Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7961

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
17-09-2009
Zaaknummer
105.006.130-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overdracht winningsvergunning delfstoffen uit blok Q van het Continentaal Plat tegen een royalty (ORI) van 4%; uitleg overeenkomst mbt de berekening van de royalty; geen gezamenlijke partijbedoeling; taalkundige uitleg behoudens (tegen)bewijs van een andere in de branche gebruikelijke berekeningswijze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 105.006.130/01

Rolnummer (oud): C07/265

Zaak-/rolnummer rechtbank: 247088 / HA ZA 05-2291

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 21 juli 2009

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UNOCAL NETHERLANDS B.V.,

thans genaamd Chevron Exploration and Production Netherlands B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

appellante,

hierna te noemen: Unocal,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ’s-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINTERSHALL NOORDZEE B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Wintershall,

advocaat: mr. I. Brinkman te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij dagvaarding van 28 februari 2007 is Unocal in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 december 2006, gewezen tussen Unocal als eiseres en Wintershall als gedaagde. Bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis (met producties) heeft Unocal twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en tevens haar eis gewijzigd. Wintershall heeft de grieven bij memorie van antwoord (met een productie) bestreden. Ter terechtzitting van 31 maart 2009 hebben partijen hun standpunten mondeling aan de hand van pleitnotities doen bepleiten, Unocal door mr. A.F.J.A. Leijten, advocaat te Amsterdam, en Wintershall door mr. J.W. Bitter, advocaat te Rotterdam. Vervolgens hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen op het reeds overgelegde kopiedossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.8 van haar vonnis vastgestelde feiten, nu hiertegen in hoger beroep geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht.

2. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om de uitleg van de op 29 september 2000 tussen partijen gesloten Farm-in Agreement (hierna: de overeenkomst) met betrekking tot de winning van gas en andere koolwaterstoffen uit het diepe gedeelte (de ‘deep’) van blok Q1 van het continentaal plat. Unocal was krachtens een in 1980 aan haar verstrekte winningsvergunning gerechtigd tot een aandeel van (na Staatsdeelname) 48% in de winning van bedoelde koolwaterstoffen uit de ‘deep’. Bij de overeenkomst heeft Unocal haar aandeel in de winningsrechten met betrekking tot de ‘deep’ overgedragen aan Clyde Petroleum Exploratie B.V. (de rechtsvoorgangster van Wintershall, hierna ook te noemen: Wintershall), die daarbij tegelijkertijd ten behoeve van de gezamenlijke winningsgerechtigden (Wintershall, DSM en de Staat) het operatorschap en daarmee de feitelijke winning van de koolwaterstoffen uit de ‘deep’ op zich nam. Tegenover de overdracht van haar aandeel in de winning heeft Unocal jegens Wintershall een royalty (Overriding Royalty Interest (ORI)) van 4% bedongen. Partijen twisten over de grondslag waarover deze royalty berekend dient te worden. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“THIS AGREEMENT is made and entered into on this 29th day of september 2000 by and between

UNOCAL (...)

on the first part, and

CLYDE (...)

on the second part.

(...)

WHEREAS UNOCAL and DSM are the licensees to the production licence for Block Q1 (...)

WHEREAS CLYDE wants tot carry out exploration activities, and if such activities would be succesful, development and production activities, in the geological strata of Triassic-Age and older of the area covered by the Licence, but excluding the existing Halfweg Rotliegend Gas Field;

WHEREAS UNOCAL is willing to transfer all of its interest under the Licence with respect to the geological strata of Triassic-Age and older in the area covered by the Licence but excluding the existing Halfweg Rotliegend Gas Field, to CLYDE,

AND THEREFORE it is agreed as follows :

ARTICLE 1 DEFINITIONS AND INTERPRETATION

(..)

“Hydrocarbons” means natural gas, crude oil, natural gas liquids and similar substances before refining.

