Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5654

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
200.021.967
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten plaatsing. Verklaring Jeugdzorg onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 11 maart 2009

Zaaknummer : 200.021.967

Rekestnr. rechtbank : JE RK 08-804

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de jeugdige,

advocaat mr. D.J.A. Burlet,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland,

kantoor houdende te Middelburg,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

[x], de vader, en [y], de moeder,

beide wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen: de ouders,

in zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 Rv is gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De jeugdige is op 24 december 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 november 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Middelburg.

Op 4 februari 2009 heeft het hof de toevoeging aan de jeugdige gelast van mr. D.J.A. Burlet, advocaat te Oostburg.

Van de zijde van de raad zijn bij het hof op 6 februari 2009 stukken ingekomen, met de mededeling dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.

Jeugdzorg heeft op 10 februari 2009 per fax een verweerschrift ingediend.

Op 11 februari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de jeugdige, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.M. van de Wijnckel, kantoorgenoot van mr. D.J.A. Burlet, en namens Jeugdzorg: mevrouw A.F.M. van Loon. Verder zijn de ouders verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouwe van de jeugdige onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de kinderrechter machtiging verleend tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg met ingang van 24 november 2008 en tot 24 mei 2009. Verder is bepaald dat de machtiging ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting, indien er geen plaats is in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Iedere verdere beslissing met betrekking tot de machtiging tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is aangehouden tot de terechtzitting van 14 mei 2009 te 12.00 uur.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. De jeugdige is sinds 26 januari 2009 geplaatst in Rentray te Rekken.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg van 24 november 2008 tot 24 mei 2009.

2. De jeugdige verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van Jeugdzorg tot een machtiging plaatsing gesloten jeugdzorg in het kader van een ondertoezichtstelling af te wijzen. Jeugdzorg bestrijdt haar beroep.

3. Ter toelichting op haar beroep voert de jeugdige aan dat zij zich niet kan vinden in het oordeel van de kinderrechter dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Deze conclusie is volgens de jeugdige nergens op gebaseerd. Zowel de jeugdige als haar ouders hebben juist steeds hun medewerking verleend aan de voorgestelde hulpverlening. Laatstelijk hebben de ouders en de jeugdige deelgenomen aan Families First. Zowel de ouders als de jeugdige hebben de inzet van Families First als zeer positief ervaren. Zowel de jeugdige als haar ouders hebben in het verleden aangegeven akkoord te zijn met een ambulant persoonlijkheidsonderzoek. Met deze toestemming is echter in het geheel niets gedaan en nu moet alsnog de periode dat zij in de inrichting verblijft worden gebruikt voor dit onderzoek. De jeugdige meent dat zij meer gebaat bij het inzetten van hulpverlening thuis, waarbij zij ook na haar achttiende jaar vrijwillig hulp kan aanvaarden. De jeugdige ontkent uitdrukkelijk dat zij betrokken was bij de door Jeugdzorg naar voren gebrachte incidenten, zoals hieronder genoemd.

Zij erkent dat er verbeterpunten zijn waaraan zij moet werken, doch dit kan ook in de thuissituatie. De ouders hebben ter zitting het beroep van de jeugdige ondersteund.

4. Jeugdzorg heeft zich verweerd en gesteld - kort samengevat - dat alle ingezette (intensieve) vormen van hulpverlening vanaf het moment van de ondertoezichtstelling niet hebben geleid tot een structurele verbetering van de opvoedsituatie en van de ontwikkelingskansen van de jeugdige. Dit geldt voor de residentiële hulpverlening en ook voor de ambulante hulp in de thuissituatie, die geen blijvende gedragsverandering bij de jeugdige en haar ouders hebben kunnen bewerkstelligen. De jeugdige heeft een belaste voorgeschiedenis. Zij functioneert op licht verstandelijk gehandicapten niveau en is erg kwetsbaar en beïnvloedbaar. Daarbij heeft zich een aantal incidenten voorgedaan, zoals veelvuldig fietsendiefstal en wegloopgedrag. Voorts was de jeugdige betrokken bij een feest, dat uitliep op een orgie. Dit bij elkaar was voor Jeugdzorg aanleiding te verzoeken om de jeugdige in een gesloten setting te plaatsen. Jeugdzorg meent dat het nodig is om de plaatsing van de jeugdige in een gesloten setting voort te zetten, om haar tegen zichzelf en anderen te kunnen beschermen en haar de behandeling te kunnen geven die zij nodig heeft en waaraan zij zich niet kan onttrekken door weg te lopen.

5. Het hof overweegt als volgt.

Blijkens de bestreden beschikking heeft de kinderrechter daaraan het oordeel ten grondslag gelegd dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de wet op de jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Dit oordeel wordt door de jeugdige onder meer met het standpunt dat de conclusie van de kinderrechter nergens op is gebaseerd, gemotiveerd bestreden.

6. Het hof constateert dat de kinderrechter het oordeel dat de situatie als bedoeld in artikel 29b lid 3 van de Wet op de jeugdzorg zich voordoet mede heeft gebaseerd op de in eerste aanleg overgelegde verklaring van Jeugdzorg als bedoeld in artikel 29 lid 4 van de Wet op de jeugdzorg en de instemming daarmee van de gedragswetenschapper. Het hof constateert aan de hand van het hem overgelegde dossier van eerste aanleg dat de verklaring van de gedragswetenschapper uitsluitend instemming behelst met het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg Zeeland en dat dit indicatiebesluit, nog daargelaten dat dit afkomstig is van de Voorzitter Indicatieorgaan, een verklaring als wettelijk vereist niet bevat en ook overigens niet als zodanig kan worden opgevat. Het hof kan derhalve niet komen tot het oordeel dat zich een zodanige situatie voordoet dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken, zodat de grief van de jeugdige slaagt en de bestreden beschikking behoort te worden vernietigd. Daarbij betrekt het hof dat hem uit de stukken noch uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken van zodanige omstandigheden dat, ofschoon de voorschriften van artikel 29b leden 4 en 5 van de Wet op de jeugdzorg niet zijn vervuld, desondanks kan worden geoordeeld dat de situatie van artikel 29 b lid 3 van de Wet op de jeugdzorg zich voordoet.

7. Uit het voorgaande volgt dat het inleidende verzoek van Jeugdzorg tot afgifte van een machtiging tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg alsnog moet worden afgewezen. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van Jeugdzorg, strekkende tot afgifte van een machtiging tot plaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, van Leuven en Bouritius, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2009.