Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5555

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
19-08-2009
Zaaknummer
105.005.820-01 en 105.005.821-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bodemverontreiniging, opvolgende huur, schade

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 155
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1599
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2009/58 met annotatie van H.J. Bos
JM 2010/43 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.005.820/01 en 105.005.821/01

Rolnummer (oud) : 06/1609 en 06/1610

Rolnummers rechtbank : 266731/ HA ZA 06-2204 en 661010

arrest van de negende civiele kamer d.d. 18 augustus 2009

inzake

NS VASTGOED B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

hierna te noemen: NSV,

advocaat: mr. G.C.W. van der Feltz, te 's-Gravenhage,

tegen

[Handelsmaatschappij L. B.V.],

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [Handelsmaatschappij L. B.V.],

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Het hof heeft eerder in deze zaak arrest gewezen op 30 maart 2007. Voor de loop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Ingevolge het arrest heeft voeging plaatsgevonden van de zaken met de rolnummers 06/1609 en 06/1610.

NSV heeft vervolgens bij memorie van grieven, met één productie, twee grieven tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) van 16 maart 2006 (hierna: het vonnis van de kantonrechter) en een grief tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector civiel, (hierna: de rechtbank) van 18 oktober 2006 (hierna: het vonnis van de rechtbank). Bij memorie van antwoord heeft [Handelsmaatschappij L. B.V.] de grieven bestreden.

Vervolgens heeft NSV de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1 De feiten die de kantonrechter in het vonnis van 16 maart 2006 heeft vastgesteld zijn niet in geschil. Ook het hof zal van deze feiten uitgaan.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. In de periode van 1 januari 1959 tot 1 april 1976 heeft de Benzine en Petroleum Handel Maatschappij (hierna: BP) van de N.V. Nederlandsche Spoorwegen (hierna: NS) een of meer percelen grond in huur gehad van het emplacement te Hillegersberg Rotterdam (hierna: het emplacement) in de omgeving van de Ceintuurbaan/ Bergweg. In eerste instantie ging het om 299 m2. Op 20 februari 1963 is het terrein dat BP huurde vergroot tot 324 m2.

b. Op 14 januari 1960 is een huurovereenkomst gesloten tussen NS en de [Groot- en kleinhandel in Petroleumproducten L.], ingaande op 1 september 1959, voor een terrein op het emplacement ter grootte van 160 m2.

c. Op 1 juni 1967 is een huurovereenkomst gesloten tussen NS en de [Groot- en kleinhandel in Petroleumproducten L.]-B.P. Haardbrandolie Centrale (Rotterdam), ingaande op 1 januari 1967, voor een terrein op het emplacement ter grootte van 108 m2.

d. Op 1 april 1976 is een huurovereenkomst gesloten tussen de NS en [Handelsmaatschappij L. B.V.] voor een terrein op het emplacement met een omvang van 827 m2 (hierna: het gehuurde). In die huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) is aangeduid dat dat terrein “ten dienste van de opslag van aardolieprodukten, zuurstof en acetyleengas in flessen” werd verhuurd. In deze overeenkomst is opgenomen dat de voornoemde overeenkomsten dd 14 januari 1960 en 1 juni 1967 (beiden zoals daarna gewijzigd) eindigen per 1 april 1976. Het gehuurde omvat mede (een deel van) het terrein dat BP huurde tot 1 april 1976.

e. [Handelsmaatschappij L. B.V.] is opgericht op 22 september 1976. Bij die oprichting is de onderneming van [firma Gebr. L.] ingebracht. De akte van inbreng vermeldt dat de activa en passiva worden ingebracht “overeenkomstig de per een januari negentienhonderd en zes en zeventig, volgens de normen, die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, op te maken balans, met alles wat tot de activa van dit bedrijf behoort daaronder uitdrukkelijk mede begrepen, onroerend goed, inventarissen, voorraden, vorderingen contanten en goodwill, zulks onder de verplichting voor de vennootschap om voor haar rekening te nemen alle passiva van dit bedrijf, welke op die balans zullen voorkomen.”

