Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ6730

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
MHV 200.033.082 & MHV 200.035.538
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing dochter wegens verdenking ouder(s) toediening medicijn opgeheven wegens gerede twijfel. Geen ondertoezichtstelling zonen; voldoende pedagogische vaardigheden. Wel ondertoezichtstelling dochter i.v.m. hechtingsproblematiek, begeleiding thuisplaatsing en veiligheidsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ER

27 augustus 2009

Sector civiel recht

Zaaknummer: MHV 200.033.082/01 en MHV 200.035.538

Zaaknummer eerste aanleg: 64231/JE RK 08-622 en 65248 / JE RK 08-812

GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Middelburg,

appellant, tevens geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad,

t e g e n

[X.],

en

[Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden, tevens appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. M.W.A. Verhaard,

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Middelburg van 20 februari 2009 en 17 april 2009.

2. Het geding in hoger beroep

MHV 200.033.082/01:

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 mei 2009, heeft de raad verzocht (naar het hof begrijpt) de beschikkingen van de rechtbank Middelburg van 20 februari 2009 te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [minderjarige zoon 1.], [minderjarige zoon 2.] en [minderjarige zoon 3.] en, opnieuw rechtdoende, dit verzoek alsnog toe te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juni 2009, hebben de ouders verzocht voormelde beschikkingen te bekrachtigen.

De ouder hebben hierbij tevens incidenteel appel ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Middelburg van 20 februari 2009 waarbij de termijn van de ondertoezichtstelling van [minderjarige dochter] is verlengd tot 25 november 2009 en de duur van de machtiging uithuisplaatsing van deze minderjarige is verlengd tot 25 april 2009, en verzocht deze beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de raad alsnog af te wijzen.

MHV 200.035.538/01:

2.3. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2009, hebben de ouders verzocht de beschikking van de rechtbank Middelburg van 17 april 2009 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige dochter] bij een pleegouder tot 25 augustus 2009 alsnog af te wijzen.

2.4. Gelet op de onderlinge verknochtheid van bovengenoemde zaken met de kenmerken MHV 200.033.082/01 en MHV 200.035.538/01 heeft het hof ambtshalve de voeging hiervan gelast. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw P. Bakker;

- Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland (hierna te noemen: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw A. van Loon.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 februari 2009;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 april 2009;

- de brief met bijlagen van de raad d.d. 25 mei 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 10 juli 2009;

- het faxbericht van de stichting met bijlage d.d. 22 juli 2009.

3. De beoordeling

In beide zaken:

3.1. Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [minderjarige zoon 3.] (hierna: [A.]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats];

- [minderjarige dochter] (hierna: [B.]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats];

- [minderjarige zoon 2.] (hierna: [C.]), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats];

- [minderjarige zoon 1.]l, (hierna: [D.]), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats].

3.2. De kinderen staan sinds 25 augustus 2008 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 25 februari 2008.

[B.] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 25 augustus 2008 uit huis geplaatst.

3.2.1 Bij de bestreden beschikkingen van 20 februari 2009 met kenmerk 64231 / JE RK 08-622 is het verzoek van de raad tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [A.], [C.] en [D.] tot 25 november 2009 afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de ouders bereid zijn vrijwillige hulp te aanvaarden en dat zij deze bereidheid in het verleden ook hebben getoond.

De raad kan zich met voornoemde de beschikkingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.2.2. Bij de beschikking van de rechtbank Middelburg van 20 februari 2009 met kenmerken 64231 / JE RK 08-622 en 65248 / JE RK 08-12 is het verzoek van de raad tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [B.] tot 25 november 2009 en tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [B.] tot 25 april 2009 toegewezen.

De ouders kunnen zich met deze beschikking niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

Ter zitting van het hof hebben de ouders desgevraagd hun appel ingetrokken voor zover dit betrekking had op de machtiging uithuisplaatsing van [B.] tot 25 april 2009, omdat zij wegens het verstrijken van de termijn van deze machtiging geen belang meer hebben bij dit appel.

