Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7492

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
BK-08/00013
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM1276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aftrek levensonderhoud kinderen en verwantem, hypotheekrente, dividendvijrstelling, aftrek kosten werkkamer, advocaatkosten, reiskosten.Het Hof ziet geen reden voor terugwijzing naar de rechtbank omdat partijen en het Hof daar het nut niet van inzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1995
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 7 juli 2009

op het hoger beroep van mevrouw X te Z, tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 december 2007, AWB 05/8360 IB/PVV, betreffende na te noemen haar door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, opge-legde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag opgelegd in de inkomsten-belasting en de premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.291 (€ 36.434).

1.2. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank inge-steld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van € 1076,18 aan proceskosten en € 37 aan griffierecht aan belanghebbende.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger be-roep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

2.2. Voorafgaande aan de zitting zijn op 14 mei 2009 nadere stukken van belanghebben-de ontvangen, waarvan op 19 mei 2009 een afschrift is toegezonden aan de Inspecteur. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 mei 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhan-delde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

3.1. Belanghebbende, geboren op […], is gehuwd en heeft twee dochters, A, geboren op […] 1974 en B, geboren op […] 1973. Dochter A is PABO-studente, woont in 2000 in R en heeft in dat jaar ƒ 34.410 aan looninkomsten genoten. Dochter B studeert in het jaar 2000 diergeneeskunde […] en heeft ƒ 2.215 aan looninkomsten genoten. Belanghebbende heeft dochter B in het jaar 2000 ondersteund met negen maal een toelage van ƒ 750 en ƒ 2.200 aan lesgeld.

3.2. Belanghebbende is in het jaar 2000 in dienstbetrekking bij de C. Uit deze dienstbe-trekking heeft belanghebbende ƒ 101.565 aan inkomsten ontvangen. Verder was zij in dat jaar lid van de Provinciale Staten […]. In verband met dit lidmaatschap heeft zij in 2000 een bedrag van in totaal ƒ 24.623,28 aan inkomsten inclusief vergoedingen ontvangen.

3.3. Voor het verrichten van werkzaamheden in dienstbetrekking bij de Stichting en de werkzaamheden als lid van de Provinciale Staten beschikt belanghebbende in 2000 over een werkruimte buiten de woning.

3.4. Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 aangifte gedaan naar een belastbaar inko-men van ƒ 39.642. In de aangifte is een bedrag van ƒ 2.725 aan negatieve inkomsten uit zelfstandige arbeid opgenomen, in een bijlage bij de aangifte berekend door ƒ 24.144 aan “kosten beroep/ verwervingskosten” in mindering te brengen op ƒ 21.419 aan inkomsten, ƒ 2.700 aan uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar en ƒ 13.166 aan buitengewone lasten, waarvan voor het levenonderhoud van de moeder van belanghebbende in Suriname ƒ 3.600 en voor dochter B ƒ 9.566 (ƒ 6.750 toelage en ƒ 2.516 lesgeld).

3.5. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de volgende correcties toege-past:

Aangegeven belastbaar inkomen ƒ 39.642

- meer inkomen: vergoeding van de Provincie ƒ 24.623

- verschuiving eigen woningrente naar aftrekbare kostenrente p.m.

- geen aftrek levensonderhoud kinderen jonger dan 27 jaar ƒ 2.700

- geen aftrek levensonderhoud andere verwanten ƒ 12.366

- meer huurwaardeforfait ƒ 960

Vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 80.291.

3.6. In de loop van de procedure voor de rechtbank heeft de Inspecteur de volgende correcties (ten dele) teruggenomen:

- ƒ 24.623 meer inkomen kostenvergoeding Provincie; ingevolge het Besluit van de Staats-secretaris van Financiën van 29 februari 2000, nr. DB2000/583, V-N 2000/13.10 is deze kostenvergoeding voor het jaar 2000 onbelast;

- ƒ 8.950 (voor toepassing drempel) aan buitengewone lasten in verband met uitgaven voor levensonderhoud van dochter B.

