Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0891

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
200.024.333-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurzaak; toewijsbaarheid vordering tot betaling van toekomstige, nog niet vervallen huurtermijnen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 290
Faillissementswet
Faillissementswet 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/822
JHV 2010/61 met annotatie van Mr. Harry Ferment
WR 2010, 9

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.024.333/01

Rolnummer rechtbank : 796434 \ CVEXPL 08-7617

arrest van de negende civiele kamer d.d. 20 oktober 2009

inzake

[appellante],

gevestigd te Lisserbroek, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. W.G.M. Nannings te Leiden,

tegen

Villa Happ Real Estate B.V.,

gevestigd te Helvoirt, gemeente Haren,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Villa Happ,

in hoger beroep niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 29 januari 2009 is [appellante] als oorspronkelijk eiser in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden tussen partijen bij verstek gewezen vonnis van 29 oktober 2008. Tegen Villa Happ is ook in hoger beroep verstek verleend. Bij memorie van grieven heeft [appellante] één grief aangevoerd. Vervolgens heeft [appellante] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 Het gaat in deze zaak – voorzover in hoger beroep nog van belang – om het volgende.

1.2 Bij huurovereenkomst, gedateerd 22 augustus 2007 heeft Villa Happ (destijds onder de handelsnaam Toco B.V.) gehuurd van Locator B.V. (rechtsvoorgangster van [appellante]) de bedrijfsruimte, plaatselijk bekend [straat] te Lisse (hierna: het gehuurde). Het gehuurde betreft bedrijfsruimte in de zin van artikel 7: 290 BW. Op de huurovereenkomst zijn de “Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7: 290 BW” van toepassing.

1.3 De huurprijs bedraagt thans € 2.962,60 per maand inclusief BTW, en is op grond van het bepaalde in artikel 4.10 van de huurovereenkomst maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigd.

1.4 Artikel 18.2 van de toepasselijke Algemene Bepalingen bepaalt:

“Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,- per maand.”

1.5 [appellante] heeft de huur over de maanden augustus tot en met oktober 2008, ondanks verzoeken tot betaling van de kant van [appellante], onbetaald gelaten.

1.6 [appellante] heeft Villa Happ op 14 oktober 2008 gedagvaard en gevorderd veroordeling van Villa Happ tot betaling van een bedrag van € 8.887,80 (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente) aan huur over de maanden augustus tot en met oktober 2008, € 900,- aan verbeurde contractuele boete, € 4.359,38 aan nog verschuldigde bankgarantie en € 904,- aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede veroordeling van Villa Happ om maandelijks met ingang van 1 november 2008 aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 2.962,60, althans zodanig bedrag als de huur op grond van het tussen partijen bestaande contract maandelijks zal bedragen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf iedere vervaldag van de huur tot aan de dag van voldoening.

1.7 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] tot betaling van de inmiddels vervallen huurtermijnen, de wettelijke handelsrente daarover, de bankgarantie en de verbeurde contractuele boete bij verstek toegewezen, alsmede de tot € 800,- gematigde buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde veroordeling om maandelijks met ingang van 1 november 2008 aan [appellante] de huur te voldoen (de na het vonnis te vervallen huurtermijnen) is door de kantonrechter afgewezen.

1.8 Na betekening van het vonnis heeft Villa Happ voldaan aan hetgeen bij het bestreden vonnis is toegewezen, maar de huur vanaf 1 november 2008 is ondanks herhaalde sommaties weer onbetaald gelaten.

2.1 Tegen het vonnis van de kantonrechter komt [appellante] op met één grief, die zich richt tegen de afwijzing van haar vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen met ingang van 1 november 2008. Nu [appellante] de tussen partijen geldende huurovereenkomst heeft overgelegd, waaruit blijkt dat maandelijks € 2.962,60 inclusief BTW aan huur is verschuldigd, steeds bij vooruitbetaling, is onbegrijpelijk dat de kantonrechter heeft overwogen dat niet vaststaat dat de gevorderde toekomstige huurtermijnen verschuldigd zijn of zullen zijn, aldus [appellante].

