Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5987

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
25-08-2009
Zaaknummer
BK-07/00588
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Ambtelijk verzuim. Nieuw feit. Omkering bewijslast. Bij de schatting van belanghebbendes belastbare inkomen is er onmiskenbaar sprake van een dubbeltelling, hetgeen de redelijkheid te buiten gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1822
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00588

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 18 augustus 2009

op het hoger beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 september 2007, nr. AWB 06/6034 IB/PVV, betreffende na te noemen navorderingsaanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is, met dagtekening 23 september 2004, voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

Vervolgens heeft de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, aan belanghebbende voor dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.218 (ƒ 190.000). Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van € 18.655.

1.2. Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de navorderingsaanslag afgewezen, diens bezwaar tegen de beschikking toegewezen, de navorderingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de navorderingsaanslag beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Bij brief van 14 april 2009, bij het Hof ingekomen op 15 april 2009, heeft belanghebbende nadere stukken ingezonden, waarvan - door tussenkomst van de griffier - een kopie is verstrekt aan de Inspecteur.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 28 april 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is geboren op 19 mei 1961 en is gehuwd. In het onderhavige jaar bestaan zijn activiteiten uit handel in "ongeregelde goederen". De echtgenote van belanghebbende geniet resultaat uit overige werkzaamheden tot een bedrag van ƒ 33.800 (€ 15.337).

3.2. Op 25 september 2001 is belanghebbende gearresteerd op verdenking van handel in verdovende middelen. Bij zijn arrestatie heeft de politie de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een geldbedrag in contanten aangetroffen van ƒ 46.000 (€ 20.874). Aan belanghebbende is een vrijheidsstraf opgelegd van 21 maanden. Hij is gedetineerd geweest tot 1 oktober 2002.

3.3. Belanghebbende beschikt over een aantal bankrekeningen waarvan het tegoed in het onderhavige jaar is toegenomen met een bedrag van ƒ 20.648 (€ 9.370). Op naam van de echtgenote staat eveneens een aantal bankrekeningen waarvan het saldo in het onderhavige jaar is toegenomen met ƒ 42.800 (€ 19.422) .

3.4. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een bedrag van ƒ 50.000 (€ 22.689) aan zijn vader uitgeleend ten behoeve van de aankoop van een auto op 9 mei 2001, waarvoor ƒ 54.000 in contanten is betaald.

3.5. In de periode maart 2002 tot en met oktober 2003 heeft belanghebbende diverse keren verzocht om uitstel voor het indienen van zijn aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001. De laatste keer is hem hiervoor uitstel verleend tot 1 januari 2004. Als reden voor het gevraagde uitstel heeft belanghebbende aangevoerd dat " (ik) nog steeds geen aangifte (kan) doen (...) doordat de justitie nog steeds mijn spullen niet heeft teruggegeven." Met dagtekening 3 september 2004 heeft de Inspecteur de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen van nihil. Een aanmaning tot het doen van aangifte is niet verzonden.

3.6. Bij brief van 7 november 2004 heeft belanghebbende de Inspecteur het volgende meegedeeld:

" (...) U heeft mij gevraagd uit welke middelen ik mijn vader destijds het bedrag van ƒ 50.000 geleend heb, ik heb hem dit geleend vanuit mijn contante middelen waarover ik altijd beschik. Dit laatste omdat ik handelaar in ongeregelde goederen was en ben, gezien ik dit vooral doe in dure artikelen en veelal vanuit horeca gelegenheden, moet ik altijd contanten tot mijn directe beschikking hebben.

In de voorgaande jaren ben ik gestaag meer gaan verdienen, het inkomen van 2000 was naar mijn herinnering iets van ƒ 190.000 en 2001 was boeming, althans het grootste deel van dat jaar.

De aangifte over het jaar 2001 berust op een misverstand gezien het feit dat de aangifte nooit door mij gedaan is. Momenteel is mijn bezwaar tegen deze aangifte nog in behandeling. Op dit moment heb ik geen bescheiden die in verband staan met deze verklaring, de aangifte over het jaar 2000 en de betaling zijn in bezit van de belastingdienst. De aangifte over het jaar 2001 volgt nog.

(...)"

3.7.1. Bij brief van 5 januari 2006 heeft de Inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

" U heeft diverse keren verwoord dat uw administratie in beslag is genomen door justitie. Aan de hand van deze administratie meent u het inkomen te kunnen bepalen c.q. te onderbouwen voor het jaar 2001. Omdat u deze administratie niet heeft overlegd, ook niet door tussenkomst van voornoemde advocaat, heb ik, na verkregen toestemming van de Officier van Justitie, contact opgenomen met de regiopolitie Rotterdam Rijnmond teneinde inzicht te verkrijgen in de inbeslaggenomen administratie. Mij is gebleken na inzage van diverse processen-verbaal dat er geen sprake is van een inbeslaggenomen administratie waaruit uw inkomen is te herleiden. Een verlies- en winstrekening maakt geen onderdeel uit van hetgeen is inbeslaggenomen.

