Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5424

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
18-08-2009
Zaaknummer
105.006.385/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht (oud); huurbetaling tijdens sluiting van bedrijf van huurder ivm herstel; aansprakelijkheid verhuurder voor brandschade; waterlekkageschade;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.385/01

Rolnummer (oud) : 07/520

Rolnummer rechtbank : 255875/02.506

arrest van de negende civiele kamer d.d. 11 augustus 2009

inzake

Lemapa B.V.,

gevestigd te Leiden,

appellante,

hierna te noemen: Lemapa,

advocaat: mr. E.C. van Lent te Leiden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh te Leiden.

Het geding

Lemapa is bij exploot van 16 april 2007 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Leiden (de kantonrechter), van 5 februari 2003 (vonnis A), 24 september 2004 (vonnis B), 24 november 2004 (vonnis C), 27 juli 2005, 4 januari 2006 (vonnis D), 16 augustus 2006 (vonnis E) en 17 januari 2007 (het eindvonnis), in conventie en in reconventie gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft Lemapa 44 grieven aangevoerd (nrs. 1/ tm 7 tegen vonnis A, 8 t/m 12 tegen vonnis B, 13 tegen vonnis C, 14 t/m 30 tegen vonnis D, 31 t/m 33 tegen vonnis E en 34 t/m 44 tegen het eindvonnis).

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden.

Tot slot heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 13 november 2002 onder "Feiten" een aantal feiten vastgesteld. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

2.1. Lemapa huurt sinds 1 april 1997 van [geïntimeerde] (gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken neemt het hof aan dat de vermelding "Ons Doel" in voormeld tussenvonnis een vergissing is) de bedrijfsruimte aan de [straat] 7-9 te Leiden.

Bij aanvang bedroeg de huurprijs ƒ 37.968,= per jaar, zijnde ƒ 3.164,= ofwel € 1.435,76 per maand, excl. BTW.

In overeenstemming met het bepaalde in de huurovereenkomst wordt het gehuurde gebruikt als restaurant.

2.2. Op de huurovereenkomst zijn krachtens artikel 2 de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte (de Algemene Bepalingen) van toepassing, waarin onder meer als volgt is bepaald:

"Gehuurde

(…)

1.2 Het gehuurde wordt opgeleverd en aanvaard in de staat (…) waarin het zich bij de aanvang van de huur bevindt, in goede staat en zonder gebreken.

Gebruik

(…)

2.2 Huurder zal zich gedragen naar de bepalingen van de wet en de plaatselijke verordeningen alsmede naar de gebruiken omtrent huur en verhuur, de voorschriften van de overheid, van de nutsbedrijven, de verzekeraars en indien van toepassing van het bureau voor Sprinklerbeveiliging en de Stichting Nederlands Instituut voor Lifttechniek. (…)

(…)

Vergunningen

2.6.1. Huurder is verplicht te zorgen voor het verkrijgen van de voor de uitoefening van het bedrijf, waarvoor het gehuurde is bestemd, vereiste vergunningen en/of ontheffingen. Weigering of intrekking daarvan zal geen aanleiding kunnen geven tot ontbinding of nietigverklaring van de huurovereenkomst of tot enige verdere actie tegen verhuurder.

2.6.2. Indien aan of in het gehuurde in verband met 2.6.1 wijzigingen of voorzieningen al dan niet op overheidsvoorschrift noodzakelijk zijn, is huurder (…) er voor aansprakelijk dat bij de uitvoering van de werkzaamheden voldaan wordt aan terzake door de overheid gestelde of te stellen eisen, alsmede dat benodigde vergunningen worden verkregen, terwijl de kosten van de wijzigingen of voorzieningen voor huurders rekening zijn.

(…)

Schade

6.1. Huurder is verplicht tijdig de nodig passende maatregelen te nemen ter voorkoming en beperking van schade aan het gehuurde zoals schades als gevolg van kortsluiting, brand, lekkage, storm, vorst of andere weersgesteldheid, in- en uitstroming van gassen of vloeistoffen. Huurder is bovendien verplicht verhuurder terstond op de hoogte te stellen indien zich dergelijke schade of een gebeurtenis als bedoeld in 6.5. voordoet of dreigt voor te doen.

