Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ6884

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
14-09-2009
Zaaknummer
200.016.859.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ2801, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ2801
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundigebenoeming in verreken - en verdelingsgeschil na echtscheiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 29 juli 2009

Zaaknummer : 200.016.859.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-486

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H. Oomen, te Haarlem,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.M.T. van Ruitenbeek-de Bekker, te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 september 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 juli 2008 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 10 december 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 20 januari 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 9 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 30 juni 2009 en 8 juli 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 10 juli 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – de verdeling van de goederen die partijen in gemeenschappelijke eigendom hadden vastgesteld, en voorts is bepaald:

a) dat de man aan de vrouw ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te voldoen:

- € 3.875,-- wegens door de man uit haar privé-gelden betaalde personeelskosten,

- € 493,-- wegens door de man uit haar privé-gelden betaalde motorrijtuigenbelasting ten behoeve van een derde;

b) uitvoerbaar bij voorraad - dat ieder der partijen de inboedelgoederen die hij thans onder zich heeft behoudt, zonder nadere verrekening,

en is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot schadevergoeding vanwege gederfd rendement en fiscale schade door de voortijdige afkoop van de levensverzekering en het verzoek tot vergoeding van bedragen ter zake van aansprakelijkstelling van [X] als gevolg van mishandeling door de vrouw, juridische kosten van de strafprocedure en immateriële schade als gevolg van mishandeling door de vrouw; het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

` Algemeen

1. Partijen waren met uitsluiting van iedere goederengemeenschap gehuwd, echter partijen hadden enkele goederen in mede eigendom, waaronder de woning te [adres]

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair te bepalen dat:

De vrouw aan de man uit de opbrengst van de overwaarde van de woning dient te voldoen een bedrag van € 205.388, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede te bepalen dat de man naast voornoemd bedrag tevens recht heeft op de helft van de overwaarde welke resteert na aftrek van het bedrag van € 205.388,-;

subsidiair: de vrouw aan de man uit de opbrengst van de overwaarde van de woning dient te voldoen een bedrag van € 87.699,51, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede te bepalen dat de man naast voornoemd bedrag tevens recht heeft op de helft van de overwaarde welke resteert na aftrek van het bedrag van € 87.699,51;

de vrouw aan de man uit de opbrengst van de overwaarde van de woning dient te voldoen primair een bedrag van € 17.500,-, dan wel subsidiair een bedrag van € 4.450,-;

te bepalen dat de vleugel, de klok, het bureau en de zwart lederen stoel, de tafel en de side table, de zwarthouten kast, de Gazelle herenfiets, de antieke rijkleding, de kratten met boeken en de software eigendom zijn van de man en de vrouw te veroordelen deze zaken op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking in hoger beroep aan de man te overhandigen;

de vrouw aan de man uit hoofde van overbedeling ten aanzien van de verdeling van de inboedel dient te voldoen een bedrag van € 20.000,-;

te bepalen dat de vrouw de volledige naheffingsvordering van Eneco voor haar rekening dient te nemen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te bekrachtigen, met uitzondering van:

- de bepaling dat de man aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 12.500,- in verband met de verhoging van de hypotheek en in plaats daarvan te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 17.500,- in verband met de verhoging van de hypotheek; alsook met uitzondering van:

- de bepaling dat de vrouw aan de man een verbruiksvergoeding van € 12.704,63 dient te vergoeden en in plaats daarvan te bepalen dat het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw te betalen verbruiksvergoeding alsnog wordt afgewezen;

alsook met uitzondering van:

- de bepaling dat de helft van de opbrengst van de levensverzekering van € 60.719, zijnde € 30.359,50 toekomt aan de man en in plaats daarvan te bepalen dat aan de man van deze opbrengst niets toekomt, subsidiair dat aan de man een bedrag toekomt door het hof vast te stellen, kosten rechtens. De man verzet zich daartegen.