“Interest” means the interest of UNOCAL in respect of the Deep, comprising of 80% (eighty percent) of all right, title and interest in any way related tot the Deep and all property, assets, rights and liabilities which are directly of indirectly connected therewith, as such interest is further specified in Annex I hereto.

(..)

“Reservoir” means a reservoir of Hydrocarbons fully or partly located in the Deep.

ARTICLE II TRANSFER

Subject tot the terms, provisions and conditions set forth in this Agreement, UNOCAL hereby transfers the Interest to CLYDE, which transfer is hereby accepted by CLYDE.

(..)

ARTICLE III CONSIDERATION

In consideration for the transfer of the Interest by UNOCAL to CLYDE as per Article II hereof, Unocal will receive from CLYDE a royalty interest payment (hereinafter referred to as “ORI”) with respect to Hydrocarbons produced by Clyde from the Deep, calculated as follows:

UNOCAL will have the ORI on the gross revenues from any Hydrocarbons produced from the Reservoirs;

(..)

CLYDE will calculate and pay at the end of each calendar month the ORI according to the following formula:

Gross Revenue * Royalty Rate

Where:

Gross Revenue = gross revenue from any Hydrocarbons produced and delivered to any buyer from the Reservoir in the previous calendar month.

Royalty Rate = 4% (four percent)”

The ORI will be due by CLYDE to UNOCAL as from the date of first production of Hydrocarbons from the Deep. CLYDE will advise UNOCAL on a monthly basis on the production of Hydrocarbons from the Deep in the preceding month. Furthermore CLYDE hereby grants UNOCAL the right of audit in respect of all matters related to the ORI.

(…)

ARTICLE VII OPERATORSHIP

7.1 (…) CLYDE will be and act as the operator with respect to the Deep (…)

ARTICLE VIII OPERATIONS IN THE DEEP

8.1 The rights of CLYDE in respect of the Deep and the production therefrom shall be limited to Reservoirs in the geological strata of Triassic-Age and older, excluding the Halfweg Gas Field.

8.2 (…) CLYDE endeavours to drill an Exploration Well by 31st December 2002 and to commence production where such production is both economic and consistent with good operating practice.

8.3 CLYDE (…) will bear all costs and expenses associated with the exploration, development, production and abandonment of any Hydrocarbon accumulations and therewith related facilities from the Reservoirs in the Deep as from the Completion Date.

(…)

ARTICLE XV ENTIRE AGREEMENT

This Agreement constitutes the entire understanding of the Parties with respect to the subject matter hereof and supersedes all prior negotiations and agreements, whether oral or written, of the Parties.”

Unocal stelt zich op het standpunt dat artikel 3.1 van de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij recht heeft op 4% van de bruto opbrengst van de totale productie van koolwaterstoffen uit het diepe gedeelte (de ‘deep’) van blok Q1, terwijl Wintershall zich op het standpunt stelt dat Unocal slechts recht heeft op 4% van de bruto opbrengst van het door Unocal aan Wintershall overgedragen aandeel van 48% in de totale productie van koolwaterstoffen. In de onderhavige procedure vordert Unocal - in de kern - een verklaring voor recht dat de uitleg door Wintershall van artikel 3 van de overeenkomst onjuist is, met veroordeling van Wintershall tot betaling van de achterstallige royalty, die Unocal tot en met maart 2005 heeft berekend op een bedrag van € 4.989.329,88. De rechtbank heeft de overeenkomst uitgelegd overeenkomstig het standpunt van Wintershall, en heeft de vorderingen van Unocal afgewezen. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

3. Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de krachtens artikel 3 van de overeenkomst aan Unocal toekomende royalty niet moet worden berekend over de totale productie van koolwaterstoffen uit de ‘deep’, maar slechts over het aandeel van Wintershall in die productie van 48%. Het hof overweegt hierover als volgt.

