Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ9296

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
200.008.418-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot nakoming door Humanitas van een overeenkomst tot zorgverlening afgewezen wegens aanhoudende bedreigingen en verbaal geweld door cliënt. Zorgovereenkomst. Artikel 7:460 BW. Vervolg op LJN BD8855.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 460
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2009/132

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 200.008.418/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: 307125 / KG ZA 08-437

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 7 juli 2009

inzake

[R],

wonende te Rotterdam,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [R],

advocaat: mr. E.J. Krijgsman te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting Stichting Humanitas Thuiszorg en Maatschappelijke Dienstverlening Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Humanitas,

advocaat: mr. L.M. Bruins te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij dagvaarding van 18 juni 2008, hersteld bij exploot van 9 juli 2008, is [R] in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2008, gewezen tussen [R] als eiser en Humanitas als gedaagde. Bij memorie van grieven heeft [R] zes grieven tegen het vonnis aangevoerd. Humanitas heeft bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel (met acht producties) de grieven bestreden, waarbij zij tevens incidenteel heeft geappelleerd. [R] heeft het incidenteel appel bij memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte uitlating producties bestreden. Vervolgens heeft Humanitas bij akte houdende intrekking producties de door haar bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel overgelegde producties III en IV ingetrokken. Tenslotte hebben partijen de procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.9 van haar vonnis vastgestelde feiten, nu daartegen in hoger beroep geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht.

2. Het gaat in dit kort geding, kort en zakelijk samengevat, om het volgende. [R] heeft op 11 april 2008 met Humanitas een overeenkomst dienstverlening gesloten voor onbepaalde tijd, waarbij Humanitas zich verplicht heeft tot het bieden van verzorging en verpleging aan [R] voor een aantal uren per week. Deze verzorging en verpleging hield met name in het aan- en afdoen van manchetten voor de compressietherapie en het zwachtelen van de benen van [R]. Op 24 april 2008 heeft Humanitas schriftelijk aan [R] laten weten de zorgverlening voorlopig stop te zetten, in verband met bedreigingen door [R] van medewerkers van Humanitas en het ontbreken van een (voor het zwachtelen van de benen van [R] noodzakelijk) hoog/laag bed. Overleg tussen partijen heeft niet tot een oplossing geleid, waarna [R] Humanitas heeft gedagvaard in kort geding tot het hervatten van de zorgverlening op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat voldoende aannemelijk was geworden dat [R] zich op 18 en 23 april 2008 telefonisch agressief heeft opgesteld naar medewerkers van Humanitas toe en daarnaast medewerkers van Humanitas heeft lastig gevallen door voortdurend te bellen, welk gedrag van [R] niet door de beugel kan. Gelet echter op het zwaarwegende gezondheidsbelang van [R] en het op korte termijn ontbreken van een andere zorgaanbieder, heeft de voorzieningenrechter Humanitas veroordeeld tot hervatting van de zorgverlening, waarbij zij uitdrukkelijk heeft vermeld dat [R] zich in de toekomst zal onthouden van bedreigingen in welke vorm dan ook en dat Humanitas binnen de zorgovereenkomst als de deskundige op het gebied van de aangeboden zorg dient te gelden, ook als dit – gedurende de tijd dat [R] nog geen hoog/laag bed tot zijn beschikking heeft – inhoudt dat de zorg zich beperkt tot het om- en afdoen van de manchetten. De voorzieningenrechter heeft de gevorderde dwangsom afgewezen.

3. Grief 1 in het principaal appel voegt aan de door de rechtbank vastgestelde feiten toe dat tussen partijen eveneens vast staat dat de overeengekomen zorg bestaat uit het zwachtelen van de benen en opleggen van de manchetten om de benen van [R]. Nu Humanitas dit niet heeft betwist, gaat het hof hiervan uit. In dit kader merkt het hof echter op dat, anders dan in de memorie van grieven kennelijk tot uitgangspunt wordt genomen, het enkele feit dat het zwachtelen van de benen van [R] behoort tot de overeengekomen werkzaamheden nog niet meebrengt dat Humanitas deze werkzaamheden ingevolge het vonnis van de voorzieningenrechter onder alle omstandigheden diende te hervatten. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.5 van haar vonnis uitdrukkelijk vermeld dat de door Humanitas te bieden zorg gedurende de tijd dat [R] nog geen hoog/laag bed tot zijn beschikking had kon inhouden dat de zorg zich beperkte tot het om- en afdoen van manchetten.