3.7. Bij het vaststellen van de aanslag is het bij de aangifte in aftrek gebrachte bedrag aan reiskosten van ƒ 2.050 en van ƒ 3.538 aan beroepskosten in verband met de dienstbe-trekking bij de C in aftrek aanvaard.

3.8. In de aangifte heeft belanghebbende een bedrag aan negatieve inkomsten uit eigen woning vermeld van ƒ 42.384. In een brief van 27 oktober 2003 heeft de Inspecteur belang-hebbende medegedeeld dat een deel van de hypotheekrente (125.000/675.000 x ƒ 42.384) ƒ 7.849 niet als aftrekbare kostenrente van de eigen woning kan worden aangemerkt en dat die kosten in aftrek kunnen worden gebracht onder de rente van schulden zonder gevolgen voor de berekening van het belastbaar inkomen van het onderhavige jaar.

3.9. In het bezwaarschrift van 18 december 2003 heeft belanghebbende verzocht in bezwaar te worden gehoord. Alvorens de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan zijn belanghebbende en haar gemachtigde niet gehoord.

3.10. De aanslag van de echtgenoot van belanghebbende staat onherroepelijk vast.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil:

- of de Inspecteur de correcties op de aangifte inzake het levensonderhoud kinderen en verwanten, de laatstgenoemde voor zover door de Inspecteur in beroep en hoger beroep niet aanvaard (zie 3.6), alsmede de aanpassing van de inkomsten uit eigen woning naar aftrekba-re kostenrente terecht heeft toegepast;

- of belanghebbende recht heeft op aftrek van ƒ 9.623,97 aan advocaatkosten;

- of belanghebbende recht heeft op aftrek kosten werkkamer,

- of belanghebbende recht heeft op toepassing van de dividendvrijstelling,

- of hernieuwd een aanslag aan de echtgenoot kan worden opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 23.608.

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de overige vragen bevestigend en de Inspecteur beantwoordt deze vragen in tegenovergestelde zin.

4.2. Voor een uiteenzetting van de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de uit-spraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van belanghebbende van ƒ 49.585 en tot het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 aan de echtgenoot van belanghebbende berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 23.608.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de recht-bank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 49.568.

Overwegingen omtrent het geschil

Vaste kostenvergoeding Provincie

6.1. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de door belanghebbende als lid van de Provinciale Staten ontvangen vaste kostenvergoeding in het jaar 2000 nog onbelast is. Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende vertrouwen ontlenen aan het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 februari 2000, nr. DB2000/583, V-N 2000/13.10 (hierna: Besluit), dat is gevolgd op het Besluit van 28 december 1999, nr. DB99/3910, V-N 2000/5.10. Dit houdt in dat belanghebbende uit het lidmaatschap van de Provinciale Staten onbelaste inkomsten heeft genoten en dat de aftrek van kosten, gemaakt in verband met die functie, niet aan de orde kan komen. Evenmin komt aan de orde het fiscale gevolg van het feit dat belanghebbende de genoten vergoeding ingevolge de binnen haar politieke partij geldende regeling dient af te staan aan de partij. De aanslag dient met het bedrag van de vergoeding ten bedrage van ƒ 24.623 te worden verminderd.

Hypotheekrente

6.2. Het antwoord op de vraag of hypotheekrente in aanmerking wordt genomen bij de inkomsten uit eigen woning is, naast het oogmerk van het aangaan van de lening, afhankelijk van de besteding van de geleende som. In het onderhavige geval is van de geleende som van ƒ 675.000 een gedeelte van ƒ 125.000 besteed aan de aankoop van aandelen en is dit bedrag niet liquide beschikbaar gebleven voor de aankoop van de eigen woning. De Inspecteur heeft dan ook de hypotheekrente die op laatstvermeld gedeelte is betaald, terecht niet aftrekbaar geacht van de inkomsten uit eigen woning maar als rente van schulden. Belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aange-nomen dat evenvermeld bedrag van ƒ 125.000 liquide beschikbaar is gebleven of ook uit eigen middelen kon worden bekostigd. Zoals reeds in de brief van 27 oktober 2003 door de Inspecteur is uiteengezet heeft zulks geen gevolgen voor de hoogte van het belastbaar inko-men over het onderhavige jaar.

