Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ6022

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
BK-07/00473
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De schrijverswerkzaamheden van belanghebbende vormen voor hem geen bron van inkomen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet; er is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00473

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 25 augustus 2009

op het hoger beroep van [X] te [Z] tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juni 2007, nummer AWB 06/2807 IB/PVV, betreffende na te melden aan hem door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden, opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerst aanleg

1.1 Aan belanghebbende is door de Inspecteur voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.183.

1.2 Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarop gerepliceerd.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 juni 2009. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding in hoger beroep en het ter zitting verhandelde staat als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast:

3.1 Belanghebbende was tot aan zijn pensionering op 1 januari 2001 werkzaam op de Universiteit Leiden. In het onderhavige jaar en in de daaraan voorafgaande jaren publiceerde hij op zijn vakgebied. De schrijfwerkzaamheden verrichtte hij thuis in zijn werkkamer, terwijl het voor de publicaties noodzakelijke wetenschappelijk onderzoek ook elders werd gedaan.

3.2 In alle jaren hebben deze werkzaamheden voor belanghebbende een negatief resultaat opgeleverd. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende geen inkomsten uit zijn schrijverswerkzaamheden genoten; de in dit verband in aftrek gebrachte kosten bedragen € 5.486.

3.3 Ook de echtgenote van belanghebbende verrichtte overeenkomstige werkzaamheden. Sommige kosten worden door de echtelieden gezamenlijk gemaakt en deze worden bij de een dan wel bij de ander in aftrek gebracht. Door dit Hof is bij uitspraak van 8 mei 2007, kenmerk BK-04/03564 ten aanzien van de echtgenote voor het jaar 2002 beslist dat de werkzaamheden een bron van inkomen vormen en voor haar resultaat uit overige werkzaamheden opleveren. De bruto-opbrengst bedraagt voor de echtgenote in het onderhavige jaar € 2.666.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil of de schrijverswerkzaamheden van belanghebbende voor hem een bron van inkomen vormen dan wel het negatieve resultaat op grond van het gelijkheidsbeginsel in mindering op het inkomen kunnen worden gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2 Het standpunt van belanghebbende is dat niet kan worden vastgesteld wie van de echtelieden bepaalde (onderzoek)werkzaamheden heeft verricht en dat, indien een publicatie inkomsten oplevert, niet goed mogelijk is te bepalen aan wie die inkomsten moeten worden toegerekend. De omvang van de opbrengsten van een publicatie vallen niet vooraf vast te stellen. Ook kunnen de royalties uit een publicatie per jaar wisselen. Nu de werkzaamheden voor de echtgenote wel een inkomensbron vormen en voor belanghebbende niet, is sprake van discriminatie.

Verder is het verweerschrift in hoger beroep niet tijdig ingediend, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de stellingen van belanghebbende door de Inspecteur niet zijn weersproken.

4.3 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige jaar redelijkerwijs niet te verwachten was dat belanghebbende met zijn schrijverswerkzaamheden een voordeel zou behalen. Voor een in rechte te honoreren beroep op ongelijke behandeling bestaat geen aanleiding. Voorts is toegezegd dat, indien op termijn de baten de lasten substantieel mochten gaan overtreffen, belanghebbende alsnog in de gelegenheid wordt gesteld deze kosten te verrekenen.

Conclusies van partijen

5.1 De conclusie van belanghebbende is dat de aanslag dient te worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.697.

5.2 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1 De stelling dat de Inspecteur het verweerschrift in hoger beroep te laat heeft ingediend, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft de Inspecteur uitstel verleend tot het indienen van een verweerschrift tot 30 januari 2008. Het verweerschrift is ingekomen op 25 januari 2008.

6.2 Met betrekking tot de bronvraag overweegt het Hof dat het op de weg van belanghebbende ligt, in een geval als het onderhavige waarin aanspraak wordt gemaakt op een aftrek van kosten en deze aftrek door de Inspecteur wordt bestreden, om aannemelijk te maken dat naar verwachting de werkzaamheden in de toekomst tot een positief resultaat zullen leiden. Het Hof trekt niet in twijfel dat voor publicaties veel onderzoek moet worden verricht en dat het voorkomt dat publicaties pas in een later jaar opbrengst opleveren. In dit geval staat echter vast dat de schrijverswerkzaamheden reeds jaren tot een negatief resultaat leiden, terwijl belanghebbende geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit in latere jaren anders is. Van een bron van inkomen is derhalve in het onderhavige jaar geen sprake. Het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009, nr. 07/10538, LJN: BH0499, waarnaar belanghebbende heeft verwezen, ziet op een geheel andere situatie.

6.3 Voor belanghebbende en voor zijn echtgenote moeten de op ieder van hen betrekking hebbende omstandigheden worden beoordeeld. Het enkele feit dat bij de echtgenote een bron van inkomen aanwezig is geoordeeld, brengt niet mee dat ten opzichte van belanghebbende sprake is van een ongelijke behandeling. De omstandigheden zijn niet gelijk, nu de echtgenote in het onderhavige jaar een per saldo positieve bate heeft genoten en voor belanghebbende de schrijverswerkzaamheden niet tot enige inkomsten hebben geleid. De stelling van belanghebbende dat de uitkomst afhankelijk is van de wijze waarop kosten en baten aan de echtelieden worden toegerekend, treft geen doel. Het Hof gaat ervan uit dat deze toerekening op juiste wijze heeft plaatsgevonden.

6.4 Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, P.J.J. Vonk en P.M. Verhagen, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 25 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.