Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ8192

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
200.017.092.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhaal gemeente. Ingangsdatum later dan verzocht, want onredelijke termijn tussen verhaalsbesluit en opstarten van de procedure (i.c. 17 maanden). Van de gemeente wordt een zekere mate van voortvarendheid verwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 12 augustus 2009

Zaaknummer : 200.017.092.01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 08-1024

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Nieuwstraten te Rotterdam,

tegen

de Gemeente Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: de heer J.P.M.M. Petit.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 3 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 juli 2008 van de rechtbank Rotterdam.

De gemeente heeft op 9 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

Op 12 juni 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de man, en namens de gemeente, de heer Petit. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag vastgesteld op € 1.282,14 per maand met ingang van 1 december 2006, zolang de bijstandsverlening ten behoeve van mevrouw [naam], verder: de vrouw, en de hierna te noemen minderjarigen voortduurt.

Uit het op 31 juli 2000 door de rechtbank Rotterdam ontbonden huwelijk van de man en de vrouw zijn de - thans nog minderjarige - kinderen geboren:

[kind 1], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], en

[kind 2], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], hierna: de kinderen, die sinds de echtscheiding bij de vrouw verblijven.

Bij de echtscheidingsbeschikking, noch later is ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw of een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen opgelegd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omvang van de verhaalsbijdrage ten laste van de man.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de gemeente Rotterdam tot vaststelling van het verhaalsbedrag met ingang van 1 december 2006 af te wijzen dan wel dit bedrag op een lager bedrag te stellen, zodanig dat dit bedrag zijn draagkracht niet te boven gaat, alsmede de ingangsdatum vast te stellen op de datum van de bestreden beschikking, dan wel op een in goede justitie te bepalen latere datum.

3. De gemeente verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw vast te stellen op een bedrag van € 709,-- per maand, dan wel opnieuw beschikkende het verhaalsbedrag vast te stellen op een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren.

Behoeftigheid van de vrouw

4. De man stelt dat de vrouw gedurende enige tijd gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien, zodat het verhaalsbedrag op een lager bedrag dient te worden vastgesteld.

5. De gemeente bestrijdt de stelling van de man.

6. Het hof overweegt als volgt. Een bijstanduitkering wordt, gelet op haar aard van vangnetregeling, alleen verstrekt indien de gerechtigde geen dan wel onvoldoende eigen inkomsten heeft. Het is aan de gemeente die de uitkering verstrekt conform de wet onderzoek te doen naar de behoeftigheid van de vrouw en de noodzaak te controleren. Daarbij komt dat de behoeftigheid van de vrouw los staat van de onderhoudsplicht van de man ten opzichte van de kinderen, deze blijft onverminderd bestaan. Overigens ook heeft de man zijn stelling niet onderbouwd en geenszins concreet gemaakt, zodat het hof de stelling zal passeren.

Draagkracht van de man

7. De man stelt zich op het standpunt dat zijn draagkracht onvoldoende is om het vastgestelde verhaalsbedrag te voldoen. De man voert daartoe aan dat zijn inkomen ontoereikend is.

8. De gemeente heeft naar aanleiding van de inkomensgegevens van de man een draagkrachtberekening opgesteld en haar verzoek aangepast. Thans verzoekt de gemeente niet langer om een verhaalsbedrag van € 1.282,14 per maand, maar om een verhaalsbedrag van € 709,-- per maand.

9. Het hof overweegt als volgt. Nu de man geen nadere financiële gegevens heeft overgelegd hetgeen wel op zijn weg had gelegen, acht het hof niet aangetoond dat de draagkracht van de man onvoldoende is om een verhaalsbedrag van € 709,-- per maand, zoals thans door de gemeente verzocht, te voldoen. De man wordt dan ook in staat geacht om met een bedrag van € 709,-- per maand bij te dragen in de kosten van bijstandsverlening door de gemeente.

Bijzondere omstandigheden

10. De man stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dient te worden afgezien van het vaststellen van een verhaalsbedrag. De gemeente bestrijdt de stelling van de man. Nu de man op geen enkele wijze heeft toegelicht en onderbouwd wat die bijzondere omstandigheden zijn en in welke mate daarmee rekening dient te worden gehouden, zal het hof deze stelling van de man passeren.

Ingangsdatum

11. De man maakt bezwaar tegen de vastgestelde ingangsdatum van 1 december 2006 en verzoekt het hof om de datum van het inleidend verzoekschrift als ingangsdatum te hanteren.

12. De gemeente voert hiertegen verweer.

13. Het hof overweegt als volgt. Zoals reeds ter terechtzitting aan partijen medegedeeld is het hof van oordeel dat de gemeente bij de totstandkoming van een verhaalsbesluit en het starten van een procedure in dat kader een zekere mate van voortvarendheid dient te betrachten. In dit geval heeft de gemeente, zonder redelijke verklaring, tussen het verzenden van de brief met voornemen van een verhaalsbesluit (14 november 2006) en het indienen van het verzoekschrift (11 april 2008) een periode van bijna 17 maanden laten verstrijken zonder actie te ondernemen. Nu bovendien de man voor de toekenning van een verhaalsbesluit en daarmee de mogelijkheid om zijn zaak aan de rechter voor te leggen, geheel afhankelijk is van de gemeente, terwijl het risico van niet betalen, dan wel niet reserveren, volledig bij hem ligt, is het hof van oordeel dat de redelijkheid meebrengt dat vertragingen die een periode van zes maanden te boven gaan voor rekening van de gemeente dienen te komen. Dit betekent dat naar het oordeel van het hof de gemeente slechts bijstandsverhaal toekomt over de periode gelegen tot zes maanden voor de eerste dag van de maand van het indienen van het verzoekschrift, te weten vanaf 1 oktober 2007.

14. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de gemeente moet voldoen ter zake van – ten behoeve van de vrouw en de kinderen - gemaakte en nog te maken kosten van bijstand, een bedrag van € 709,-- per maand met ingang van 1 oktober 2007, zolang deze bijstandsverlening voortduurt;

veroordeelt de man voorts in de kosten op de tenuitvoerlegging gevallen, indien hij het aan de gemeente verschuldigde niet vrijwillig voldoet;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Dusamos en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2009.