4. Het hof stelt voorop dat de onderhavige overeenkomst dient te worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium. Hierbij is, naast een taalkundige uitleg van de bepalingen in de overeenkomst, van belang welke zin partijen in de omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen hebben mogen toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, in welk verband mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

5. Vast staat dat het in de onderhavige zaak gaat om een commerciële overeenkomst tussen twee professionele partijen, die tot stand is gekomen na uitvoerige onderhandelingen waarbij beide partijen waren voorzien van juridische bijstand. Tussen partijen staat, mede op grond van de afgelegde getuigenverklaringen in een voorafgaande aan de onderhavige procedure gehouden voorlopig getuigenverhoor, vast dat bij de totstandkoming van de overeenkomst geen sprake is geweest van een gemeenschappelijke partijbedoeling met betrekking tot de berekening van de aan Unocal toekomende royalty. De toenmalige onderhandelaars van beide partijen gingen uit van verschillende interpretaties van de in artikel 3 van de overeenkomst opgenomen wijze van berekening van de aan Unocal toekomende royalty van 4%, zonder dat zij hiervan over en weer op de hoogte waren.

6. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden, is het hof van oordeel dat voor het antwoord op de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze mochten toekennen aan artikel 3 van de overeenkomst en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, als uitgangspunt beslissend gewicht dient te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen van artikel 3, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst. De aldus bereikte uitleg kan echter niet worden gevolgd, indien komt vast te staan dat een dergelijke uitleg in strijd is met de gebruikelijke praktijk bij de olie- en gaswinning op het continentale plat van de Noordzee. In dat geval moet immers worden geoordeeld dat Unocal daarvan als professionele partij op de hoogte had kunnen en moeten zijn, en dat zij artikel 3 van de overeenkomst overeenkomstig deze gebruikelijke praktijk had moeten begrijpen.

7. Het hof is van oordeel dat de feitelijke tekst van artikel 3 van de overeenkomst voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Dit geldt zowel voor de in de aanhef van artikel 3.1 voorkomende bewoordingen “with respect to Hydrocarbons produced by Clyde from the Deep”, als voor de onder a van dit artikel voorkomende bewoordingen “from any Hydrocarbons produced from the Reservoirs” en de bewoordingen onder c “any Hydrocarbons produced and delivered to any buyer from the Reservoir”. De kern van het debat tussen partijen betreft de vraag hoe het begrip ‘produced’ in artikel 3 van de overeenkomst moet worden uitgelegd. Dit begrip is in de overeenkomst niet nader gedefinieerd. Unocal stelt zich op het standpunt dat het begrip ‘produced’ in artikel 3 moet worden uitgelegd als: het feitelijk winnen (in de zin van: onttrekken aan de bodem) van koolwaterstoffen uit de ‘Deep’, zodat naar haar mening alle door Wintershall uit de ‘deep’ gewonnen koolwaterstoffen voor de royalty in aanmerking moeten worden genomen. Wintershall daarentegen verdedigt dat het begrip ‘produced’ in artikel 3 niet moet worden opgevat als ‘feitelijk winnen’, maar dat dit begrip slechts een juridisch/economische betekenis heeft inhoudende: het als houder van de winningsvergunning genereren van opbrengen uit de verkoop van zijn/haar aandeel in de gewonnen koolwaterstoffen, zodat naar haar mening alleen het aandeel in de koolwaterstoffen dat Unocal heeft overgedragen en tot de opbrengst waarvan Wintershall zelf gerechtigd is, voor de royalty in aanmerking moet worden genomen.

