Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7244

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
K08/460
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 12 Sv.; art. 362 Sr.

Het hof acht het begrijpelijk dat klager zeer onaangenaam is getroffen door hetgeen in 1999 en 2000 heeft plaatsgevonden. Echter, de beklagprocedure laat geen ruimte voor een diepgravend onderzoek, zoals klager wenst. Waar het hof in het kader van deze procedure slechts over kan oordelen, is of de beslissing van de officier van justitie om niet tot vervolging van beklaagde over te gaan een juiste is geweest.

Het hof vermag niet in te zien hoe het verzoek van beklaagde destijds om een onderzoek in te stellen naar de integriteit van de politie [plaats] op enigerlei wijze laakbaar zou zijn. Sterker, beklaagde heeft naar het oordeel van het hof daarmee gehandeld zoals het een goed burgemeester betaamt. In zoverre kan beklaagde geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt

Het dossier bevat voorts geen aanwijzingen dat beklaagde de uitkomst van het onderzoek in voor klager negatieve zin zou hebben beïnvloed. Echter, zelfs als van enige beïnvloeding sprake was, valt dat op zich nog niet strafrechtelijk te duiden. Dit zou slechts anders zijn als sprake is van het aannemen van steekpenningen als bedoeld in artikel 362 van het Wetboek van Strafrecht. Klager verzuimt evenwel op enigerlei wijze aannemelijk te maken dat daarvan sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K08/0460

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Beschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van

23 juni 2009 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: klager,

over de beslissing van de officier van justitie te 's-Gravenhage tot het niet vervolgen van:

[beklaagde],

voormalig burgemeester van [plaats],

hierna te noemen: beklaagde,

wegens corruptie.

De feitelijke gang van zaken.

Op 14 augustus 2008 heeft klager schriftelijk aangifte gedaan van corruptie, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde.

Op 17 september 2008 is door de hoofdofficier van justitie te ’s-Gravenhage aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat de enkele bewering dat beklaagde corrupt was niet uit concrete feiten blijkt.

Hierop heeft klager bij schrijven van 25 september 2008 een klaagschrift ingediend bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage, ingekomen ter griffie van het gerechtshof te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch op 12 november 2008, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 21 januari 2009 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 26 mei 2009 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld. Klager is, met kennisgeving daarvan, niet verschenen.

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijke verslag.

De beoordeling.

Klager woonde in 1999 te [plaats] toen het gerucht werd verspreid dat hij pedofiel was en dat hij kinderen seksueel zou misbruiken. Dit gerucht bleek niet op waarheid te berusten, maar het kwaad was al geschied: klager werd bedreigd en mishandeld en aan zijn woning werden vernielingen aangericht. Klager en zijn gezin zijn als gevolg van deze gebeurtenissen naar een andere gemeente verhuisd.

Beklaagde, destijds burgemeester van [plaats], heeft daarop aan het Korps Haaglanden verzocht een onderzoek in te stellen naar de integriteit van de politie [plaats]. Uit dit onderzoek is gebleken dat een tweetal politieagenten verantwoordelijk was voor het naar buiten brengen van de gewraakte informatie. Uiteindelijk heeft de hoofdofficier van justitie besloten de beide politieagenten niet strafrechtelijk te vervolgen, al werd wel vastgesteld dat zij niet correct hadden gehandeld.

Klager wenst thans vervolging van beklaagde en motiveert dit als volgt: “Toen vroeg de burgemeester van [plaats] een strafrechtelijk onderzoek aan. Hierdoor werden wij als belanghebbenden en slachtoffers volledig buitenspel gezet. Ik noem het een vorm van corruptie. De burgemeester heeft weliswaar geen steekpenningen aangenomen, maar hij heeft wel een politiek belang als het aangevraagde ‘onderzoek’ in zijn voordeel wordt uitgevoerd.” De stelling van klager dat sprake was van corruptie, wordt door hem verder niet onderbouwd. Hij stelt in zijn aangifte voorts dat beklaagde het onderzoek negatief beïnvloed heeft, maar onderbouwt ook deze stelling niet.

Klager verzoekt het hof thans een diepgravend onderzoek in te stellen naar de totale gang van zaken in 1999 en 2000.

Overwegingen van het hof

Het hof acht het begrijpelijk dat klager zeer onaangenaam is getroffen door hetgeen in 1999 en 2000 heeft plaatsgevonden. Echter, de beklagprocedure laat geen ruimte voor een diepgravend onderzoek, zoals klager wenst. Waar het hof in het kader van deze procedure slechts over kan oordelen, is of de beslissing van de officier van justitie om niet tot vervolging van beklaagde over te gaan een juiste is geweest.

Het hof vermag niet in te zien hoe het verzoek van beklaagde destijds om een onderzoek in te stellen naar de integriteit van de politie [plaats] op enigerlei wijze laakbaar zou zijn. Sterker, beklaagde heeft naar het oordeel van het hof daarmee gehandeld zoals het een goed burgemeester betaamt. In zoverre kan beklaagde geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt

Het dossier bevat voorts geen aanwijzingen dat beklaagde de uitkomst van het onderzoek in voor klager negatieve zin zou hebben beïnvloed. Echter, zelfs als van enige beïnvloeding sprake was, valt dat op zich nog niet strafrechtelijk te duiden. Dit zou slechts anders zijn als sprake is van het aannemen van steekpenningen als bedoeld in artikel 362 van het Wetboek van Strafrecht. Klager verzuimt evenwel op enigerlei wijze aannemelijk te maken dat daarvan sprake is.

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet aannemelijk dat beklaagde enig strafrechtelijk verwijt valt te maken, op grond waarvan het beklag dient te worden afgewezen.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door

mr. A.R.O. Mooy, als voorzitter,

mrs. A. de Lange en S.B.M. Voorhoeve, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mw. B.A.C. Volkerts, als griffier.

op 23 juni 2009.

Mr. Voorhoeve is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.