten onrechte is uitgebracht en dat twee aanslagen nog door de Inspecteur moeten worden beoordeeld (over 1996 en 2000).

In zijn toelichting op de grieven heeft [appellant], naar het hof begrijpt, de volgende standpunten ingenomen:

a. De rechtbank heeft de gronden van het verzet niet goed begrepen. De rechtbank heeft niet onderkend dat er met betrekking tot de aanslag over 1999 een gerechtelijke procedure liep, terwijl er ook sprake van mediation was. Op grond van de Leidraad Invordering 1990 (de Leidraad) dient in dat geval automatisch uitstel van betaling te worden verleend. Bovendien ligt een verzoek om uitstel besloten in de bezwaren die [appellant] tegen de aanslag had aangevoerd. Ook uit het verzet is af te leiden dat [appellant] de andersluidende opvatting van de Ontvanger niet deelde. Over de stelling dat uitstel van betaling had moeten worden verleend, heeft de rechtbank echter niets overwogen. Het vonnis is daarom niet inzichtelijk, zodat het dient te worden vernietigd.

b. Ook de aanslag over 1995 was nog in geschil. In het kader van de mediation had [appellant] zijn bezwaren hiertegen aan de orde gesteld. Verder heeft hij in verband met deze aanslag gesteld dat de betaling voor de aanslag over 2000 van € 20.000 als depot dient te worden gezien voor de betaling van (het restant van) de aanslag over 1993 en voor de aanslag over 1995, nu tegen de vaststelling van de aanslag over 2000 beroep was ingesteld. Ook met betrekking tot de aanslag over 2000 geldt dat de post onderhanden werk ongemotiveerd was gecorrigeerd. Voor het jaar 2000 had daarom eveneens uitstel van betaling moeten worden verleend en de betaling van € 20.000 had in dat geval moeten worden afgeboekt op (de restanten van) de aanslagen over 1993 en 1995.

8. De Ontvanger heeft tegenover de grieven, samengevat en voor zover van belang, het volgende verweer gevoerd:

a. [appellant] heeft in hoger beroep terecht naar voren gebracht dat de aanslag over 1999 nog niet (volledig) is betaald, zij het dat hij de rechtbank zelf in de inleidende dagvaarding op het verkeerde been heeft gezet. Op dit moment is [appellant] uit hoofde van de aanslag in de inkomstenbelasting over 1999 nog € 15.215 verschuldigd. Het verzet tegen de executie van het betrokken dwangbevel is echter ongegrond, nu de Ontvanger hem overeenkomstig het beleid, zoals verwoord in de Leidraad, voor de betaling van deze aanslag geen uitstel van betaling heeft verleend. Uit de Leidraad blijkt dat de Ontvanger voorwaarden kan stellen aan een verzoek om uitstel van betaling. In dit geval heeft de Ontvanger in zijn brief aan [appellant] van 17 mei 2004 als voorwaarde gesteld dat hij nadere gegevens diende te verschaffen en duidelijkheid over de door hem bestreden bedragen. [appellant] heeft de gevraagde stukken en duidelijkheid echter niet verschaft en evenmin zekerheid gesteld, waarna de Ontvanger het verzoek om uitstel heeft afgewezen. De mediation is mislukt, zoals in eerste aanleg nader uiteen is gezet.

b. De aanslag over 1995 staat onherroepelijk vast. Bovendien bepaalt artikel 17, derde lid Invorderingswet dat het verzet niet kan zijn gegrond op de stelling dat een aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

c. De aanslag over 2000 staat eveneens onherroepelijk vast. Deze aanslag is door [appellant] betaald, zij het dat hij eigenlijk € 81 te weinig heeft betaald.

9. De grieven van [appellant] falen. Uit het verweer van de Ontvanger blijkt dat aan [appellant] in overeenstemming met het geldende beleid geen uitstel van betaling is verleend voor de aanslagen over 1993, 1995 en 1999.

[appellant] heeft in eerste aanleg niet betwist dat de aanslag over 1993 onherroepelijk vaststaat en hij heeft geen grief gericht tegen het gelijkluidende oordeel van de rechtbank onder 4.4 met betrekking tot de aanslag over 1995.

Verder heeft [appellant] niet de reeds in eerste aanleg naar voren gebrachte stelling van de Ontvanger betwist dat hij niet (tijdig) de door de Ontvanger gevraagde gegevens en duidelijkheid met betrekking tot de aanslag over 1999 heeft verstrekt.

Onder deze omstandigheden was de Ontvanger niet gehouden om uitstel van betaling te verlenen. Aan de overeenkomstig de Leidraad gestelde voorwaarden heeft [appellant] niet voldaan, terwijl onweersproken vast staat dat hij evenmin de in het kader van de mediation gemaakte afspraken is nagekomen.

Tot slot geldt dat de Ontvanger onder de gegeven omstandigheden niet gehouden was om de betaling van € 20.000 voor de aanslag over 2000 af te boeken op de nog openstaande bedragen van de aanslagen over 1993 en 1995.

10. In hetgeen partijen in deze procedure over en weer naar voren hebben gebracht, ziet het hof aanleiding om het verzoek van de Ontvanger om dit arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, te honoreren.

slotsom

11. Uit de voorgaande rechtsoverwegingen vloeit voort dat de grieven ongegrond zijn en dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

12. [appellant] zal de kosten van het geding in hoger beroep hebben te dragen, nu hij in zijn beroep in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

Het gerechtshof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger vastgesteld op € 1.190;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan - de Sonnaville, J. Kramer en J.C.N.B. Kaal, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2009 in het bijzijn van de griffier.