f. Per 10 december 1979 is het gehuurde uitgebreid tot 1.636 m2. Op 6 augustus 1980 is het gehuurde uitgebreid met 114 m2. Op 6 november 1987 is het gehuurde uitgebreid tot 2.826 m2.

g. In een in opdracht van [Handelsmaatschappij L. B.V.] verricht inventariserend bodemonderzoek (1991) heeft SGS EcoCare onder meer geconstateerd dat zich in het gehuurde twee ondergrondse tanks voor de opslag van gasolie respectievelijk petroleum bevonden. Deze tanks zijn verwijderd. h. Na beproeving heeft KIWA geconstateerd dat deze ondergrondse tanks bij verwijdering dicht bleken.

i. [Handelsmaatschappij L. B.V.] heeft de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 juli 1998.

Op 2 maart 2000 heeft NSV het emplacement in eigendom verkregen van de NS. In de periode van 31 mei 1995 tot 2 maart 2000 had NSV reeds de economische eigendom daarvan.

j. In het gehuurde is bodemverontreiniging aangetroffen van PAKs, zware metalen en minerale oliën. Het zwaartepunt van deze bodemverontreiniging is (ook wat de minerale oliën betreft) gelegen vóór 1976. [Handelsmaatschappij L. B.V.] is niet verantwoordelijk voor de verontreiniging met PAKs en zware metalen.

k. Bij beschikking van 15 juli 1999 heeft het bevoegd gezag onder de Wet Bodembescherming vastgesteld dat de verontreiniging een ernstig geval oplevert, maar dat sanering niet urgent is.

2.3 Bij dagvaarding in eerste aanleg heeft NSV gevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] voor 50% aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van de bodemverontreiniging met minerale oliën, veroordeling van [Handelsmaatschappij L. B.V.] tot betaling van een vergoeding voor de geleden schade, op te maken bij staat, met veroordeling van [Handelsmaatschappij L. B.V.] tot betaling van de tot eind december 1999 uitstaande huurtermijen, alles met nevenvorderingen.

NSV baseert haar vorderingen op

a. de huurovereenkomst, meer in het bijzonder de verplichting voor de huurster het gehuurde in goede staat op te leveren;

b. onrechtmatige daad.

2.4 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen voor zover deze zijn gebaseerd op de huurovereenkomst en heeft de zaak voor zover deze is gebaseerd op onrechtmatige daad verwezen ter beslechting door de rechtbank. De rechtbank heeft de overige vorderingen van NSV afgewezen.

2.5 Kern van het geschil is ook in hoger beroep de vraag of [Handelsmaatschappij L. B.V.] haar verplichting het gehuurde in goede staat op te leveren bij het einde van de huurovereenkomst heeft geschonden dan wel anderszins in strijd heeft gehandeld met de huurovereenkomst of onrechtmatig jegens NSV heeft gehandeld door verontreiniging in de bodem van het gehuurde aan te brengen. NSV stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] zowel op grond van de huurovereenkomst als op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is omdat zij verplichtingen van haar voorgangsters, de twee firma’s met “[L.]” in de naam, heeft overgenomen. Dit standpunt is mede gebaseerd op een passage in de akte van 22 september 1976 waarbij de inbreng van [A. L.] in [Handelsmaatschappij L. B.V.] is geregeld. De aansprakelijkheid van [Handelsmaatschappij L. B.V.] uit onrechtmatige daad baseert NSV alleen op de hiervoor genoemde akte.

In eerste aanleg heeft NSV ook betaling van achterstallige huurpenningen gevorderd – naar het hof begrijpt over een periode in 1998 en over 1999. Zij heeft tegen de afwijzing van deze vordering geen als zodanig herkenbare grief gericht. Ervan uitgaande dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] de huurovereenkomst tegen 1 juli 1998 heeft opgezegd en NSV hiervan in haar stukken ook melding maakt, gaat het hof er van uit dat NSV in hoger beroep afziet van dit deel van de vordering. Gelet op de memorie van antwoord waarin geheel niet wordt gereageerd op dit punt, is ook [Handelsmaatschappij L. B.V.] hier kennelijk vanuit gegaan.

