Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0724

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
22-005929-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM6938, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM6938
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid kantonrechter.

De kantonrechter heeft zich voor een deel onbevoegd verklaard.

Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen van een rechtspersoon, en in elk geval met betrekking tot het al dan niet nakomen van de hier aan de orde zijnde organisatorische verplichtingen, te lokaliseren in haar hoofdzetel, zijnde het zwaartepunt van haar activiteiten. Volgens het handelsregister bevinden zich te Rotterdam zowel de statutaire zetel als de werkelijke zetel van de verdachte - een rechtspersoon -. Mitsdien is de kantonrechter te Rotterdam bevoegd om kennis te nemen van alle tenlastegelegde overtredingen, en moet het vonnis in zoverre worden vernietigd.

Ontvankelijkheid OM in zijn vervolging.

Het hof verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM in zijn vervolging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005929-08

Parketnummer: 10-764059-07

Datum uitspraak: 14 oktober 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van

3 november 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

de besloten vennootschap

[VERDACHTE]

gevestigd te Rotterdam,

[ADRES].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 september 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het oordeel van de kantonrechter terzake van zijn onbevoegdheid en de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onjuist is. Derhalve heeft zij gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, de kantonrechter bevoegd zal worden verklaard terzake van de gehele tenlastelegging en het openbaar ministerie ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging, met terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, teneinde met inachtneming van ’s Hofs arrest verder te worden afgedaan.

Procesgang

In eerste aanleg heeft de kantonrechter de dagvaarding geldig verklaard en zich terzake van een - in het vonnis nader omschreven - deel van het primair en subsidiair tenlastegelegde onbevoegd verklaard en de officier van justitie voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bevoegdheid van de kantonrechter

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – om redenen als nader omschreven in de overgelegde requisitoir-notities - de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam ten onrechte heeft geoordeeld onbevoegd te zijn ten aanzien van een deel van de tenlastegelegde overtredingen.

De raadsman heeft aangevoerd dat het oordeel van de kantonrechter - om de in zijn pleitnota nader omschreven redenen - juist is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 16, eerste lid, van de (thans vervallen) Wet vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart bepaalt, voor zover hier van belang, dat ‘de gezagvoerend schipper en diens werkgever’ verplicht zijn tot naleving van de krachtens artikel 5, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van die wet gestelde regels.

Er zijn dus twee normadressaten. Het openbaar ministerie heeft gekozen voor vervolging van de werkgever, en niet van de gezagvoerend schipper. De verdachte is, blijkens het handelsregister, enig aandeelhouder en bestuurder van [BESLOTEN VENNOOTSCHAP 1] die als doel heeft het detacheren van werknemers. Derhalve kan de verdachte worden aangemerkt als (functioneel/feitelijk) werkgeefster van de bemanning aan boord van haar schepen, voor zover op basis van detachering werkzaam.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij als werkgeefster van gezagvoerend schippers heeft gehandeld in strijd met haar verplichting tot naleving van krachtens artikel 5, eerste lid, onderdeel d, subsidiair onderdeel b, van genoemde wet gestelde regels. Het betreft, kort gezegd, organisatorische verplichtingen (bemanningssterkte en rusttijden met betrekking tot binnenschepen). Naar het oordeel van het hof moeten (en zonder nadeel voor de verdachte ook kunnen) in de slotalinea van de tenlastelegging voor wat betreft het primaire deel, na de woorden ‘aldus heeft gehandeld’ de woorden ‘te Rotterdam en/of elders in Nederland’ uit de tweede alinea worden ingelezen, gelet op de context.

Zoals Haak en De Savornin Lohman leren (Procederen in Rijnvaartzaken, Den Haag: Sdu Uitgevers 2008, p. 38-39), bepaalt artikel 35 van de hier (mede) van toepassing zijnde Akte van Mannheim van 1868 (Herziene Rijnvaartakte) dat ‘uitsluitend maatgevend is (…) het rechtsgebied waar de overtreding is begaan, niet de woonplaats van de verdachte’. De vraag is derhalve waar in het onderhavige geval de overtredingen volgens de tenlastelegging zijn begaan.

Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen van een rechtspersoon, en in elk geval met betrekking tot het al dan niet nakomen van de hier aan de orde zijnde organisatorische verplichtingen, te lokaliseren in haar hoofdzetel, zijnde het zwaartepunt van haar activiteiten. Volgens het handelsregister bevinden zich te Rotterdam zowel de statutaire zetel als de werkelijke zetel van de verdachte – een rechtspersoon -. Mitsdien is de kantonrechter te Rotterdam bevoegd om kennis te nemen van alle tenlastegelegde overtredingen, en moet het vonnis in zoverre worden vernietigd.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Overeenkomstig de overgelegde requisitoir-aantekeningen heeft de advocaat-generaal zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard terzake van de tenlastegelegde overtredingen waartoe de kantonrechter zich wel bevoegd tot kennisneming heeft geacht.