3.2.3. Bij beschikking van de rechtbank Middelburg van 17 april 2009 met kenmerk 65248 / JE RK 08-812 is de duur van de machtiging uithuisplaatsing van [B.] verlengd tot 25 augustus 2009.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de zorgen met betrekking tot de opvoeding en verzorging van [B.] door de ouders, zijn veroorzaakt door de melding van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam d.d. 7 juli 2008. [B.] bleek medicijnen te hebben binnengekregen die aan haar vader waren voorgeschreven. Haar ouders hadden geen verklaring voor het gebeurde. [B.] had ook voor die datum ziekenhuisopnames vanwege gezondheidsklachten waarvoor artsen geen verklaring konden vinden. [B.] is op 25 augustus 2008 voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst omdat het vermoeden bestond dat de vader haar ziek had gemaakt; in ieder geval was duidelijk dat haar ouders haar niet hadden weten te behoeden voor lichamelijk letsel.

Uit de rapportage over de ouders is met betrekking tot de vader van een zogenoemde somatisatiestoornis gebleken. Voorts zijn er – naar aanleiding van de bezoekcontacten van het gezin met [B.] – zorgen gerezen bij de hulpverleners over de wijze waarop de ouders met [B.] en de andere kinderen in het gezin omgaan.

Tenslotte is gebleken dat het de ouders in samenspraak met de hulpverlening niet is gelukt in onderling overleg het veiligheidsplan te maken, dat nodig werd geacht om [B.] weer naar huis te laten gaan. Als gevolg hiervan is de (fysieke) veiligheid ten aanzien van de jeugdige – in het geval van een thuisplaatsing – onvoldoende gewaarborgd, aldus de rechtbank.

Ondanks het feit dat de hulpverlening, die in het gezin werkzaam is, overwegend positief is over de pedagogische capaciteiten van de ouders, heeft de rechtbank in het hier voorgaande grond gevonden om de machtiging uithuisplaatsing van [B.] te verlengen. Er was op dat moment naar het oordeel van de rechtbank geen andere wijze voorhanden om haar veiligheid te waarborgen.

De ouders kunnen zich met deze beschikking niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3. De raad voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

[B.] heeft een uitgebreide geschiedenis van ziekenhuisopnames vanwege voor de artsen niet verklaarbare klachten. Bij de laatste ziekenhuisopname op 2 juli 2008 was sprake van neurologische uitvalsverschijnselen. In haar bloed werd het medicijn carbemazepine aangetroffen, welk medicijn aan haar vader was voorgeschreven. De ouders konden hiervoor geen verklaring geven. Het vermoeden bestond dat het medicijn door de vader aan [B.] was toegediend.

3.3.1. Vanwege de (fysieke) onveiligheid binnen het gezin heeft de raad vervolgens de (voorlopige) ondertoezichtstelling voor alle kinderen verzocht. Om de veiligheid van [B.] te waarborgen en om meer duidelijkheid te krijgen over de problematiek van [B.] is ten aanzien van [B.] tevens een machtiging uithuisplaatsing verzocht. Sinds de uithuisplaatsing zijn er geen ziekenhuisopnamen van [B.] meer geweest en ontwikkelt zij zich in het pleeggezin als een gezond kind.

3.3.2. Gedurende de ondertoezichtstelling van de kinderen hebben er geobserveerde contacten plaatsgevonden tussen [B.] en haar ouders en broers bij de stichting. Naar aanleiding van deze observaties zijn er zowel bij de raad als bij de stichting zorgen gerezen omtrent de manier waarop de ouders met hun kinderen omgaan en is, in tegenstelling tot eerdere overtuigingen van de raad en de stichting, duidelijk geworden dat de ouders pedagogisch onmachtig zijn. Deze constatering heeft geleid tot het inzicht dat de tot dan toe ingezette hulpverlening, IPT, niet de juiste vorm van hulpverlening is binnen dit gezin, maar dat een meer therapeutische vorm van hulpverlening noodzakelijk is om de bedreiging in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen op te heffen. Een passende hulpverleningsvorm is volgens de raad een gezinsopname in het RMPI, maar de ouders wensen hier niet aan mee te werken.

3.3.3. Ook het niet tot stand komen van het veiligheidsplan – waarvan de totstandkoming naar de mening van de raad een absolute voorwaarde is voor terugkeer van [B.] in het gezin – is volgens de raad volledig te wijten aan de ouders.

De raad is van mening dat alle kinderen in het gezin nog steeds bedreigd worden als gevolg van (fysieke) onveiligheid bij en de pedagogische onmacht van de ouders en dat gepaste hulpverlening tot op heden als gevolg van de houding van de ouders niet van de grond is gekomen.