3.1 Het hof overweegt als volgt. Voor wat betreft de vraag of toekomstige, nog niet vervallen huurtermijnen als op de dag van faillietverklaring nog toekomstige vorderingen moeten worden beschouwd (met het oog op de toepassing van artikel 23 Fw) heeft de HR overwogen in zijn arrest HR 30-1-1987, NJ 1987, 530:

“Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Het ontstaan van vorderingen als hier bedoeld, die niet geacht kunnen worden hun bestaan reeds te zijn aangevangen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst tot stand kwam, is afhankelijk van toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder in het bijzonder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot, onderscheidenlijk het na de faillietverklaring nog resterende deel van het huurgenot, waarvoor de betreffende termijn de tegenprestatie vormt. Ook in het geval dat het gaat om een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, zoals de tijd van vijf jaren, krachtens art. 1625 BW voorgeschreven voor huur van bedrijfsruimte in de zin van art. 1624 BW, kunnen de vorderingen ter zake van de huurtermijnen niet gelijk worden gesteld met terstond bij het sluiten van een overeenkomst reeds hun bestaan aanvangende vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling of tot terstond vaststaande periodieke betalingen. Een en ander vloeit voort uit de aard van de huurovereenkomst, zoals deze onder meer tot uiting komt in bepalingen als de art. 1584 eerste lid, 1586, 1588, 1589 en 1591 BW.”

Het hof heeft geen aanwijzingen dat voormelde overwegingen van de HR over het tijdstip van ontstaan van toekomstige huurtermijnen zijn beperkt tot het faillissementsrecht, zodat het hof daarvan ook in de onderhavige zaak zal uitgaan. Eén en ander brengt met zich mee, dat de vordering tot betaling met ingang van 1 november 2008 van de huurtermijnen door de kantonrechter op goede gronden is afgewezen, nu op het moment van wijzen van het bestreden vonnis (29 oktober 2008) de termijnen vanaf 1 november 2008 nog niet waren ontstaan en dus artikel 3: 296 BW toepassing mist.

3.2 Het hof begrijpt het petitum vervolgens zó, dat [appellante] in hoger beroep beoogt allereerst de sedert 1 november 2008 feitelijk verschenen huurtermijnen te vorderen en tevens in de toekomst nog te verschijnen huurtermijnen. Bij memorie van grieven heeft [appellante] onweersproken gesteld, dat Villa Happ de huur met ingang van 1 november 2008 onbetaald heeft gelaten. Eén en ander brengt mee, dat de vordering van [appellante] in hoger beroep het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en derhalve gedeeltelijk toewijsbaar is, en wel voorzover de huurtermijnen met ingang van 1 november 2008 zijn vervallen. In concreto gaat het daarbij om de maanden november 2008 tot en met oktober 2009, derhalve twaalf maal € 2.962,60 = € 35.551,20,-. Het voorgaande geldt evenzo ten aanzien van de contractueel overeengekomen boete over genoemde maanden (12 maal € 300,- = 3.600,-) alsmede de wettelijke handelsrente over de vervallen huurtermijnen vanaf iedere vervaldag van de huur. In zoverre slaagt de voorgedragen grief.

3.3 Hoewel [appellante] blijkens het petitum in hoger beroep vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij zijn arrest de vordering van [appellante] tot betaling van de huurtermijnen met ingang van 1 november 2008 zal toewijzen, blijkt uit de memorie van grieven verder niet dat [appellante] vernietiging van het bestreden vonnis, anders dan voorzover haar vordering tot betaling van (toen) toekomstige huurtermijnen daarbij is afgewezen, nastreeft. Het hof zal het petitum dan ook in die beperkte zin opvatten.

3.4 Het bovenoverwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis deels zal worden vernietigd. De vordering van [appellante] zal worden toegewezen als weergegeven onder 3.2. Het hof ziet in het feit dat de vordering van [appellante] – voorzover thans toewijsbaar – ook (opnieuw) bij de kantonrechter had kunnen worden ingesteld in plaats van te kiezen voor de duurdere weg van appel, aanleiding Villa Happ slechts voor 50% te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden van 29 oktober 2008, uitsluitend voorzover daarbij het meer of anders gevorderde is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Villa Happ aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 35.551,20 aan huur over de maanden november 2008 tot en met oktober 2009, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6: 119a BW over de huurtermijnen vanaf iedere vervaldag van de huur tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van € 3.600,- aan contractueel overeengekomen boete van € 300,- per maand;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- veroordeelt Villa Happ in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 203,25 aan verschotten en € 579,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het in eerste aanleg en in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, M.C.M. van Dijk en R.C. Schlingemann en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2009 in aanwezigheid van de griffier.