8. Naar het oordeel van het hof ligt het het meest voor de hand dat het begrip ‘produced’ in artikel 3 van de overeenkomst de taalkundige betekenis heeft van “feitelijk winnen” in de zin van: onttrekken aan de bodem. Het hof onderschrijft daarmee het standpunt van Unocal op dit punt. Hiervoor acht het hof van belang dat tussen partijen vast staat dat de verschillende vormen van het begrip ‘to produce’ in artikel 8 van dezelfde overeenkomst (ook) de betekenis hebben van ‘feitelijk winnen’, dat het niet voor de hand ligt dat binnen één overeenkomst een begrip in verschillende betekenissen wordt gebruikt en dat voor dit laatste in de bewoordingen van artikel 3 ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden. Wintershall heeft bij pleidooi in hoger beroep aangevoerd dat de niet in de overeenkomst gedefinieerde begrippen ‘to produce’ en ‘to dispose’ in de overeenkomst op slordige wijze zijn gebruikt, en dat hieraan niet altijd dezelfde betekenis mag worden gehecht. Voorzover dit al juist is, is het hof van oordeel dat deze slordigheid/onduidelijkheid voor risico komt van Wintershall, die de concept overeenkomsten heeft opgesteld. Zonder een andersluidende aanwijzing op dit punt mocht Unocal er van uit gaan dat het begrip ‘produced’ in artikel 3 van de overeenkomst dezelfde betekenis heeft als in artikel 8 van de overeenkomst. Van een dergelijke aanwijzing is het hof niet gebleken. Noch in de bewoordingen van artikel 3 van de definitieve overeenkomst, noch in de door Unocal in hoger beroep overgelegde concept-overeenkomsten, is sprake van een concrete aanwijzing dat het begrip ‘produced’ in artikel 3 in de door Wintershall verdedigde beperkte zin moet worden opgevat. Het enkele feit dat de regeling van de royalty in artikel 3 aansluit bij de in artikel 2 en in de aanhef van artikel 3 vermelde overdracht door Unocal van haar aandeel in de winningsrechten, acht het hof hiervoor onvoldoende. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de overdracht door Unocal van haar aandeel in de winningsrechten en de daaraan verbonden royalty in de artikelen 2 en 3 van de overeenkomst niet los gezien moeten worden van de artikelen 7 en 8 van de overeenkomst waarin Wintershall het operatorschap op zich neemt. Uit de considerans van de overeenkomst blijkt dat artikel 8 van de overeenkomst, waarin het operatorschap is vastgelegd, een wezenlijk en aan de overdracht verbonden onderdeel vormde van de overeenkomst. Dat partijen er ook voor hadden kunnen kiezen het operatorschap aan een niet betrokken derde te gunnen, doet hieraan niet af nu deze situatie zich hier niet voordoet. In het licht van het voorgaande valt niet in te zien waarom Unocal had moeten begrijpen dat het begrip ‘produced’ in artikel 3 een andere betekenis zou hebben dan in artikel 8.

9. Het enkele feit dat - zoals Wintershall aanvoert - achter het woordje ‘produced’ in de aanhef van artikel 3.1 van de overeenkomst is toegevoegd: ‘by Clyde’, doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af. Uit de woorden ‘by Clyde’ volgt niet noodzakelijkerwijs dat hiermee bedoeld wordt aan te geven dat het uitsluitend gaat om het aandeel koolwaterstoffen dat Wintershall ten behoeve van zichzelf produceert. Het hof acht veeleer aannemelijk dat aan de woorden ‘by Clyde’ geen bijzondere betekenis moet worden gehecht.

10. Het argument van Wintershall dat in het ten deze relevante wettelijk systeem elke houder van een winningsvergunning geacht wordt een ‘producer’ te zijn, acht het hof evenmin overtuigend nu ook in artikel 1 van de Mijnwet continentaal plat aan het werkwoord ‘winnen’ (zijnde volgens beide partijen de juiste vertaling van ‘to produce’) een feitelijke en niet een economisch/juridische betekenis is toegekend. Het betoog van Wintershall dat ook een vergunninghouder die zelf niet optreedt als operator in de wetgeving juridisch wordt aangemerkt als ‘producer’, doet - indien juist - niet af aan de door het hof aangenomen meest aannemelijke taalkundige betekenis van het begrip ‘produced’ in artikel 3 van de overeenkomst.