2.6 Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de rechten uit de huurovereenkomst vanaf het moment dat NSV het emplacement in economische eigendom heeft verworven aan haar toekomen en de rechten uit hoofde van de vordering uit onrechtmatige daad door de NS aan haar zijn overgedragen – [Handelsmaatschappij L. B.V.] betwist dit beide – en als het hof van het onder 2.5 opgenomen uitgangspunt van NSV uitgaat – [Handelsmaatschappij L. B.V.] betwist dit – geldt het volgende juridische kader. Niet in geschil is dat het gehuurde is verontreinigd. De huurovereenkomst zelf bepaalt niets over eventuele gevolgen van eventuele bodemverontreiniging van het gehuurde. Een nul-meting ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst ontbreekt, maar tussen partijen is niet in geschil dat het zwaartepunt van de opgetreden verontreiniging is gelegen voor 1976 en dat na 1976 geen relevante verontreiniging is ontstaan. Enige meting van voor 1976 ontbreekt eveneens.

2.7 Uitgangspunt bij de beantwoording van de onder 2.5 vermelde vraag of afgezien van oplevering in goede staat, op andere wijze in strijd met de huurovereenkomst is gehandeld, is dat op [Handelsmaatschappij L. B.V.] c.q. eventuele rechtsvoorgang(st)ers gedurende de volle looptijd van de huurovereenkomst de verplichting rust te handelen als goed huurster. Dit betekent dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] en eventuele rechtsvoorgang(st)ers voor de zaak zelf goed moest zorgen en er zorgvuldig mee om moest gaan. Deze zorgvuldigheidsnorm is niet anders waar het de (toerekenbare) tekortkoming betreft als waar het gaat om de vraag of [Handelsmaatschappij L. B.V.] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens NSV.

Onder omstandigheden kan verontreiniging met minerale oliën in de periode van 1969 tot 1987 (waarin zoals hierna wordt overwogen een zorgplicht voor de bodem van kracht is geworden) gelden als wanprestatie c.q. een onrechtmatige daad jegens NSV. Die omstandigheden zien dan op de mate van onzorgvuldigheid bij de bedrijfsvoering van [Handelsmaatschappij L. B.V.] en eventuele rechtsvoorgang(st)ers. Kernvraag daarbij is of het handelen van [Handelsmaatschappij L. B.V.] c.q. eventuele rechtsvoorgang(st)ers voldeed aan wat gebruikelijk was in de branche in de periode waarin de verontreiniging heeft plaatsgevonden.

2.8 Bij de beoordeling van de vraag of [Handelsmaatschappij L. B.V.] of haar eventuele rechtsvoorgang(st)ers onzorgvuldig hebben gehandeld, zoals hiervoor bedoeld, is allereerst van belang of sprake is van een verontreiniging van het gehuurde, die kan worden toegeschreven aan handelen van [Handelsmaatschappij L. B.V.] c.q. haar eventuele rechtsvoorgang(st)ers. Indien daarvan sprake is, rijst de vraag of ten tijde van dat handelen in strijd is gehandeld met toen geldende normen. Uitgangspunt bij het beantwoorden van die vraag is dat in de periode tussen 1 september 1959, toen op grond van de huurovereenkomst van 14 januari 1960 tussen NS en de [Groot- en kleinhandel in Petroleumproducten L.], die overeenkomst inging, en 1998, toen de huurovereenkomst door [Handelsmaatschappij L. B.V.] is beëindigd, geen eenduidige zorgvuldigheidsnorm heeft bestaan in geval van toebrengen van schade door verontreiniging in het gehuurde. Na 1987 geldt een zorgplicht op grond van art. 13 Wet bodembescherming, waaraan ook NSV bescherming kan ontlenen, maar deze norm is niet van toepassing nu partijen het erover eens zijn dat het zwaartepunt van de verontreiniging meet minerale oliën ligt vóór 1976. Voor 1987 is sprake van een glijdende schaal, waarbij de normen steeds strenger worden.