3.4. De stichting heeft ter zitting – kort samengevat – het verzoek van de raad ondersteund.

3.5. De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De ouders betwisten dat zij de medicijnen van de vader aan [B.] hebben toegediend. Zij vertrouwen elkaar daarin volledig. Zij achten de kans dat [B.] de medicatie van vader per ongeluk heeft binnengekregen zeer klein, maar kunnen dit niet volledig uitsluiten. Onder verwijzing naar de verklaring van de heer Jeppe Ragnar Andersen, MSc. (Pharm), Clinical Trial Manager bij CCBR Synarc A/S (Clinical Research Centers) te Ballerup, Denemarken, stellen zij echter hun vraagtekens bij de betrouw- baarheid van de uitslagen van de bloedtest van [B.] en geven zij een alternatieve verklaring voor het feit dat carbemazepine in haar bloed is aangetroffen.

3.5.1. De ouders stellen dat uit het verslag van het AZZ blijkt dat zij wel over voldoende pedagogische vaardigheden beschikken. De omgangsmomenten bij de stichting zijn volgens hen niet representatief, omdat zij zich dan in een onnatuurlijke, gespannen situatie bevinden, waarin zowel de ouders als de kinderen zich zeer onprettig voelen. Zij hebben het gevoel drie weken in één uur te moeten proppen, terwijl de speelruimte bij de stichting bovendien veel te klein is voor twee volwassenen en vier kinderen. De ouders hebben voorgesteld de omgang buiten te laten plaatsvinden. De gezinsvoogd heeft aangegeven dat het sindsdien veel beter gaat.

3.5.2. Dat het veiligheidsplan niet tot stand is gekomen is volgens de ouders niet aan hen te wijten. De ouders hebben op aandringen van de stichting ingestemd met de grootouders (mz) als begeleiders in het kader van het veiligheidsplan, ondanks het feit dat deze familieverhouding zeer gespannen is. De grootouders hebben vervolgens laten weten toch niet mee te willen werken, terwijl de stichting niet akkoord ging met diverse andere kandidaten die door de ouders werden aangedragen en evenmin heeft getracht een veiligheidsplan met professionals te realiseren.

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, onder toezicht stellen.

3.6.2. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige uit huis plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Het hof is van oordeel dat van een situatie als bedoeld in artikel 1:254 BW ten aanzien van [A.], [C.] en [D.] geen sprake is, doch ten aanzien van [B.] wel. Naar het oordeel van het hof is van een situatie als bedoeld in artikel 1:261 lid 1 ten aanzien van [B.] echter geen sprake. Het hof overweegt daartoe het volgende.

De veiligheid in het gezin

3.6.3. Volgens voornoemde heer Andersen zijn de resultaten van de bloedtest die door het ziekenhuis is uitgevoerd, gelet op de twee uiteenlopende waarden van 1,4 mg/l en kleiner dan 0,5 mg/l, - ervan uitgaande dat deze zijn uitgevoerd op één monster - onbetrouwbaar. Bovendien zit de waarde van minder dan 0,5 mg/l onder de detectiewaarde van de test. Voorts kan een vals-positieve uitslag zijn ontstaan door een kruisreactie met andere moleculen. Dit fenomeen wordt onder andere beschreven voor Xyzal®, welk middel als hooikoortsmedicijn aan [B.] is voorgeschreven voor dagelijks gebruik. Het verschil in uitslag kan ook door deze kruisreactie worden verklaard. De producent van carbemazepine stelt dat bij een bloedspiegel van 1,4 mg/l geen werkzaamheid verwacht mag worden. Bijverschijnselen zouden pas optreden bij een bloedspiegel van 8-9 mg/l. Bij een gevonden bloedwaarde van 1,4 mg/l moet geconcludeerd worden dat 2 tot 5 dagen eerder de maximale bloedspiegel aanwezig moet zijn geweest, maar toen vertoonde [B.] geen symptomen.