11. Wintershall heeft als argument voor de door haar verdedigde berekeningsgrondslag van de royalty nog aangevoerd dat zij geen inzicht heeft in de opbrengsten van de aandelen koolwaterstoffen van de overige winningsgerechtigden zodat zij hierover ook geen 4% royalty kan afdragen aan Unocal. De door Wintershall aan Unocal gegarandeerde ‘right of audit’ zoals vermeld in artikel 3.2 van de overeenkomst heeft volgens Wintershall dan ook uitsluitend betrekking op de aan Wintershall toekomende opbrengst van de koolwaterstoffen. Het hof verwerpt dit argument als onvoldoende zwaarwegend. Vast staat dat Wintershall als operator beschikt over de gegevens met betrekking tot de totale door haar uit de ‘deep’ gewonnen hoeveelheid koolwaterstoffen. Het ‘right of audit’ uit artikel 3.2 van de overeenkomst ziet naar het oordeel van het hof niet alleen op de door Wintershall zelf gegenereerde opbrengst, maar tevens op de door Wintershall totale hoeveelheid gewonnen koolwaterstoffen. Het overgrote deel van de gewonnen koolwaterstoffen bestaat uit gas, dat door alle winningsgerechtigden voor een vaste (en derhalve aan Wintershall bekende) prijs wordt verkocht aan de (rechtsopvolgster van de) Gasunie. Van het daarnaast gewonnen condensaat is de totale hoeveelheid aan Wintershall bekend. Tevens is zij bekend met de door haarzelf hiervoor behaalde verkoopprijzen. Nu het bij het condensaat gaat om relatief zeer kleine hoeveelheden, acht het hof het enkele feit dat Wintershall niet op de hoogte is van de door de andere winningsgerechtigden voor hun aandeel in het condensaat gegenereerde verkoopprijzen onvoldoende zwaarwegend om tot een andere uitleg te komen.

12. Op grond van het bovenstaande is het hof voorshands van oordeel dat de tekst van artikel 3 van de overeenkomst geen beperking bevat van de berekeningsgrondslag van de royalty tot (slechts) het aandeel van Wintershall in de productie van koolwaterstoffen, en dat de meest aannemelijke taalkundige betekenis van artikel 3 is dat Unocal recht heeft op een royalty van 4% over de (totale) feitelijk door Wintershall uit de ‘deep’ gewonnen koolwaterstoffen. Het gebruik van het woord “any” in “any Hydrocarbons produced” en “any Hydrocarbons produced and delivered to any buyer from the Reservoir” in artikel 3.1 onder a en c ondersteunt een dergelijke ruime taalkundige uitleg, nu dit woord in het dagelijks taalgebruik veelal wordt gebruikt in de betekenis: ‘zonder uitzondering’.

13. Zoals het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 6 van dit arrest, kan bovenstaande uitleg echter niet worden gevolgd, indien komt vast te staan dat een dergelijke berekeningswijze van de aan Unocal toekomende royalty in strijd is met de gebruikelijke praktijk bij de olie- en gaswinning op het continentale plat van de Noordzee. In dat geval moet immers worden geoordeeld dat Unocal daarvan als professionele partij op de hoogte had kunnen en moeten zijn, en dat zij artikel 3 van de overeenkomst overeenkomstig deze gebruikelijke praktijk had moeten begrijpen. Het hof zal Wintershall overeenkomstig haar bewijsaanbod toelaten tot het bewijs van deze gebruikelijke praktijk.

14. In afwachting van de bewijslevering houdt het hof elke verdere beslissing aan.

Beslissing

Het hof:

- laat Wintershall toe tot het bewijs dat een royalty voor Unocal van 4% over de (totale) feitelijk door Wintershall uit de ‘deep’ gewonnen koolwaterstoffen in strijd is met de gebruikelijke praktijk bij de olie- en gaswinning op het continentale plat van de Noordzee;

- bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op vrijdag 16 oktober 2009 om 10.00 uur;

- bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden oktober tot en met december van 2009, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, L. Reurich en E.D. Wiersma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009 in aanwezigheid van de griffier.