De niet-nakoming van de huurovereenkomst

2.10 In beginsel is een huurster, zoals [Handelsmaatschappij L. B.V.], niet aansprakelijk voor de niet-nakoming van huurovereenkomsten door, dan wel het onrechtmatig handelen van voorgangers in het gehuurde. Zij hoeft het gehuurde ook niet in betere staat aan de verhuurster NSV terug te geven dan waarin zij het zelf heeft ontvangen. De stelplicht en de bewijslast dat dit anders is rusten op de verhuurster, in dit geval NSV. De stelplicht en de bewijslast voor eventuele onzorgvuldige bedrijfsvoering door [Handelsmaatschappij L. B.V.] c.q. haar eventuele rechtsvoorgang(st)ers, alsmede voor het causaal verband tussen de onzorgvuldige bedrijfsvoering en de schade, rusten eveneens op NSV als verhuurster.

2.11 NSV meent dat zij [Handelsmaatschappij L. B.V.] als huurster voor de schade aansprakelijk kan stellen omdat zij is gaan onderhuren van BP en dat zij de huurovereenkomst van BP met de NS via de firma’s met de naam [L.] en de huurovereenkomsten die de firma’s met de naam [L.] hadden gesloten met de NS, heeft “overgenomen”.

Het hof overweegt als volgt. Art. 6:159 BW is niet van toepassing nu dit slechts betrekking heeft op contractsovernemingen na zijn inwerkingtreding. Vóór 1992 was de contractsoverneming slechts incidenteel geregeld voor enkele bijzondere gevallen. Wel bevatte art. 7A:1635 BW, vóór 1992 art. 1635 BW (oud), een voorziening voor indeplaatsstelling, conform het huidige 7:307 BW. Niet is gesteld dat sprake is geweest van een bijzonder geval voorzien in het oude BW. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is geweest van een indeplaatsstelling zoals bedoeld in voornoemde wetsbepaling.

2.12 Voor zover uit de grieven is op te maken dat een beroep wordt gedaan op een bijzondere overeenkomst tussen partijen, dient de vraag of de verhuurder ervan uit mocht gaan dat de opvolgende huurder de aansprakelijkheid voor de verontreining door zijn voorganger wilde overnemen te worden beoordeeld aan de hand van het zogenoemde “Haviltex”- criterium. Het gaat er daarbij om dat de NS of later NSV uit concrete verklaringen en gedragingen van [Handelsmaatschappij L. B.V.] redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat zij deze aansprakelijkheid wilde overnemen. Dergelijke concrete verklaringen en gedragingen zijn niet gesteld en ook niet gebleken. Het enkele feit dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] de huurovereenkomst zou hebben “willen doen overschrijven” of het terrein heeft “willen overnemen” is mede gelet op het feit dat NS als verhuurster zich zelf toen nog niet bewust was dat de vordering uit hoofde van schadevergoeding zou kunnen bestaan, onvoldoende om daaruit redelijkerwijs te kunnen opmaken dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] een aansprakelijkheid op zich heeft willen nemen met de omvang zoals die thans is. Datzelfde geldt voor de akte van inbreng, waarbij nog van belang is dat NSV bij memorie van grieven met betrekking tot de balans vermeldt dat dit betreft: “een balans waarin redelijkerwijze geen melding kon worden gemaakt van toen onbekende vorderingen uit onrechtmatige daad. Daarbij komt nog dat voor het verhaal van saneringskosten ex art. 21 IBS de overdracht van de onderneming die een voormalig bedrijfsterrein verontreinigde, geen overgang van de schuld uit hoofde van de sanering met zich brengt (HR 3 november 1995, LJN ZC1865, NJ 1996/215). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat vereenzelviging mogelijk is tussen [Handelsmaatschappij L. B.V.] en de firma die de onderneming in [Handelsmaatschappij L. B.V.] heeft ingebracht. Ten slotte brengt inbreng van een schuld in een besloten vennootschap slechts dan aansprakelijkheid van die vennootschap (naast de debiteur) mee indien de vennootschap zich uitdrukkelijk of stilzwijgend jegens die crediteur heeft verbonden (HR 15 januari 1988, NJ 1988/889). Dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] dit heeft gedaan – nu zowel [Handelsmaatschappij L. B.V.] als NS in 1976 niet uitgingen van het bestaan van een verplichting jegens NS – is tegenover haar gemotiveerde betwisting door NSV onvoldoende geconcretiseerd.