(…)

6.3 Huurder is jegens verhuurder aansprakelijk voor alle schaden en verliezen aan het gehuurde tenzij huurder bewijst dat hem, de personen die hij tot het gehuurde heeft toegelaten, zijn personeel en de personen waarvoor hij aansprakelijk is, daaromtrent geen schuld treft of dat dienaangaande hem geen nalatigheid is te verwijten.

(…)

6.5 Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade toegebracht aan de persoon of goederen van huurder of van derden - en de huurder vrijwaart verhuurder voor zover het aanspraken van derden terzake - door het optreden en de gevolgen van zichtbare en onzichtbare gebreken aan het gehuurde of het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt of ontstaan door het optreden en de gevolgen van weersomstandigheden, van stagnatie in de bereikbaarheid van het gehuurde, van stagnatie in de voorziening van gas, water, electriciteit, warmte, ventilatie of luchtbehandeling, van storing van de installaties en apparatuur, van de in- en uitstroming van gassen of vloeistoffen, van brand, ontploffing en andere voorvallen, van stoornis in het huurgenot en van stoornis of tekortkomingen in de leveringen en diensten, alles behoudens in geval van schade als gevolg van grove schuld of ernstige nalatigheid van verhuurder ten aanzien van de staat van het gehuurde of van het gebouw waarvan het gehuurde deel uitmaakt.

6.6. Verhuurder is niet aansprakelijk voor bedrijfsschade van huurder of voor schade als gevolg van de activiteiten van andere huurders of van belemmeringen in het gebruik van het gehuurde die derden veroorzaken, tenzij in geval van grove schuld of ernstige nalatigheid van verhuurder dienaangaande.

(…)

Onderhoud en instandhouding

Voor rekening van verhuurder

9.1 Tenzij het werkzaamheden betreft die moeten worden beschouwd als geringe of dagelijkse reparaties als bedoeld in de wet (artikel 7A:1619 BW) dan wel werkzaamheden aan zaken die niet door of vanwege verhuurder in, op of aan het gehuurde zijn aangebracht, zijn voor rekening van verhuurder:

a. onderhoud, herstel en vernieuwing van constructieve onderdelen van het gehuurde, zoals funderingen, kolommen, balken, bouwvloeren, daken, platten, bouwmuren, buitengevels;

b. onderhoud, herstel en vernieuwing van trappen, traptreden, rioleringen, goten, buitenkozijnen en dergelijke. Terzake van rioleringen geldt onverminderd het onder 9.2.4. gestelde;

c. vervanging van onderdelen en vernieuwing van installaties zoals de lift-, centrale verwarmings- en hydrofoorinstallatie;

d. buitenschilderwerk.

Voor rekening van huurder

9.2.1.Voor rekening van huurder zijn alle overige onderhoud, herstel en vernieuwingen zoals:

a. het uitwendig onderhoud indien en voor zover het werkzaamheden betreft die moeten worden beschouwd als gering en dagelijks onderhoud in de zin van de wet (artikel 7A:1619 BW), alsmede inwendig onderhoud niet zijnde onderhoud als bedoeld onder 9.1. een en ander onverminderd het hier verder bepaalde;

(…)

d. onderhoud, herstel en vernieuwing van schakelaars, stopkontakten, belinstallaties, lampen, verlichting (inclusief armaturen) vloerbedekking, stoffering, binnenschilderwerk, gootstenen, sanitair;

(…)

g. het dagelijks onderhoud en herstel (en vernieuwing van kleine onderdelen) van de eventueel tot het gehuurde behorende technische installaties.

(…)

9.2.4. Voor rekening van huurder komt daarnaast de zorg voor het legen van vetvangputten, het schoonmaken en ontstoppen van putten, goten en alle afvoeren/rioleringen tot aan de gemeentelijke hoofdriolering van het gehuurde (…);