[adres] vergoedingsrechten en geldstromen

4. In 1998 is het pand te [adres] gemeenschappelijk door partijen aangekocht en aan partijen geleverd. De man is van mening dat een deel van de koopsom alsmede kosten die gemaakt zijn ten behoeve van voormeld pand zijn voldaan uit zijn privé-middelen.

5. De man is van mening dat de navolgende bedragen door hem uit privé-middelen zijn voldaan:

a) € 68.067,03 ter zake aflossing met betrekking tot hypothecaire geldlening betreffende het pand [adres];

b) € 15.340,69 verbouwingskosten betreffende het pand [adres];

c) € 4.291,78 betreffende gemengde verzekering.

6. Voorts stelt de man dat ter zake de aflossing op de hypothecaire geldlening van € 87685,51 niet uitgegaan moet worden van het nominale bedrag, maar van de beleggingsleer. De man verwijst ten deze naar het arrest Kriek/Smit en Moret/Visser. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij zich refereert aan het oordeel van het hof of uitgegaan dient te worden van het nominale bedrag dan wel de beleggingsleer.

7. Door de vrouw is expliciet gesteld dat hiervoor vermelde bedragen niet afkomstig zijn uit zijn privé-vermogen. Ondanks dat partijen op huwelijkse voorwaarden waren gehuwd zonder verrekenbeding (koude uitsluiting) hadden zij niet alleen gezamenlijk onroerend goed maar dreven zij aanvankelijk ook de drogisterij in de vorm van een v.o.f. Geldstromen liepen veelal via de zakelijke rekening van de drogisterij. In september 1998 is het gezamenlijke pand van partijen [adres 2] verkocht. De opbrengst van de [adres 2] is gestort op de rekening van de v.o.f op 17 september 1998. Op 29 september en op 7 oktober 1998 heeft de man vervolgens f 20.000,- respectievelijk f 107.611,80 derhalve in totaal f 127.611,80 via girotel doorgestort naar zijn privé-rekening. De opbrengst van de [adres 2] (woondeel) was slechts f 19.868,50. Deze opbrengst is rechtstreeks overgemaakt naar de rekening van de man. In de visie van de vrouw is de overwaarde van het pand op de [adres 2] niet bij helfte gedeeld, zulks in tegenstelling tot wat de man beweert.

8. In punt 14 van haar verweerschrift stelt de vrouw dat de aflossing van de man ter zake de hypothecaire geldlening is gedaan uit de opbrengst van de verkoop van de [adres 2 en het woondeel].

9. De vrouw betwist dat de man voor een bedrag van € 15.340,69 uit eigen middelen aan verbouwingskosten heeft voldaan ter zake het pand [adres]. De vrouw betwist dat de man de kosten uit eigen middelen heeft voldaan en bovendien betwist zij dat de mogelijke kosten betrekking hadden op het pand [adres], aangezien de man op dat moment meerdere panden aan het verbouwen was.

Levensverzekering, geldstromen

10. Uit de gewisselde stukken volgt dat de opbrengst van de levensverzekering is geweest € 60.917,-. De man stelt, zoals reeds hiervoor vermeld, dat hij uit eigen middelen heeft voldaan ter zake de premies een bedrag van € 4.291.78. De vrouw heeft gesteld dat de overige premies uit haar privé-vermogen zijn voldaan maar uit hoofde van het beperken van proceskosten wenst zij dat niet nader wordt onderzocht dat zulks ook het geval is. Uit het betoog van de vrouw leidt het hof af dat de opbrengst van de levensverzekering als gemeenschappelijk kan worden gezien echter met dien verstande dat op het bedrag wel in mindering moet worden gebracht de schulden die de vrouw ten behoeve van de man heeft voldaan. De vrouw verwijst naar punt 54 van haar verweerschrift alsmede productie 10.

