Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ6011

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
BK-08/00324
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzuimboete. Artikel 67a AWR. Er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Indien al moet worden geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM voor de behandeling van het hoger beroep, wordt de geconstateerde verdragsschending, nu de boete € 113 beloopt, met deze vaststelling voldoende gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/57.6 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1794
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00324

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 25 augustus 2009

op het hoger beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 juli 2008, nr. AWB 07/173 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, is aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 21.488, zonder verrekening van voorheffingen. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende op de voet van de artikelen 67a, eerste lid, en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een boete opgelegd van € 113.

1.2. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag gedeeltelijk toegewezen, de aanslag verminderd tot een naar een verzamelinkomen van € 21.488 met verrekening van voorheffingen tot een bedrag van € 2.548 en heeft hij de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 2 juni 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Beide partijen hebben op een tijdens de mondelinge behandeling gedaan verzoek van de voorzitter op 4 juni (de Inspecteur) respectievelijk 5 juni 2009 (belanghebbende) nog stukken aan het Hof toegezonden, welke stukken aan de wederpartij zijn toegezonden. Partijen hebben daarbij niet verzocht om een nadere mondelinge behandeling van het hoger beroep om zich over de toegezonden bescheiden uit te laten.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgereikt. Op dit biljet staat vermeld dat de aangifte vóór 1 april 2003 moet zijn ontvangen bij de Belastingdienst.

3.2. Belanghebbende heeft niet verzocht om uitstel voor de indiening van het aangiftebiljet.

3.3. De Inspecteur heeft belanghebbende bij schrijven met dagtekening 3 november 2003 aangemaand het aangiftebiljet naar waarheid en volledig ingevuld aan hem toe te zenden. Daarbij is een termijn gesteld welke eindigde op 24 november 2003.

3.4. Het aangiftebiljet is ingevuld en ondertekend op 24 december 2003 ingekomen bij de Belastingdienst Rijnmond.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de verzuimboete wegens het te laat indienen van de aangifte terecht, en zo ja tot het juiste bedrag, is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Met betrekking tot de subsidiair voorgelegde vraag stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de boete dient te worden gematigd wegens undue delay. De Inspecteur bestrijdt dit gemotiveerd.

4.2. Belanghebbende beroept zich ten principale op afwezigheid van alle schuld. Zijns inziens is hiervan sprake nu hij vanwege zijn detentie, de inbeslagname van de administratie van zijn in BV-vorm gedreven bedrijven, alsmede de onwil van de curator in zijn faillissement en dat van zijn bedrijven om medewerking te geven aan het door hem gewenste inzien van de voor zijn aangifte noodzakelijke gegevens. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de boete dient te worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zijns inziens heeft de rechtbank de overschrijding van de termijn in absolute zin (twee jaar + acht maanden) ten onrechte voor elf maanden toegerekend aan het doen en nalaten van belanghebbende, te weten de periode gelegen tussen het verzoek van de Inspecteur om nadere informatie in de bezwaarfase en de reactie daarop: 4,5 maanden, de periode tussen het nadere verzoek van de Inspecteur en de uiterste reactietermijn: circa 4 maanden, alsmede de periode gelegen tussen het instellen van beroep en de nadere motivering van het beroep: 2 maanden.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de wederzijdse standpunten van partijen en de gronden waarop zij doen steunen verwijst, het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking, en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking in dier voege dat de boete wordt gematigd tot op € 101 (korting van 10% wegens undue delay).

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil/beschouwing

6.1. Belanghebbende richt zich in zijn hoger beroepschrift slechts tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de per saldo verschuldigde verzuimboete.De overige geschilpunten vormen thans derhalve geen onderdeel meer van de rechtsstrijd.

6.2. De Inspecteur heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep bescheiden overgelegd, waarmee hij - tegenover de blote ontkenning van belanghebbende, welke ontkenning eerst tijdens de mondelinge behandeling is gedaan en niet in de daaraan voorafgegane fasen van het geschil - voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende is aangemaand tot het alsnog doen van aangifte tegen een bepaalde datum en dat hij daarin nalatig is geweest. Derhalve gaat het Hof uit van de vaststaande feiten zoals hiervoor onder 3.3 en 3.4 vermeld. Zulks leidt tot de conclusie dat belanghebbende de aangifte niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.