2.3. Op 26 juni 1999 is er brand geweest in de afzuiginstallatie in het magazijn boven de keuken van het restaurant.

2.4. Op 17 en/of 18 maart 2000 stroomde in het restaurant het riool over.

2.5. In november 2000 ontstond er door lekkage waterschade in het restaurant.

2.6. Op 16 en 17 juni en 18 en 26 augustus 2001 vonden er opnieuw lekkages plaats in het restaurant.

2.7. Van 1 augustus tot 5 oktober 2001 is het restaurant gesloten geweest.

2.8. Op 29 augustus 2001 bezocht de inspecteur bouwzaken van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Leiden het pand [straat] 9 en constateerde het volgende gebrek: "ernstige lekkage afkomstig van dak keuken". In de daarover door de gemeente aan [geïntimeerde] (met een kopie aan Lemapa) gezonden brief van 4 september 2001 is dit aldus bevestigd en zijn tevens de te treffen voorzieningen vermeld: "Vervangen dakbedekking, Vervangen dakbeschot en aanbrengen dakisolatie, loodslabben verwijderen, nieuw lood aanbrengen en inslijpen".

2.9. In eerste aanleg vorderde Lemapa (in conventie), na wijzing van eis bij repliek en bij akte d.d. 21 september 2005, uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 4.322.90 incl BTW ter zake van huurachterstand over de periode van 1 april 2001 t/m 31 maart 2002, € 648,43 aan buitengerechtelijke kosten, alsmede proceskosten.

.

In reconventie vorderde Lemapa, kort gezegd, betaling van

- € 65.830,45 ter zake van brandschade;

- € 2.722,68 ter zake van de riolering;

- € 129.128,12 ter zake van waterschade in 2001;

- € 7.464,44 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

een en ander met rente en proceskosten.

2.10. In het eindvonnis is Lemapa in conventie bij voorraad uitvoerbaar veroordeeld tot betaling van

- € 4.322,90 aan huur, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de betreffende huurbedragen;

- € 648,43 aan buitengerechtelijke kosten;

- de proceskosten.

De vorderingen van Lemapa in reconventie zijn afgewezen, met veroordeling van Lemapa in de proceskosten.

3. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof zal de vragen die in dit verband moeten worden beantwoord hieronder behandelen en overweegt als volgt.

4. Het hof stelt voorop dat de inleidende dagvaarding is betekend op 27 december 2001, zodat de onderhavige geschillen (in conventie en in reconventie) moeten worden beoordeeld op basis van het vóór 1 augustus 2003 geldende huurrecht.

in conventie

huurpenningen tijdens sluiting van het restaurant

5. In hoger beroep heeft Lemapa (in de toelichting op grief 1) met zoveel woorden erkend dat het ontstaan van de brand in 1999 niet aan [geïntimeerde] was toe te rekenen. Uit hetgeen aldaar voor het overige is verwoord leidt het hof af dat deze grief niet ziet op de terugbetaling van één maand huur in verband met de sluiting van het restaurant na de brand, maar slechts is gericht tegen het oordeel ten aanzien van de verplichting om huur te betalen gedurende de sluiting van het restaurant in 2001 (na de waterschade, zie hierboven sub 2.7.).

6. De kantonrechter heeft in het hierboven sub 1. bedoelde (zoals gezegd: niet bestreden) tussenvonnis overwogen dat tussen partijen op zich geen discussie bestaat over de berekening van de door Lemapa onbetaald gelaten huurbedragen, doch dat Lemapa meent dat zij niet tot betaling daarvan is gehouden. Het hof neemt dit daarom als uitgangspunt.

7. Blijkens de toelichting op grief 1 stelt Lemapa zich op het standpunt dat een tekortkoming van de verhuurder om aan de huurder het huurgenot te verschaffen met zich meebrengt dat de huurder over de betreffende periode geen huur is verschuldigd. Daarbij ziet Lemapa echter over het hoofd dat daartoe wel (partiële) ontbinding van de huurovereenkomst is vereist. Lemapa heeft zulks echter niet (in reconventie) gevorderd. Dat buitengerechtelijk is ontbonden is gesteld noch gebleken. In het verweer (in conventie) van Lemapa leest het hof - voorshands - niet een (voldoende specifiek) beroep op partiële ontbinding.

in reconventie

brand (1999)

kosten aanbrengen brandwerende voorzieningen

8. Na de brand verlangde de brandweer dat er op de plafonds en de daarop aansluitende muren, alsmede onder aan de trap, in het restaurant extra brandwerende voorzieningen werden aangebracht. Dit is feitelijk gerealiseerd door het aanbrengen van (dubbele) gipsplaten. In geschil is wie de kosten hiervoor moet dragen.