Geldstromen

11. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen kan het hof op basis van de stellingen van partijen niet vaststellen:

1) of de bedragen van € 68.067,03 en € 15.340,69 afkomstig zijn uit het privé-vermogen van de man;

2) of met de opbrengst van de levensverzekering de schulden van de man zijn afgelost.

12. Het hof is van oordeel dat het verweer van de vrouw aanleiding geeft om door een deskundige te laten onderzoeken:

1) of de bedragen van € 68.067,03 en € 15.340,69 afkomstig zijn uit het privé-vermogen van de man of dat deze bedragen afkomstig zijn uit de opbrengst van gemeenschappelijk eigendom en/of afkomstig zijn uit de v.o.f van partijen.

2) of met de opbrengst van de levensverzekering de schulden van de man zijn afgelost.

13. Het hof heeft partijen gewezen op de aanzienlijke kosten die met dit onderzoek gemoeid zijn. Desondanks wenst de man dat het onderzoek wordt verricht.

14. Het hof heeft aan partijen voorgehouden of één dan wel drie deskundigen moeten worden benoemd en/of partijen zelf een deskundige kunnen aanwijzen. Ter zitting hebben partijen verklaard dat er één deskundige moet worden benoemd, aan te wijzen door het hof.

Deskundigenonderzoek

15. De deskundige zal op grond van artikel 198 lid 2 Rv zijn opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris.

Onderzoeksvragen aan de deskundigen

16. Het hof heeft in rechtsoverweging 12 de conceptonderzoeksvragen geformuleerd. Tijdens een regiezitting waarbij eveneens aanwezig is de deskundige worden de definitieve onderzoeksvragen geformuleerd.

Aansprakelijkheid deskundige

17. De deskundige wenst zijn opdracht alleen te aanvaarden indien zijn algemene leveringsvoorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.

18. De deskundige dient binnen twee weken na deze beschikking zijn leveringsvoorwaarden te doen toekomen aan het hof, aan de man en aan de vrouw.

19. Partijen dienen tijdens de regiezitting zich uit te laten over de vraag of zij zich gebonden achten aan de leveringsvoorwaarden.

Klachten over de deskundige

20. De deskundige, een register-accountant, dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrag- en beroepsregels.

21. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is - na partijen en de deskundige te hebben gehoord - te beoordelen of die partij conform artikel 198 lid 3 Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

Deskundige

22. Het hof zal de heer W.J. Lukaart RA benoemen tot deskundige. Het staat de deskundige vrij om tijdens zijn onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling tot de mogelijkheden behoort.

23. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Kosten deskundige

24. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 250,- exclusief BTW. De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren- en verrichtingenstaat. Het hof zal, alvorens over te gaan tot uitbetaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal het hof overgaan tot uitbetaling.

25. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 59.500,- inclusief BTW. Het hof acht het redelijk en billijk dat de man voorlopig de kosten van de deskundige draagt. De man dient er voor zorg te dragen dat voormeld voorschot wordt gedeponeerd ter griffie van het hof door overmaking op [bankrekeningnummer] ten name van MvJ arrondissement 's-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermelding van zaaknummer 200.16.859.01.

Deskundigenbericht

26. Het deskundigenbericht dient binnen vier maanden na de regiezitting met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

27. Indien de advocaten en/of de deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw J.H. Muller en bij haar afwezigheid tot H.H.M. van der Zande.

Regiezitting

28. Voor de nadere uitwerking van de opdracht aan de deskundige vindt een regiezitting plaats.

Identificatiebewijs

29. Ten behoeve van het dossier van de deskundige dienen partijen ter zitting aan de deskundige een kopie van hun paspoort of ander rechtsgeldig identificatiebewijs te verstrekken.

Raadsheer-commissaris

30. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. A.J. Dusamos.

Inboedelgoederen

31. De man stelt in punt 68 van zijn beroepschrift dat de navolgende goederen in eigendom toebehoren:

- de vleugel;

- de klok;

- het bureau van teakhout en de side-table;

- de zwarthouten kast;

- Gazelle herenfiets;

- antieke rijkleding;

- kratten met boeken;

- software.