Dividendvrijstelling

6.3. Ingevolge artikel 42c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna; de Wet) kan de dividendvrijstelling slechts in aanmerking worden genomen op de inkomsten voorzo-ver deze de met het dividend samenhangende kosten overtreft. In dit geval bedragen de kosten ƒ 7.849 en het ontvangen dividend ƒ 1.566. Het in aanmerking nemen van een divi-dendvrijstelling is dan niet mogelijk.

Aftrek kosten werkkamer

6.4. Belanghebbende heeft zowel ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in dienstbetrekking voor de Stichting als voor haar werkzaamheden voor de Provinciale Staten een werkruimte buiten de woning ter beschikking. Ingevolge artikel 36, lid 1, onderdeel b, van de Wet is in een geval als het onderhavige waarin werkruimten buiten de woning ter beschikking staan voor aftrek van kosten van een werkkamer thuis slechts plaats in het geval de inkomsten uit arbeid hoofdzakelijk worden verworven in de werkruimte thuis. De bewijs-last dat aan dit zogenoemde hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan, ligt bij belanghebbende. Belanghebbende heeft geen concrete gegevens verstrekt omtrent de in de werkruimte thuis verworven inkomsten en ook overigens niet voldoende gegevens verschaft waaruit kan worden afgeleid dat zij aan dit criterium voldoet. Belanghebbende heeft dan ook geen recht op aftrek van de in de aangifte opgenomen kosten van de werkkamer en evenmin van de bijbehorende post “energiekosten”.

Aftrek uitgaven levensonderhoud dochter A

6.5. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat zij aan de in artikel 46, lid 1, onderdeel a, ten eerste, van de Wet gestelde eisen voor aftrek van levensonderhoud voor dochter A in 2000 heeft voldaan, met name ten aanzien van de vraag of zij de dochter in belangrijke mate heeft onderhouden en of de dochter recht heeft op kinderbijslag/studiefinanciering tegenover de omstandigheid dat zij in 2000 zelf inkomsten heeft genoten van ƒ 34.410. De hierop betrek-king hebbende correctie van ƒ 2.700 is derhalve terecht toegepast.

Aftrek uitgaven levensonderhoud dochter B

6.6. De Inspecteur heeft het in de aangifte opgenomen bedrag van de toelage van ƒ 6.750 als buitengewone last aanvaard. In de aangifte is voorts een bedrag opgenomen van ƒ 2.816 als buitengewone last in verband met lesgeld voor B. Belanghebbende heeft aan de Inspec-teur echter een betalingsbewijs verstrekt waaruit blijkt dat dit bedrag in 1999 is betaald en dat in het jaar 2000 aan lesgeld voor B ƒ 2.200 is betaald. Een hoger bedrag is niet aanneme-lijk gemaakt. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur mitsdien terecht uitgegaan van een bedrag van ƒ 8.950.

Aftrek uitgaven levensonderhoud moeder[…]

6.7. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel aannemelijk gemaakt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij aan de in artikel 46, lid 1, onderdeel a, ten tweede, van de Wet gestelde eisen voor aftrek van levensonderhoud voor de moeder in 2000 heeft voldaan. Met name ten aanzien van de behoeftigheid van de moeder en de mate waarin de andere familieleden in de behoefte van de moeder hebben voorzien zijn onvoldoende concrete omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt. De correctie van ƒ 3.600 is dan ook terecht toegepast.

Aftrek advocaatkosten en kosten kantoor D

6.8. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van advocaatkosten als beroepskosten (onder meer een rekening van E) en daarvoor verwezen naar de omstandigheid dat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd, bijvoorbeeld een vaststellingsovereenkomst, waaruit kan worden opgemaakt dat er kosten die zijn gemaakt ter verwerving, inning en behoud van de dienstbetrekking en die op haar hebben gedrukt. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft aangedragen voor haar stelling dat zij tot het door haar gestelde bedrag van ƒ 9.623,97 kosten heeft gemaakt.

Belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan de in de bijlage opgenomen kosten verbonden aan het uitbrengen van belastingad-vies door bovengenoemd kantoor onder de aftrekbare kosten als bedoeld in artikel 35 van de Wet zouden zijn te rangschikken.

Reiskostenaftrek

6.9. Belanghebbende heeft ter zitting voor de rechtbank verklaard dat zij in het jaar 2000 niet heeft gewerkt. Om in aanmerking te komen voor de door haar bij de aangifte toegepaste reiskostenaftrek dient aannemelijk te zijn dat zij op ten minste vier dagen per week naar dezelfde arbeidsplaats is gereisd. Zij heeft tegenover de betwisting door de Inspecteur geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat dit in het onderhavige jaar het geval is geweest. De aftrek had daarom bij het vaststellen van de aanslag buiten aanmerking moeten worden gelaten.

Terugwijzing door de rechtbank

6.10. Het Hof ziet geen reden de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur in verband met de omstandigheid dat de hoorplicht in bezwaar niet is nageleefd. Partijen hebben ter zitting te kennen gegeven hier geen prijs op te stellen en opgemerkt dat zij het nut daarvan niet inzien. Zij hebben erop aangedrongen dat het Hof de zaak inhoudelijk zal behandelen. Voor het overleggen van de agenda van belanghebbende voor het betreffende jaar is naar het oordeel van het Hof een terugwijzing, overeenkomstig hetgeen beide partijen ook opmerken, niet van nut. Deze agenda diende om aannemelijk te maken dat het aantal, door belangheb-bende in het onderhavige jaar in verband met haar werkzaamheden voor de Provinciale Staten verreden, kilometers overeenstemt met het aantal dat belanghebbende in de bijlage bij de aangifte heeft vermeld. Andere stellingen ter zake zijn door belanghebbende of door de Inspecteur niet betrokken. De Inspecteur is uitgegaan van de juistheid van dit aantal kilome-ters. Bovendien is de genoten vergoeding vrijgesteld (zie rechtsoverweging 6.1 hiervoor).

6.11. De Inspecteur heeft terecht betoogd dat de door belanghebbende gewenste wijziging in de toerekening van inkomensbestanddelen die niet tot het persoonlijke inkomen en de persoonlijke verminderingen en vermeerderingen behoren als bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Wet, tussen belanghebbende en haar echtgenoot voor het onderhavige jaar niet kan worden gemaakt.

6.12. Gelet op al het vorenoverwogene dient het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen van ƒ 80.291 te worden verminderd met ƒ 24.623 (zie 6.1.) en (ƒ 8.950 – ƒ 800 drempel (zie 6.6) met compensatie van ƒ 2.050 (zie 6.9.), is ƒ 49.568.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belangheb-bende in hoger beroep gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het Hof stelt deze kosten op de voet van het Besluit pro-ceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.207,50 wegens be-roepsmatig verleende rechtsbijstand (2,5 punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)) en € 8,50 wegens reiskosten van belanghebbende, in totaal derhalve op € 1.216.

Het Besluit proceskosten bestuursrecht, dat blijkens artikel 8:75 van de Awb regels geeft met betrekking tot de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben, voorziet niet in de vergoeding van de reis- en verletkosten van de gemachtigde van belang-hebbende. Het Hof ziet geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in het Besluit aanwezig die aanleiding vormen de door de rechtbank toegekende vergoeding van de in beroep ge-maakte proceskosten te verhogen.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak in hoger beroep gestorte grif-fierecht te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2000 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 49.568,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van belangheb-bende gevallen en vastgesteld op € 1.216, onder aanwijzing van de Staat als de rechtsper-soon die deze kosten moet vergoeden en

- gelast de Staat het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 106 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, J.J.J. Engel en J.V. van Noorle Jansen in tegenwoordigheid van mr. Y. Postema als griffier. De beslissing is op 7 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingka-mer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.