9. In eerste aanleg voerde Lemapa aan dat voormelde extra eisen verband hielden met een door [geïntimeerde] uitgevoerde verbouwing van de ruimtes boven het restaurant tot appartement(en), als gevolg waarvan (ook) voor het restaurant een brandvertraging van 30 minuten niet langer toereikend was; dit zou 60 minuten moeten worden. [geïntimeerde] had in het kader van die verbouwing de in de bouwvergunning ter zake aangegeven extra brandwerende voorzieningen moeten aanbrengen. [geïntimeerde] wist dat op het moment dat hij de huurovereenkomst met Lemapa sloot. Daarom kan van Lemapa - nu [geïntimeerde] dat heeft nagelaten - niet worden verlangd dat zij de kosten voor het alsnog aanbrengen daarvan voor haar rekening neemt.

10. In reactie hierop heeft [geïntimeerde], met stukken onderbouwd, gesteld dat hij de in de bouwvergunning voor "zijn" verbouwing vermelde voorzieningen - betrekking hebbend op uitsluitend de vloer tussen het restaurant en het appartement op de eerste verdieping - wel degelijk heeft aangebracht. Dit is vervolgens door Lemapa onvoldoende concreet onderbouwd weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Aan het bewijsaanbod wordt om die reden voorbij gegaan.

11. Dat de verbouwing van [geïntimeerde] ook verzwaring van de eisen voor het restaurant tot gevolg heeft gehad is - na betwisting door [geïntimeerde] - door Lemapa niet voldoende concreet onderbouwd, zodat het hof het ervoor houdt dat dit niet het geval was.

12. Het bovenstaande leidt ertoe dat het ervoor moet worden gehouden dat de brand en de daarop gevolgde herstelwerkzaamheden als zodanig een situatie hebben doen ontstaan die een herbeoordeling van de brandwerendheid van het restaurant - naar de op dat moment toepasselijke maatstaven - hebben doen ontstaan. Dat is, zoals [geïntimeerde] met een beroep op artikel 2.2. van de Algemene bepalingen (zie hierboven sub 5.) heeft betoogd, iets wat voor rekening en risico van Lemapa als huurder komt. Hetgeen Lemapa daartoe heeft gesteld is onvoldoende om dit artikellid als onredelijk bezwarend aan te merken, en ook onvoldoende om het beroep daarop door [geïntimeerde] als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Deze vordering - die gelet op het voorgaande niet is gebaseerd op een voor rekening van [geïntimeerde] komend gebrek aan het gehuurde (onder het oude huurrecht) kan worden beschouwd - is daarom terecht afgewezen. De legeskosten ter zake moeten dit lot delen.

kosten vernieuwing elektrische installatie

13. Lemapa heeft haar stelling dat de kosten voor de vernieuwing van de elektrische installatie na de brand voor rekening moeten komen van [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet onderbouwd. Immers, uit de door haar overgelegde stukken, en zeker niet uit de brief van 16 maart 2000 van de installateur die de installatie heeft afgekeurd "mede gezien de brand", is zonder concrete toelichting, welke ontbreekt, niet duidelijk dat en waarom de installatie vóór de brand - de brand weggedacht - niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed en evenmin dat sprake is van door Lemapa betaalde verbeteringen die voor [geïntimeerde] tot kostenbesparing leiden. Deze vordering is daarom terecht afgewezen.

schilderwerk buiten

14. De enkele stelling dat het door Lemapa voor de herstelwerkzaamheden na de brand ingeschakelde schildersbedrijf [...] heeft geconstateerd dat het houtwerk buiten in zo'n slechte staat van onderhoud verkeerde dat het vermoeden was gerechtvaardigd dat jaren geen onderhoud is gepleegd, is onvoldoende om te oordelen dat [geïntimeerde] ter zake in verzuim is geraakt. De betreffende kosten die Lemapa aan dat houtwerk heeft besteed kunnen daarom niet ten laste van [geïntimeerde] worden gebracht en de vordering ter zake is daarom terecht afgewezen.

uren dhr. en mw. [R]

15. Gelet op de beslissingen ten aanzien van de gevolgen van de brand, valt geen deugdelijke juridische basis aan te wijzen voor de gevorderde vergoeding voor de in dat kader bestede uren door dhr. en mw. [R]. Ook deze vordering is dus terecht afgewezen.

riolering

kosten herstel riool

16. Lemapa heeft aangevoerd dat na overstroming van het riool in 1999 onder meer bleek dat het riool gebreken vertoonde. Op zichzelf is dat door [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd weersproken.