Deze bevindingen van de heer Andersen zijn door de raad op geen enkele wijze weerlegd. Het hof is van oordeel dat hiermee zodanige twijfels zijn gerezen ten aanzien van de verdenking dat (een van) de ouders het medicijn aan [B.] (zou) zouden hebben toegediend, dat op [C.]is hiervan niet de conclusie getrokken kan worden dat sprake is van zodanig gevaar voor de (fysieke) veiligheid van [B.] dat uithuisplaatsing noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

3.6.4. Ook in de persoonlijkheid van de ouders ziet het hof geen, althans onvoldoende aanwijzing dat de veiligheid van de kinderen in het geding is. De diagnosen die naar aanleiding van de persoonlijkheidsonderzoeken van de ouders door drs. Bonroy en Wetsteyn en Van Soest met betrekking tot de vader zijn gesteld – somatisatiestoornis, passief-agressieve en theatrale kenmerken, aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken – worden niet gesteund door psychotherapeut Meulendijks die de vader op advies van deze deskundigen en in opdracht van de stichting heeft ingeschakeld en waar hij acht consulten heeft gehad.

De pedagogische vaardigheden van de ouders

3.6.5. Tegenover de zorgen van de raad en de stichting ten aanzien van de omgang van de ouders met hun kinderen, staan de positieve observaties van de ITP-er die het gezin sinds de uithuisplaatsing van [B.] gedurende 7 maanden heeft begeleid. Het hof overweegt dat de ouders een afdoende en aannemelijke verklaring hebben gegeven voor het feit dat er tijdens de omgangsmomenten twijfels hebben kunnen ontstaan over de wijze waarop zij met de kinderen omgaan, zich daarbij, zoals eerder overwogen, beroepende op het bestaan van een onnatuurlijk situatie tijdens de omgangsmomenten alsook de, qua oMHVang, zeer beperkte ruimte. Daarbij stelt het hof vast dat de gezinsvoogd heeft aangegeven dat de omgang veel beter verloopt sinds deze buiten plaatsvindt.

Het hof overweegt dat aan de bevindingen van de ITP-er, gelet op de langdurige en consistente periode en de vertrouwde, natuurlijke omgeving waarin de observatie heeft plaatsgevonden, in dezen meer gewicht moet worden toegekend. Het hof concludeert derhalve op [C.]is van die bevindingen alsook op de recente ervaringen van de gezinsvoogd, dat de ouders over voldoende pedagogische vaardigheden beschikken om de drie jongens op te voeden. Het hof ziet geen reden om aan te nemen dat dit voor [B.] anders zou zijn.

3.6.6. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat er geen gronden zijn voor de uithuisplaatsing van [B.], noch voor de ondertoezicht-stelling van [A.], [C.] en [D.]. Het hof is van oordeel dat er nog wel grond is voor de ondertoezichtstelling van [B.] gelet op met name de zorgen die bestaan omtrent de hechting van [B.], die zich inmiddels alweer in het derde pleeggezin bevindt. Een ondertoezichtstelling zal dan ook nodig zijn om de thuisplaatsing van [B.] adequaat te begeleiden en om een ontwikkelings-bedreiging in de vorm van hechtingsproblematiek af te wenden. In dit kader acht het hof ook het opstellen van een veiligheidsplan wenselijk. De stichting heeft ter zitting van het hof desgevraagd aangegeven dat zij zich zullen inzetten een veiligheidsplan tot stand te brengen waarin professionals een rol zullen spelen. Gelet op de tijd die nodig zal zijn om dit plan op te stellen, geeft het hof de stichting hiervoor de tijd tot 23 augustus 2009. Dit brengt met zich dat [B.] uiterlijk op 23 augustus 2009 weer bij de ouders thuis moet zijn geplaatst.

3.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen met betrekking tot de ondertoezichtstelling van [A.], [C.] en [D.] en van [B.] dienen te worden bekrachtigd en dat de bestreden beschikking met betrekking tot de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [B.] tot 25 augustus 2009 dient te worden vernietigd per 24 augustus 2009.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Middelburg van 20 februari 2009 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

vernietigt met ingang van 24 augustus 2009 de beschikking van de rechtbank Middelburg van 17 april 2009;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 24 augustus 2009 alsnog af het inleidend verzoek van de raad ter zake van de machtiging uithuisplaatsing van [B.];

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de machtiging uithuisplaatsing over de periode van 25 april 2009 tot en met 23 augustus 2009;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Middelburg.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Milar, Smeenk-van der Weijden en Pellis, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2009.