Bovendien heeft [Handelsmaatschappij L. B.V.] erop gewezen dat de verontreiniging niet door één van de firma’s met de naam [L.], maar door BP is veroorzaakt. Tegenover dit verweer heeft NSV haar stellingen onvoldoende gemotiveerd. Het enkele feit dat één van de firma’s [L.] terrein van BP (mogelijk) heeft ondergehuurd – [Handelsmaatschappij L. B.V.] betwist dit - is onvoldoende concreet om te kunnen aannemen dat één van de firma’s met de naam [L.] onzorgvuldig heeft gehandeld in haar bedrijfsvoering (gemeten naar de normen ten tijde van dat handelen). Voorts heeft NSV onvoldoende geconcretiseerd wanneer de verontreiniging zou hebben plaatsgevonden. Aldus kan niet worden vastgesteld of sprake is van onzorgvuldigheid, gemeten naar de destijds geldende maatstaven. Grond voor toewijzing van de vordering uit hoofde van de verplichting tot oplevering in goede staat ontbreekt. Ook voor zover het betreft de verplichting zich te gedragen als goed huurster bestaat geen grond de vordering voor zover deze is gebaseerd op de huurovereenkomst tussen NSV en [Handelsmaatschappij L. B.V.] toe te wijzen.

Onrechtmatige daad

2.13. Tussen partijen staat vast dat de bodemverontreiniging met name voor 1976 is veroorzaakt. De inleidende dagvaarding dateert van 23 augustus 2005. In eerste aanleg heeft [Handelsmaatschappij L. B.V.] terzake van de vordering uit onrechtmatige daad een beroep gedaan op de 30-jarige verjaringstermijn. NSV heeft het verweer van [Handelsmaatschappij L. B.V.] bij conclusie van dupliek, inhoudende dat er nimmer een stuitings- of schorsinghandeling is gepleegd in hoger beroep niet voldoende gemotiveerd weersproken. Dit betekent dat alle schade die vóór 23 augustus 1975 is ontstaan verjaard is (op 1 januari 1997, ingevolge de artt. 3:310 BW jo 119a OW NBW). Gesteld noch gebleken is dat in de periode tussen 23 augustus 1975 en het einde van de huurovereenkomst een verontreiniging is opgetreden zoals thans aanwezig. NSV voert nog wel aan dat sprake is van een voortdurende verontreiniging die pas is opgehouden te bestaan bij het einde van de huurovereenkomst in (volgens NSV) 1999, maar deze stelling is niet te verenigen met het feit dat tussen partijen vast staat dat het zwaartepunt van de verontreiniging dateert van vóór 1976.

2.14 Voor zover de vordering niet zou zijn verjaard, geldt bovendien dat de vraag of [Handelsmaatschappij L. B.V.] de verplichtingen uit hoofde van onrechtmatige daad van haar rechtsvoorgangers heeft willen overnemen (schuldoverneming) moet worden beoordeeld naar het recht van voor 1992. Voor het na 1992 geldende recht regelt 6:155 BW de schuldoverneming. Van toepassing is art. 68a OW NBW dat bepaalt dat van het tijdstip van haar in werking treden af de wet van toepassing is, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door de wet voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten. Art. 69 OW NBW, aanhef en onder b en d, bepaalt echter dat wanneer de wet van toepassing wordt dit niet tot gevolg heeft dat alsdan een schuld op een ander overgaat of een vorderingsrecht ontstaat indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid.