17. Lemapa heeft zich in dat verband onder meer beroepen op de brief van 29 augustus 1999 van [geïntimeerde] aan haar, waarin onder meer als volgt is opgenomen:

"De gebreken aan de riolering (…) moeten worden verholpen en de kosten daarvan komen volledig voor onze rekening zoals dit is afgesproken op 19 augustus 1999

(…)

Wat de andere werkzaamheden "riolering" betreft, zullen deze worden uitgevoerd door uw mensen. Het een en ander is op 19 augustus (…) besproken."

18. Voorts heeft Lemapa een beroep gedaan op de brief van 28 februari 2000 die [S] van Expertise Bureau Smits - die aanvankelijk voor [geïntimeerde] optrad in het kader van de afwikkeling van de brandschade en (vanaf enig moment) ook voor Lemapa als zodanig optrad - met betrekking tot (onder meer) de afspraken zoals gemaakt tijdens het gesprek van 24 fe¬bruari 2000 aan Lemapa heeft gezonden. Aan die brief wordt het volgende ontleend:

"(…) De verhuurder heeft schriftelijk laten weten alleen akkoord te gaan met de herstelkosten van de riolering, mondeling werd overeengekomen een bedrag van ƒ 5.000,00 à ƒ 6.000,00."

Dit spoort met de hierboven sub 17. bedoelde brief.

19. In het licht van het bepaalde in artikel 9.1 sub b. van de Algemene Bepalingen (zie hierboven sub 2.2.), waarop beide partijen zich hebben beroepen, houdt het hof het er gelet op het bovenstaande voor dat er aan het riool herstelwerkzaamheden moesten worden verricht die niet vielen onder hetgeen voor volgens artikel 9.2.4 van de Algemene Bepalingen voor rekening van huurder komt, en die - door [geïntimeerde] - werden geschat op het in de brief van [S] vermelde bedrag.

20. Dan komt vervolgens aan de orde of die werkzaamheden ook zijn verricht. Volgens [geïntimeerde] (zie akte d.d. 27 augustus 2003 sub12) was aanvankelijk vernieuwing tot aan de straat aan de orde, en was ook de inschatting van de kosten daarop gebaseerd, maar is uiteindelijk slechts een gedeelte daarvan gerealiseerd. Dit is door Lemapa vervolgens niet weerlegd, zodat niet gezegd kan worden dat [geïntimeerde] voormeld bedrag onvoorwaardelijk heeft toegezegd. Nu Lemapa (ook in hoger beroep) geen concrete, met stukken gestaafde, onderbouwing heeft gegeven van de kosten van de door haar wel uitgevoerde werkzaamheden, is deze vordering terecht afgewezen.

waterschade (daklekkages)

21. Vast staat dat [geïntimeerde] - na aanschrijving daartoe door Bouw en Woningtoezicht op 4 september 2001 (zie hierboven sub 2.7.) - de geconstateerde gebreken aan de dakbedekking heeft laten verhelpen. Gesteld noch gebleken is dat er vóór oktober 2000 dan wel ná voormelde herstelwerkzaamheden sprake was van lekkage van het dak, zodat het hof het ervoor houdt dat dit niet het geval was.

22. [geïntimeerde] heeft onweersproken aangevoerd dat de lekkage in november 2000 volgens de door hem ingeschakelde loodgieter afkomstig was van het dak van het pand op nr. 7, dat dit werd veroorzaakt door een door bladeren verstopte dakgoot, dat dit toen is verholpen en dat er maatregelen zijn genomen om dergelijke verstopping te voorkomen; dat de loodgieter verder geen gebreken van het dak heeft geconstateerd en dat de schade aan het plafond toen door het door [geïntimeerde] ingeschakelde onderhoudsbedrijf is gerepareerd. Dit een en ander is door Lemapa vervolgens niet weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat.