Aangezien uw definitieve aanslag destijds tot een te laag bedrag is vastgesteld voordat ik over deze nieuwe feiten kon beschikken, ben ik voornemens u op grond van artikel 16 Algemene wet rijksbelastingen (AWR) een navorderingsaanslag op te leggen.

Uit mij bekende informatie, geraadpleegde bestanden en hetgeen u heeft verwoord kom ik tot de volgende specificatie:

- kasbetaling aan automobielbedrijf [A] b.v. ƒ 54.000

- toename saldi bank-, giro- en spaarrekeningen ƒ 42.381

- tijdens doorzoeking van uw woning inbeslaggenomen contanten ƒ 46.000

- direct voorhanden contanten t.b.v. handel ƒ 45.000

Totaal te herleiden ƒ 187.381

Ik merk op dat u in uw brief van 7 november 2004 melding maakt van het feit dat in 2001 uw inkomen aanzienlijk meer ("boeming") was dan ƒ 190.000. Gelet op het vorenstaande stel ik uw inkomen dan ook vast op ƒ 190.000.

(...)"

De in vorenvermelde brief in het vooruitzicht gestelde navorderingsaanslag is overeenkomstig de aankondiging opgelegd en wel met dagtekening 16 februari 2006.

3.7.2. Onder de kop "Geschatte inkomsten over de periode 01-01-2001 tot 24-09-2001" heeft belanghebbende de volgende opstelling overgelegd aan de Inspecteur:

"Kassaldo per 01-01-2003 60.750 euro ofwel Fl 127.000,-

Uitgaven over de periode 01-01-2001 tot 01-01-2003 Fl 125.000,-

In beslag genomen geld op 25-09-2001 Fl 46.000,-

Uitstaande lening van Fl 50.000,-

Gebaseerd op deze cijfers kan ik aangifte laten doen over het jaar 2001."

3.8. In een brief van 23 mei 2006 aan de Inspecteur heeft belanghebbende in het kader van de afhandeling van zijn bezwaar tegen de navorderingsaanslag het volgende meegedeeld:

" (...)

Allereerst wil ik u bedanken voor het terugnemen van de opgelegde boete. Daar had ik de grootste moeite mee, nogmaals bedankt.

Inzake de aanslag Inkomsten Premie volksverzekering met het aanslagnummer (...) ben ik van mening dat die wel ongeveer juist is, hoewel ik dat niet zeker weet. Tegen deze aanslag heb ik geen bezwaar. Op het moment dat ik de stukken terugkrijg van justitie kunnen we dat nog vergelijken, ik neem aan dat dit altijd nog mogelijk zal zijn.

(...)"

3.9. Bij per fax verzonden brief aan de rechtbank van 18-09-2007 heeft mr. [C], een collega van belanghebbendes gemachtigde, het volgende geschreven:

" (...)

Zojuist werd ik telefonisch benaderd door mr. [B], advocaat en procureur, gevestigd en kantoorhoudende te [Q], (...).

Mr. [B] werd hedenochtend in verband met hartklachten opgenomen in het ziekenhuis (...).

Hij verzocht mij om mij in verbinding te stellen met uw griffie in verband met de behandeling van een zaak die hij op donderdag a.s. om 11.50 uur zou moeten bijwonen. Het gaat vermoedelijk om een comparitie van partijen. De cliënt van mr. [B] heet [X] en de tegenpartij is de Belastingdienst.

Gelet op de medische situatie van mr. [B] kan hij niet op de geplande zitting aanwezig zijn."

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslag.

5.2. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Belanghebbende heeft zich erover beklaagd dat hij door de gang van zaken bij de rechtbank in zijn procesbelang is geschaad omdat hij niet heeft kunnen reageren op de door de Inspecteur ter zitting van de rechtbank gedane mededeling dat hij zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt dat belanghebbende niet ontvankelijk diende te worden verklaard in zijn bezwaar, liet varen. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat aan deze klacht voorbij kan worden gegaan, reeds omdat de rechtbank - naar het oordeel van het Hof terecht - heeft geoordeeld dat het bezwaarschrift binnen de voorgeschreven termijn is ingediend en het bezwaar dan ook ontvankelijk is. Niet valt in te zien op welke wijze belanghebbende aldus in zijn procesbelang is geschaad.