Nu alle feiten voor de schuldoverneming voor of in 1976 zijn voltooid, is derhalve het recht van voor 1992 van toepassing. Een regeling zoals thans opgenomen in art. 6:153 BW ontbrak, hoewel schuldoverneming wel mogelijk werd geacht. Schuldoverneming was een tweezijdige rechtshandeling die in beginsel slechts tot stand kon komen door wilsvovereenstemming van de betrokken partijen, althans door gedragingen die bestemd zijn ter kennis van de andere partij te komen. Ook een overeenkomst tussen de oude schuldenaar en de nieuwe waarbij de schuldeiser geen partij was kon naar inhoud of strekking meebrengen dat de schuldeiser tot die overeenkomst kan toetreden en aldus de schuldoverneming tegenover hem kan aanvaarden (HR 11 juni 1976, LJN AC2029). De akte van inbreng kan niet worden gezien als een dergelijke overeenkomst, waartoe NSV of haar rechtsvoorgangster N.V. Nederlandsche spoorwegen zou hebben kunnen toetreden. Dat [Handelsmaatschappij L. B.V.] andere handelingen heeft verricht waaruit schuldoverneming zou hebben kunnen volgen, is gesteld noch gebleken. Bovendien is geen sprake van overgang van schuld met de onderneming (HR 3 november 1995, LJN ZC1865) De actie uit onrechtmatige daad moet ook uit dien hoofde stranden.

2.15 Daar komt nog bij dat, zoals hiervoor overwogen, onder 2.12 NSV de stelling dat één van de firma’s met de naam [L.] onzorgvuldig heeft gehandeld naar de maatstaven ten tijde van het onzorgvuldige handelen onvoldoende heeft geconcretiseerd, zodat ook dit tot afwijzing van de vordering uit onrechtmatige daad zou moeten leiden.

2.16 NSV vordert schadevergoeding op te maken bij staat. Daarvoor is slechts vereist dat de mogelijkheid van – te vergoeden – schade aannemelijk is. [Handelsmaatschappij L. B.V.] heeft dit laatste betwist. Zowel voor de vordering op grond van verplichting uit de huurovereenkomst als voor de vordering uit onrechtmatige daad geldt in dat kader het volgende. Veronderstellenderwijs aangenomen dat deze verontreiniging is toe te schrijven aan handelen van één van de firma’s met de naam [L.] en dat deze in het verleden niet helemaal zorgvuldig heeft gehandeld in haar bedrijfsvoering, [Handelsmaatschappij L. B.V.] betwist dit, rest de vraag of NSV hierdoor schade heeft geleden, die voor vergoeding in aanmerking komt.

Immers, de verontreiniging met PAKs en zware metalen komt voor risico van NSV en de sanering van deze verontreiniging komt dan ook voor haar rekening. Alleen indien aannemelijk zou zijn dat de verontreiniging met minerale oliën tot meer of andere (duurdere) bodemsaneringsmaatregelen zou leiden om het terrein voor een opvolgende gebruiker bruikbaar te maken, zou aanleiding bestaan te oordelen dat NSV door de verontreiniging met minerale oliën afzonderlijk schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. Dat hiervan sprake is is (onvoldoende) gesteld of gebleken. Ook indien die aangenomen omstandigheden zouden worden bewezen zou geen aanleiding bestaan de vordering van toe te wijzen.

2.17 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de grieven II tegen het vonnis van de kantonrechter en I tegen het vonnis van de rechtbank niet tot vernietiging kunnen leiden. Grief I tegen het vonnis van de kantonrechter behoeft geen bespreking omdat NSV daar geen belang meer bij heeft. De bestreden vonnissen dienen bekrachtigd te worden. NSV zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het hoger beroep. Voor benoeming van een nadere deskundige ziet het hof geen grond. Het bewijsaanbod van NSV dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 16 maart 2006;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2006;

veroordeelt NSV in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [Handelsmaatschappij L. B.V.] tot op heden begroot op € 248,-- aan verschotten en € 1.343,-- aan salaris advocaat;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, E.J. van Sandick en P.S. Kamminga en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2009 in aanwezigheid van de griffier.