Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5691

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
105.012.354.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap op grond van getuigenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector familie

Zaaknummer : 105.012.354.01

Rekestnummer (oud) : 1790-R-07

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 06-209

beschikking van de familiekamer d.d. 8 april 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.W.F. Jansen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[x],

in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de hierna te noemen minderjarige:

[y],

hierna te noemen: de bijzonder curator.

Het geding

Voor de loop van het geding verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 12 november 2008 en de daarin vermelde stukken.

In die beschikking is beslist dat het onderzoek zal worden heropend. De moeder is in de gelegenheid gesteld om ten overstaan van de bij die beschikking benoemde raadsheer-commissaris bij enquête bewijs te leveren van haar stelling dat de man de verwekker is van [y].

Vervolgens zijn getuigenverhoren gehouden op 19 januari 2009 en op 17 maart 2009. De man en de bijzondere curator zijn beiden, alhoewel behoorlijk opgeroepen, op geen van deze zittingen verschenen. Ter terechtzitting van 17 maart 2009 is het getuigenverhoor gesloten en is bepaald dat een beschikking zal volgen.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof stelt voorop dat een DNA-onderzoek met zekerheid uitsluitsel zou kunnen geven over de vraag of de man de verwekker is van [y]. De omstandigheid, dat een zodanig onderzoek niet kan plaatsvinden omdat de man daaraan in het geheel geen medewerking verleent, betekent echter niet dat een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap op die grond dient te worden afgewezen. Dit zou ook strijdig zijn met het belang van [y], daar in dat geval het voor hem niet mogelijk zou zijn, een afstammingsband te realiseren met zijn vader, terwijl hij deze wel heeft.

In zoverre slaagt de grief van de moeder.

2. Het hof zal beoordelen of de moeder is geslaagd in de bewijslevering, dat de man de verwekker is van [y].

3. Er zijn vier getuigen gehoord, waaronder de moeder als partij-getuige.

De andere drie getuigen zijn een zuster, een zoon en een neef van de moeder.

Zij hebben allen verklaard dat de moeder en de man een relatie hadden, dat vervolgens [y] is geboren, dat de man aan ieder van hen heeft verteld dat hij de vader is van [y], dat hij [y] kwam ophalen om met hem uit te gaan en dat hij regelmatig bij de moeder langsging om [y] te zien.

De moeder heeft verder nog verklaard dat zij voor de geboorte van [y] uitsluitend met de man heeft verkeerd en niet met een andere man.

Ook heeft de man, aldus de moeder in haar verklaring, kort na de geboorte van [y] nog wel spullen voor hem gekocht. Voorts heeft zij verklaard dat zij met de man naar de ambtenaar van de burgerlijke stand is gegaan om [y] door de man te doen erkennen, maar dat deze erkenning uitsluitend geen doorgang heeft gevonden omdat nog enige papieren ontbraken en de man daarna geen contact meer heeft opgenomen.

4. Het hof is van oordeel dat de moeder is geslaagd in het leveren van bewijs. Daarmee is komen vast te staan dat de man de verwekker is van [y]. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook in zoverre vernietigen en beslissen als na te melden.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast dat de man de vader is van:

[y], geboren 7 december 2005 te [geboorteplaats];

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Labohm en Burgers-Thomassen, bijgestaan door Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2009.