6.2.1. Verder stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de onderhavige navorderingsaanslag niet, althans niet geheel, in stand kan blijven omdat de Inspecteur ten tijde van het opleggen daarvan niet beschikte over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, laatste volzin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet). Hij heeft er in dat verband onder meer op gewezen dat hij voor het voorafgaande jaar 2000 een belastbaar inkomen heeft aangegeven van circa ƒ 180.000 en dat hij de te dier zake opgelegde aanslag probleemloos heeft voldaan.

6.2.2. Niet in geschil is dat aan de primitieve aanslag geen aangifte van belanghebbende ten grondslag heeft gelegen om de eenvoudige reden dat belanghebbende geen aangifte heeft ingediend. De Inspecteur heeft derhalve het inkomen vastgesteld door schatting. Ook bij een dergelijke schatting eist de door de inspecteur te betrachten zorgvuldigheid dat hij kennis neemt van de in het dossier van belanghebbende aanwezige gegevens, tot welke gegevens onder meer behoren de aangiften en aanslagen over de vorige jaren alsmede belanghebbendes verzoeken om uitstel voor het indienen van de aangifte over het onderhavige jaar. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur zulks heeft nagelaten hetgeen is aan te merken als een ambtelijk verzuim dat in beginsel aan navordering in de weg staat.

6.2.3. De primitieve aanslag is vastgesteld op 23 september 2004. Nadien, in oktober 2004 en later, heeft de Inspecteur informatie verkregen omtrent het feit dat belanghebbende een lening heeft verstrekt aan zijn vader ten bedrage van ƒ 50.000, van het feit dat in het onderhavige jaar bij belanghebbende een bedrag van ƒ 46.000 aan contanten in beslag is genomen, van het feit dat de banktegoeden van belanghebbende en diens echtgenote in het onderhavige jaar met een bedrag van ƒ 42.381 zijn toegenomen, alsmede van het feit dat belanghebbende ten behoeve van zijn handel in "ongeregelde goederen" structureel beschikte over niet onaanzienlijke bedragen aan contant geld. Deze feiten, die de Inspecteur aan de basis heeft gelegd van de navorderingsaanslag, staan los van de onder 6.2.2. omschreven feiten en omstandigheden ter zake waarvan de Inspecteur een ambtelijk verzuim kan worden verweten. Nu eerstbedoelde feiten de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag niet bekend waren en ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn, zijn zij aan te merken als nieuw feit in de zin van artikel 16 van de Wet en bieden zij de Inspecteur de mogelijkheid tot navordering over te gaan. Het eerder plaatsgehad hebbende ambtelijk verzuim staat daaraan niet in de weg. (Zie ook Hoge Raad, 4 mei 1988, nr. 25 370, onder meer gepubliceerd in BNB 1988/209).

6.3. Ter betwisting van de onderhavige navorderingsaanslag heeft belanghebbende verder nog aangevoerd dat de Inspecteur bij de schatting van het belastbare inkomen uit werk en woning ten onrechte ervan is uitgegaan dat hij naast het in beslag genomen bedrag van ƒ 46.000 voor zijn handel in ongeregeld goed nog de beschikking heeft gehad over contant geld ten bedrage van ƒ 45.000.

6.4. Vaststaat dat belanghebbende voor het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Gelet op artikel 27j in verbinding met artikel 27e van de Wet bevestigt het Hof de uitspraak van de rechtbank tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft immers op geen enkele wijze een berekening van zijn inkomen overgelegd die is gebaseerd op een deugdelijke administratie dan wel ondersteund door anderszins verifieerbare gegevens. Dit laat onverlet dat de navorderingsaanslag moet zijn berekend naar een belastbaar inkomen dat berust op een redelijke schatting. Gelet op de stukken van het geding en hetgeen ter zitting is verklaard, een en ander bezien in onderlinge samenhang, is het Hof van oordeel dat door én het bedrag van ƒ 46.000 én het bedrag van ƒ 45.000 aan de basis te leggen van de schatting van belanghebbendes belastbare inkomen er onmiskenbaar sprake is van een dubbeltelling, hetgeen de redelijkheid te buiten gaat. Het Hof merkt daarbij op dat een andere opvatting ervan uitgaat dat belanghebbende tijdens de huiszoeking naast het in beslag genomen geld ook nog ƒ 45.000 in bezit zou hebben gehad dat niet in beslag is genomen. Het Hof acht dit onwaarschijnlijk. Het Hof stelt met inachtneming van het voorgaande het belastbare inkomen uit werk en woning vast op ƒ 145.000.

6.5. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen kan de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijven en dient te worden beslist als volgt.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.690,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (3,5 punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 38, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 106 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 145.000,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.690,50,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 144 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, J.W. Savelbergh en H.J. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 18 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.