23. Lemapa heeft uitdrukkelijk aangevoerd dat de sluiting van het restaurant (vanaf 1 augustus 2001) noodzakelijk was in verband met het herstel van de schade die optrad als gevolg van de lekkage op 16/17 juni 2001. Dat de schade waarvan thans vergoeding wordt gevorderd (mede) een andere oorzaak heeft dan deze lekkage (bijvoorbeeld die van 16 en 28 augustus 2001, tijdens het herstel van eerstgenoemde lekkageschade en de - los daarvan staande - verbouwing ) is door Lemapa niet concreet gesteld, laat staan onderbouwd, zodat het hof het ervoor houdt dat dit niet het geval is. Dat het vervolgens heeft geduurd tot begin september 2001 voordat het dak is hersteld, alsmede dat ingrijpen van Bouw- en Woningtoezicht voor dat herstel nodig was, kan Lemapa daarom niet baten.

24. [geïntimeerde] heeft onweersproken aangevoerd dat de lekkages in juni 2001 (en overigens ook die in augustus 2001) afkomstig waren van het dak van het pand op nr. 9 en volgde op - slechts zeer incidenteel optredende - zeer sterke regenval. Voorts is door Lemapa niet weersproken dat er als gevolg van de in dit pand voorgevallen brand - niet alleen voormelde brand in 1999 maar ook voordien in 1995 - dakvernieuwende werkzaamheden hebben plaatsgevonden, zodat er - nu er voordien geen sprake was van lekkages van dit dak - voor [geïntimeerde] op zich geen directe aanleiding was om rekening te moeten houden met gebreken van dit dak. Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd levert dat echter voor hem in dit geval geen overmachtsituatie op: een dak moet ook overvloedige, incidenteel optredende, regenval aan kunnen (in dat licht bezien waren er ten aanzien van dit dak tot dan toe geen aanwijzingen voor grove schuld of ernstige nalatigheid aan de zijde van [geïntimeerde]).

25. Het hof neemt met betrekking tot de oorzaak van de lekkage, kort gezegd: achterstallig onderhoud dat blijkens de Algemene Bepalingen door de verhuurder had moeten worden verricht, over de bewijswaardering door de kantonrechter en de uitkomst daarvan zoals vermeld in het tussenvonnis van 27 juli 2005 over en maakt deze tot de zijne.

26. Onweersproken is het navolgende. Lemapa is voor deze waterschade - zowel materiële- als bedrijfsschade - verzekerd. Zij heeft deze schade onder de betreffende polis gemeld. De verzekeraar heeft zich niet op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van aansprakelijkheid van de verhuurder (het hof merkt op dat dit mogelijk verband houdt met de in artikel 6.5 van de Algemene Bepalingen opgenomen exoneratie; zie hierboven sub 2.2.) en heeft evenmin van Lemapa verlangd dat zij de onderhavige procedure voert. De verzekeraar is bereid de schade te vergoeden, met uitzondering van de door Lemapa geclaimde "begeleidingskosten" van de heer [R] (directeur en enig aandeelhouder van [R] Beheer B.V., welke vennootschap op haar beurt één van de aandeelhouders alsmede directrice van Lemapa is) en zijn echtgenote.

in conventie en in reconventie voorts

27. Het hof ziet aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten ten einde partijen in de gelegenheid te stellen om zich in dit verband nader uit te laten over (de grondslag van) de vordering ter zake van de waterschade als gevolg van de lekkage in juni 2001 en het verweer daartegen, alsmede van de huurprijsvermindering als hiervoor sub 7. bedoeld. De comparitie zal tevens worden benut voor het beproeven van een regeling in der minne.

28. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

Beslissing

Het hof:

- beveelt partijen - Lemapa deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak (en alles wat daarmee samenhangt) op de hoogte is en bevoegd is tot het treffen van een regeling in der minne, en [geïntimeerde] in persoon - en vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling - een en ander zoals hierboven sub 27. omschreven - te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.H. van Coeverden in een der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage op donderdag 17 september 2009 om 10.00 uur, dan wel, voor het geval een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen voor de weken 38 t/m 51 van 2009, opgeeft dan verhinderd te zijn, op een door het hof nader vast te stellen datum en tijdstip;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, C.G. Beyer-Lazonder en R.C. Schlingemann en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2009 in aanwezigheid van de griffier.