32. De man stelt in punt 71 van zijn beroepschrift dat de vrouw ter zake de gemeenschappelijke inboedel is overbedeeld voor een bedrag van € 20.000,-. De vrouw heeft in haar bezit een kostbaar servies van Villeroy en Boch.

33. Door de vrouw is betwist dat de in het beroepschrift onder punt 31 genoemde goederen aan hem in privé toebehoren. Ter zitting is het hof gebleken dat deze goederen gezamenlijk door partijen zijn aangekocht en geleverd – veelal op een veiling – en met contante gelden van partijen zijn voldaan. Gezien deze gang van zaken gaat het hof er van uit dat de goederen van partijen in mede-eigendom toebehoren. Ter zitting heeft het hof vastgesteld dat deze goederen nog niet zijn verdeeld en dat partijen nog geen volledige overeenstemming hebben bereikt over de wijze van verdeling.

34. Ter terechtzitting heeft de vrouw ermee ingestemd dat aan de man wordt toebedeeld:

1) zijn antieke rijkleding;

2) de Gazelle herenfiets.

35. Partijen dienen zich nog schriftelijk uit te laten over de wijze van verdeling ter zake de overige goederen die in mede-eigendom toebehoren, zoals vermeld in punt 31, nu partijen niet aan het hof hebben verzocht om de verdeling vast te stellen dan wel de wijze van verdeling te gelasten.

36. Voorts stelt de man dat behoudens hiervoor genoemde goederen de vrouw ter zake verdeling gemeenschapsgoederen is overbedeeld. Het vorenstaande is door de vrouw betwist.

37. Het hof overweegt als volgt. Gezien het feit dat het hof niet in het bezit is van een compleet overzicht van de goederen die partijen in mede-eigendom toebehoren en het hof geen inzicht heeft wie van partijen wat onder zich heeft van de gemeenschappelijke eigendommen kan het hof niet vaststellen of de man is onderbedeeld.

Eneco

38. De man is van mening dat de navordering van de Eneco met betrekking tot het pand [adres] moet worden voldaan door de vrouw, aangezien zij in de betreffende periode in het pand woonachtig was. Het vorenstaande wordt door de vrouw betwist, de vrouw is van mening dat de energiekosten betrekking hadden op de periode dat het pand verbouwd werd, aangezien er toen ook andere mensen in het pand woonachtig waren.

39. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de lasten met betrekking tot Eneco betrekking hebben op een goed dat partijen in mede-eigendom toebehoort. In beginsel komen de lasten met betrekking tot dat goed ten laste van beide partijen gezamenlijk. In het onderhavige geval kan het hof op basis van het door partijen gestelde niet vaststellen op welke periode de naheffing van Eneco betrekking heeft. Onder deze omstandigheden gaat het hof er van uit dat de naheffing gezamenlijk door partijen moet worden voldaan.

40. Mitsdien wordt beslist als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

benoemt de heer W.J. Lukaart RA kantoorhoudende te 4815 NG Breda aan de Stadionstraat 2, tot deskundige;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat de man binnen veertien dagen na heden een voorschot van € 59.500,- ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op [bankrekeningnummer] ten name van MvJ arrondissement ’s-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermelding van zaaknummer 200.016.859.01;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.N. Labohm en bij diens afwezigheid mr. A.J. Dusamos;

bepaalt dat partijen binnen zes weken na heden zich schriftelijk uitlaten omtrent rechtsoverweging 35;

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na deze beschikking hun verhinderdata voor de maanden september, oktober, november en december 2009 aan de griffier van dit hof zullen opgeven;

bepaalt dat deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed binnen vier maanden na de regiezitting zal toezenden aan de griffier van dit hof, onder vermelding van zaaknummer 200.016.859.01;

bepaalt dat uit deskundigenbericht moet blijken dat partijen bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2009.