6.3. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, AWR beloopt de boete in het onderhavige geval ten hoogste € 1.134. In § 21, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: Besluit) is bepaald dat onderscheid wordt gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde, vijfde/volgend verzuim. In het geval de aanslag op een positief bedrag wordt vastgesteld legt de inspecteur in geval van een eerste verzuim een boete op van € 113. Voor het belopen van de boete is geen schuld of opzet vereist. Slechts indien sprake is van afwezigheid van alle schuld dient de boete achterwege te blijven. Daartoe overweegt het Hof het volgende.

6.4. Belanghebbende heeft feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden moeten geven de verzuimboete tot op nihil te verminderen. Zo heeft hij zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij vanwege detentie met (extra) beperkingen niet in staat is geweest tijdig aangifte te doen. De detentie heeft echter te gelden als een aangelegenheid die geheel in belanghebbendes risicosfeer ligt (vergelijk Hoge Raad 30 maart 2007, nr. 42090, V-N 2007/17.7). Niets heeft belanghebbende kunnen belemmeren nader uitstel onder opgaaf van redenen te verzoeken. Belanghebbende had zich ter verdediging van zijn rechten kunnen laten bijstaan door (fiscaal) rechtsgeleerde hulp en heeft daarvan kennelijk om hem moverende redenen afgezien. Ook de stelling dat belanghebbende geen inzage heeft kunnen krijgen in de onder de berusting van de faillissementcurator berustende administratie is door de Inspecteur gemotiveerd bestreden. Uit de bij brief van belanghebbendes gemachtigde met dagtekening 22 mei 2009 overgelegde bescheiden blijkt van een weigering van een inzage van de zijde van de curator niet dan wel volstrekt onvoldoende. De administratie is - naar de Inspecteur onvoldoende weersproken heeft gesteld - ook daadwerkelijk ingezien. In de kern is sprake van een financieel geschil met de curator inzake de omvang van de daartoe te vergoeden kosten. Het Hof komt tot het oordeel dat alle door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden geenszins het oordeel kunnen schragen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Ook overigens zijn het Hof niet van zodanige feiten of omstandigheden gebleken. De rechtbank heeft mitsdien in zoverre op goede gronden een juiste beslissing genomen.

6.5. Het Hof zal tevens nog onderzoeken - voor zover nodig ambtshalve - of te dezen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof verstaat de bestreden uitspraak van de rechtbank (overweging 2.13) aldus dat de rechtbank de reactietijd van belanghebbende voor zijn rekening heeft gelaten bij het beantwoorden van de vraag in welke mate de overschrijding van de redelijke termijn aan het doen en nalaten van belanghebbende is toe te rekenen. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank ook in zoverre op goede gronden een juist oordeel heeft gegeven en maakt dat oordeel tot het zijne. Aanvullend overweegt het Hof nog dat gesteld noch is gebleken dat belanghebbende gedurende die gehele periode in detentie verkeerde, en evenmin zijn andere feiten of omstandigheden gesteld welke de veelvuldige langdurige reactietijd van belanghebbende afdoende verklaren.

6.6. Voorts overweegt het Hof nog het volgende. Tussen het toezenden van de uitspraak van de rechtbank met dagtekening 4 juli 2008, op 14 juli 2008, en de datum van 's Hof uitspraak 25 augustus 2009, is een periode gelegen van iets meer dan dertien maanden. Indien al moet worden geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM voor de behandeling van het hoger beroep, wordt de geconstateerde verdragsschending, nu de boete € 113 beloopt, met deze vaststelling voldoende gecompenseerd (HR 24 april 2009, nr. 42.235 V-N 2009/20.5). Voor een verdere vermindering van de verzuimboete van € 113, acht het Hof geen termen aanwezig.

6.7. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, P.J.J. Vonk en H.J. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 25 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.