De raadsman heeft - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota - betoogd dat de kantonrechter het openbaar ministerie op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof stelt vast dat er voorafgaand aan het onderzoek van de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) signalen waren dat sprake was van overtreding van de regels omtrent vaartijden en bemanningssterkte door de verdachte. Op grond van deze signalen is de administratie met betrekking tot de periode januari tot en met maart 2006 opgevraagd bij de verdachte.

Naar het oordeel van het hof is de inspectie op grond van deze feiten en omstandigheden terecht overgegaan tot het instellen van een (bestuursrechtelijk) onderzoek op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld of inderdaad de wet niet werd nageleefd. In dat stadium was nog geen sprake van een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld blijkt dat alle stukken uit de administratie met betrekking tot de genoemde periode door de inspectie zijn opgevraagd. Vervolgens is aselect – doch wel rekening houdend met een evenredige vertegenwoordiging van de schepen naar de exploitatiewijze - een aantal schepen uitgezocht voor nader onderzoek. Conform het zogenaamde ‘Plan van Aanpak’ was aanvankelijk het voornemen vijftien schepen uit de vloot nader te onderzoeken. Aan deze groep van te onderzoeken schepen is op een later tijdstip nog het schip [NAAM 1] toegevoegd. Na meer dan vier weken was het onderzoek naar twaalf van de vijftien schepen afgerond en is het onderzoek – dat relatief al erg veel tijd had gekost - wegens tijdgebrek beëindigd, conform punt 5 van het Plan van Aanpak. Op dat moment was er een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering ontstaan. Het nalevingsgedrag van de verdachte met betrekking tot het Besluit vaartijden en bemanningssterkte binnenvaart bleek lager te liggen dan 97 procent, namelijk 92,17 procent, hetgeen op grond van punt 9 van het Plan van Aanpak ertoe kon leiden proces-verbaal op te maken.

Het hof is van oordeel dat op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden geenszins aannemelijk is geworden, zoals is betoogd door de raadsman, dat door de verbalisanten bewust op een hoger percentage overtredingen is afgekoerst zodat strafrechtelijke vervolging van de vennootschap mogelijk zou worden. Het hof acht op grond van het vorenstaande ook niet aannemelijk dat sprake is geweest van willekeur gedurende het onderzoek, dan wel van handelen in strijd met het Plan van Aanpak. Ook is niet gebleken van enige vorm van détournement de pouvoir, zoals door de raadsman is gesteld. Het hof is van oordeel dat de wijze waarop het onderzoek is aangevangen en uitgevoerd geenszins in strijd is met het recht of enig beginsel van een goede procesorde. Overigens is zijdens de raadsman niet gesteld en gelet op het overtredingspercentage van 7,83 procent evenmin aannemelijk, dat een andere – in de visie van de raadsman representatieve – selectie van (15) schepen tot een overtredingspercentage van lager dan 3 procent zou hebben geleid. Ook in dit opzicht treft de grief van de raadsman geen doel.

Voorts overweegt het hof dat de inhoud van het Plan van Aanpak is bedoeld als interne leidraad om sturing te geven aan het onderzoek en een handvat te geven voor het vervolgtraject waarin overtredingen bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijk zullen worden afgedaan. Het Plan van Aanpak is niet in het leven geroepen in het belang van de verdachte, zodat zij zich niet op de niet juiste naleving daarvan kan beroepen ten betoge dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Naar het oordeel van het hof is - gesteld dat er beginselen zouden zijn geschonden - in de onderhavige zaak geen sprake van een ernstige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak, die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vervolging, zodat het vonnis waarvan beroep ook in zoverre vernietigd dient te worden.

Terugwijzing

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat noch de advocaat-generaal, noch de verdachte een behandeling van de hoofdzaak door dit hof wenst, zodat deze zaak teruggewezen dient te worden naar de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam teneinde, met inachtneming van dit arrest, de zaak opnieuw te berechten en af te doen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam bevoegd om van het primair en subsidiair tenlastegelegde kennis te nemen.

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Verwijst de zaak naar de rechtbank, sector kanton, te Rotterdam, teneinde met inachtneming van ’s Hofs arrest de zaak opnieuw te berechten en af te doen.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius,

mr. C.G.M. van Rijnberk en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. F.L.C. Schoolderman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2009.

Dr. G.J. Fleers is buiten staat dit arrest te ondertekenen.