Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0221

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
BK-08/00167
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2457, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 7 Wet IB 1964. Totaalwinstbepaling: kan de waarde van de door belanghebbende kosteloos ontvangen vakliteratuur i.c. tot de kosten van zijn onderneming worden gerekend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 131 met annotatie van vanEs
FutD 2009-2211 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2010/12.13

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00167

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 13 oktober 2009

op het hoger beroep [X], wonende te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 maart 2008, nr. AWB 06/6897 IB/PVV, betreffende de na te noemen aan hem opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en uitspraak op het bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 112.474.

1.2. De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond (hierna: de Inspecteur) heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2006 het tegen de aanslag door belanghebbende ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij voormelde uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

2.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 1 september 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is werkzaam in dienstbetrekking als docent belastingrecht; daarnaast is hij zelfstandig gevestigd belastingadviseur. Door uitgeverijen worden uit zakelijke overwegingen aan belanghebbende, in zijn hoedanigheid van docent regelmatig, ongevraagd en kosteloos boeken en periodieken verstrekt. Deze boeken en periodieken worden door belanghebbende onder meer gebruikt bij zijn werkzaamheden als docent belastingrecht.

3.2. Een deel van de ontvangen boeken en periodieken (hierna: de vakliteratuur), waarvan belanghebbende stelt dat die nauwelijks een functie hebben in het kader van het door hem te geven onderwijs, doch die wel een functie vervullen bij zijn werkzaamheden als belastingadviseur worden door belanghebbende verantwoord als kosten van de onderneming. Daarmee is een bedrag gemoeid van ƒ 4.350. Dit bedrag is als volgt samengesteld: Vakstudienieuws ƒ 1.600, Cursus Belastingrecht ƒ 1.250, BNB ƒ 800, WFR en BTW Brief ƒ 400, en Leidraad bij de belastingstudie ƒ 300. Partijen zijn het erover eens dat in het kader van de beslechting van onderhavig geschil ervan kan worden uitgegaan dat de vakliteratuur voor vijftig percent wordt gebruikt in het kader van belanghebbendes dienstbetrekking en voor vijftig percent in het kader van belanghebbendes onderneming.

3.3. Belanghebbende heeft een voor het onderhavige jaar een belastbaar inkomen aangegeven van ƒ 108.124. De Inspecteur heeft voormeld bedrag van ƒ 4.350 niet in aftrek aanvaard en het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 112.474.

Omschrijving van het geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of de waarde van door belanghebbende kosteloos ontvangen vakliteratuur tot de kosten van belanghebbendes onderneming kunnen worden gerekend, hetgeen belanghebbende stelt, doch de Inspecteur bestrijdt.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag dient te worden verminderd met ƒ 4.350 en concludeert tot een vaststelling van het belastbare inkomen op ƒ 108.124.

4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

4.4. Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1. Vaststaat dat de vakliteratuur voor vijftig percent door belanghebbende in zijn onderneming wordt gebruikt. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of belanghebbende een - fictieve- gebruiksvergoeding ter zake van gebruik van de vakliteratuur in het kader van zijn onderneming ten laste van het resultaat uit onderneming kan brengen.

5.2. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet IB 1964) staat het de ondernemer vrij binnen de grenzen der redelijkheid zelf te bepalen welke vermogensbestanddelen hij tot zijn ondernemingsvermogen wil rekenen. Belanghebbende heeft naar de mening van het Hof de grenzen der redelijkheid niet overschreden door de vakliteratuur niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen.

5.3. Onder de Wet IB 1964 geldt op grond van artikel 6 als uitgangspunt dat als winst uit onderneming alleen voordelen worden belast die worden verkregen uit onderneming. De Wet inkomstenbelasting 2001 heeft hierin geen verandering gebracht. Op grond hiervan dient bij de winstbepaling in beginsel een - fictieve - gebruiksvergoeding in aftrek te worden gebracht op het resultaat van de onderneming met betrekking tot een vermogensbestanddeel dat behoort tot het privé-vermogen maar dat in de onderneming wordt gebruikt. Op deze wijze wordt de (totale) winst in beginsel juist berekend. De hoogte van deze vergoeding dient te worden gesteld op het bedrag dat door een derde in rekening zou worden gebracht.

5.4. In de zogenoemde kostenarresten (HR 12 februari 1959, BNB 1959/116; HR 10 december 1958, BNB 1959/51, HR 18 november 1959, BNB 1959/386) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen fictieve kostenvergoeding ten laste van de winst kan worden gebracht indien in geval van een niet-zakelijke verhouding tussen ondernemer en familieleden een heffingslek zou ontstaan als gevolg van het in aanmerking nemen van een fictieve kostenpost. Een dergelijk heffingslek ontstaat als bij het familielid het reële stelsel van toepassing is met betrekking tot de voor de inkomstenbelasting in aanmerking te nemen inkomsten die staan tegenover de kosten die in de onderneming in aftrek zouden kunnen worden gebracht. In de zogenoemde informeel kapitaalarresten (HR 8 juli 1986, BNB 1986/293-297) is eveneens op eerdervermeld uitgangspunt, ter voorkoming van een heffingslek, een inbreuk gemaakt met betrekking tot de fictieve kostenaftrek van vennootschappen en is geoordeeld dat de correctie van de winst op grond van niet-zakelijke verhoudingen tussen aandeelhouder en vennootschap alleen wordt aanvaard indien een corresponderende heffing bij de aandeelhouder-natuurlijk persoon kan plaatsvinden.

5.5. Voor de vraag of en tot welk bedrag de winstcorrectie kan plaatsvinden gaat deze rechtspraak uit van de positie van de gelieerde derde persoon: alleen als de bate bij hem kan worden belast, wordt aftrek van de winst aanvaard. In het onderhavige geval rijst de vraag of deze benadering ook gevolgd dient te worden als er geen bate belast kan worden bij een derde maar bij de belastingplichtige zelf.

5.6. Dienaangaande verdient opmerking dat de bepalingen van de Wet IB 1964, meer in het bijzonder de artikelen 21, 26, lid 1, onderdeel a en 35, in casu er niet in voorzien dat belastingheffing bij de belastingplichtige zelf kan plaatsvinden ter zake van de door hem in aanmerking genomen en ten laste van de winst van de onderneming gebrachte gebruikersvergoeding. Onverkorte toepassing van de hoofdregel zou er dan toe leiden dat hetgeen in de inkomstenverwervende sfeer kosteloos wordt verkregen en onbelast is gebleven, bij gebruik in de onderneming zou leiden tot een fictieve kostenpost. Naar het oordeel van het Hof zou daarmee in strijd worden gekomen met doel en strekking van de totaalwinstgedachte en ligt het in lijn met eerdervermelde jurisprudentie een inbreuk te maken op de hoofdregel: geen aftrek van fictieve kosten derhalve als geen compenserende heffing in de inkomstenbelasting kan plaatsvinden.

5.7. Gelet op het vorenoverwogene moet de conclusie zijn dat belanghebbende geen - fictieve - gebruiksvergoeding ter zake van de vakliteratuur ten laste van het resultaat uit onderneming kan brengen. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.J.J. Engel en S.A.W.J. Strik, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 13 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.