4. Het hof zal thans eerst het incidenteel appel bespreken, nu dit de verste strekking heeft.

5. Humanitas heeft incidenteel appel ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, waarbij zij heeft gevorderd het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam te vernietigen voor zover Humanitas is opgedragen om de zorg aan [R] te hervatten, met veroordeling van [R] in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Zij voert hiervoor aan dat [R] zich nog immer niet onthoudt van bedreigingen en verbaal geweld ten opzichte van zowel medewerkers van Humanitas als betrokken derden, hetgeen door de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.5 van het vonnis als voorwaarde is gesteld om de zorg aan [R] te hervatten doch ten onrechte niet als restrictie in het dictum is opgenomen. Met betrekking tot de gestelde bedreigingen en het verbaal geweld sluit Humanitas, naar het hof begrijpt, aan bij hetgeen zij eerder in haar memorie (in het kader van de bespreking van de principale grieven II en III) heeft aangevoerd op dit punt, namelijk dat [R] na het vonnis van de rechtbank onder meer bedreigingen heeft geuit aan het adres van de directeur van Humanitas, de heer drs. [K], die hij tijden achtereen gedurende de avond en nacht anoniem op zijn huisadres heeft opgebeld, dat [R] de advocaat van Humanitas en haar echtgenoot diverse malen telefonisch heeft lastiggevallen en bedreigd, en dat hij ook medewerkers van Humanitas telefonisch is blijven bedreigen, laatstelijk op 9 oktober 2008 (hof: de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van Humanitas dateert van 15 oktober 2008).

6. [R] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel tevens akte uitlating producties aangevoerd dat Humanitas niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidenteel appel, aangezien zij geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft aangedragen. Dit verweer wordt verworpen, nu grieven ook impliciet kunnen worden voorgedragen. Uit de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van Humanitas blijkt duidelijk (hetgeen ook voor [R] redelijkerwijs duidelijk moest zijn en gelet op het nemen van een memorie van antwoord in incidenteel appel kennelijk ook is geweest) dat Humanitas incidenteel appelleerde van het vonnis, en wel - zoals Humanitas uitdrukkelijk heeft vermeld - op de grond dat [R] ook na het vonnis van de voorzieningenrechter door is gegaan met zijn bedreigingen en verbaal geweld ten opzichte van zowel medewerkers van Humanitas als betrokken derden.

7. Het hof is van oordeel dat het incidenteel appel slaagt. De rechtbank heeft bij de toewijzing van de vordering van [R] in rechtsoverweging 4.5 van haar vonnis terecht een duidelijke waarschuwing aan [R] gegeven dat hij zich in de toekomst zou dienen te onthouden van bedreigingen in welke vorm ook. [R] heeft de door Humanitas in het kader van haar incidenteel appel gestelde bedreigingen, die dateren van na het vonnis van de voorzieningenrechter, op geen enkele wijze weersproken, zodat het hof daarvan uit gaat. In dat licht is het hof van oordeel dat de vordering van [R] tot veroordeling van Humanitas tot hervatting van de overeengekomen zorg thans alsnog moet worden afgewezen. Gelet op het feit dat [R] ook na het vonnis van de voorzieningenrechter structureel is doorgegaan met zijn bedreigingen, en niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat dit gedrag om psychische of andere zwaarwegende redenen niet aan [R] kan worden toegerekend, mag Humanitas de zorgverlening aan [R] in redelijkheid stopzetten.

8. Het hof tekent hierbij nog het volgende aan. De behoefte aan zorg van [R] en zijn gezondheidsbelang is evident. [R] heeft het echter zelf door zijn bedreigingen en verbaal geweld voor Humanitas als zorgverlener onmogelijk gemaakt om binnen een - voor zowel [R] als de zorgverlener(s) noodzakelijke - veilige hulpverleningssituatie hulp te bieden. [R] dient zich te realiseren dat Humanitas aan de door haar geboden zorgverlening redelijkerwijs de eis mag stellen dat [R] zich onthoudt van bedreigingen en verbaal geweld. Dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten waarbij Humanitas zich jegens [R] tot zorgverlening heeft verplicht, maakt dit niet anders.

9. Het bovenstaande betekent dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter zal vernietigen, en de vordering alsnog zal afwijzen. De principale grieven behoeven geen bespreking meer. [R] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal en incidenteel hoger beroep. Gelet op het feit dat de beslissing van het hof grotendeels is gegrond op omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het vonnis van de voorzieningenrechter, zal het hof de compensatie van proceskosten in eerste aanleg in stand laten.

Beslissing

Het hof:

In het principaal appel:

- verwerpt het principaal appel;

in het incidenteel appel:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2008;

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering af;

- compenseert de proceskosten in eerste aanleg, in die zin dat elke partij zijn/haar eigen proceskosten draagt;

- veroordeelt [R] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Humanitas begroot op in totaal € 1.644,-, waarvan in principaal appel € 303,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat, en in incidenteel appel € 447,- aan salaris advocaat;

- verklaart de bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, J.J. Roos en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2009 in aanwezigheid van de griffier.