Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5335

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
105.012.632-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM5960, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM5960
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen. Er hoeft geen sprake te zijn van een psychische stoornis om een dergelijk bewind te kunnen instellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 mei 2009

Zaaknummer : 105.012.632

Rekestnr. rechtbank : VZ VERZ 07-325

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende, ook wel: de moeder,

advocaat mr. F.B. Kloppenburg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende I],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de dochter,

2. [belanghebbende II],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de zoon,

advocaat mr. M.C. Leenhouts,

3. [de stichting],

gevestigd te [plaats van vestiging],

hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 4 februari 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, vestiging Rotterdam, van 6 november 2007, hierna te noemen: de bestreden beschikking.

De zoon heeft op 1 april 2008 een verweerschrift ingediend.

De bewindvoerder heeft op 8 april 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de rechthebbende zijn bij het hof op 28 februari 2008, 3 maart 2008 en 5 maart 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de dochter is bij het hof op 22 april 2008 een schrijven ingekomen.

Op 18 maart 2009 is de zaak mondeling behandeld door een raadsheer-commissaris. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de dochter en de zoon, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.H. Rodenburg. Tevens is namens de bewindvoerder verschenen [een vertegenwoordiger]. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - het inleidende verzoek van de moeder tot opheffing van de onderbewindstelling afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende.

2. De rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt: voor zover deze de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling betreft, en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw beschikkende te bepalen, dat het op de rechthebbende rustende bewind wordt opgeheven.

3. De zoon bestrijdt haar beroep en verzoekt het hoger beroep van de moeder te verwerpen en de bestreden beschikking in stand te laten.

4. De bewindvoerder bestrijdt eveneens het beroep van de rechthebbende.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om het op haar rustende bewind op te heffen, heeft afgewezen. Zij voert daartoe aan dat het bewind onnodig is en juridische grondslag ontbeert. Er is bij de moeder geen sprake van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat zij niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde medische verklaring van 7 januari 2008.

Daarnaast wenst de moeder geen bewind. Zij is van mening dat zij volledig bekwaam is om haar eigen wil te bepalen. Wanneer zij behoefte heeft aan hulp, kan zij een beroep doen op haar dochter en de echtgenoot van de dochter, hierna: de schoonzoon.

De moeder bestrijdt dat de dochter en schoonzoon haar rechtshandelingen hebben laten verrichten en stukken hebben laten tekenen die zij niet begreep, zoals de rechtbank overweegt. De dochter en schoonzoon van de moeder hebben haar altijd van de betekenis van de stukken op de hoogte gesteld en haar wensen daarin verwoord. Zij heeft wel moeite met het opslaan van hetgeen besproken is, waardoor het kan lijken alsof zij de stukken niet begrepen heeft.

Voorts kan de omstandigheid dat de schoonzoon haar juridisch adviseur is, niet worden aangemerkt als een aanwijzing dat sprake is van dwang tussen enerzijds de dochter en schoonzoon en anderzijds de moeder. De moeder is altijd vrij en in staat geweest een andere adviseur in te schakelen.

De moeder weerspreekt dat zij een lening aan de schoonzoon zou hebben verstrekt. Het gestelde pandrecht op de inventaris van de woning van de moeder is wel tot stand gekomen. Dit is gebeurd vanwege de omstandigheid dat de dochter vanwege het bijstaan van de moeder zoveel kosten moest maken dat de moeder een compensatie aan haar dochter op zijn plaats vond. Een dergelijke handelwijze is heel gebruikelijk in situaties als deze, waarin één kind de zorg voor een alleenstaande ouder op zich neemt en duidt geenszins op beïnvloeding of een uitgeoefende druk.

Het feit dat de moeder een voor de zoon ongunstig testament heeft gemaakt is evenmin een reden voor onderbewindstelling. De notaris heeft de rechthebbende onder vier ogen gesproken en met haar het beoogde testament doorgesproken. Het feit dat de notaris de rechthebbende in staat achtte haar wil te bepalen en haar belangen zelfstandig te behartigen, is in overeenstemming met de bevindingen van de arts ouderenpsychiatrie, die blijkens zijn voormelde verklaring eveneens van mening is dat de rechthebbende volledig wilsbekwaam is.

De rechthebbende stelt ten slotte dat de notariële verklaring van 4 mei 2007 waarin zij te kennen geeft nooit meer rechters te willen zien, tot stand is gekomen in aanwezigheid van uitsluitend de rechthebbende en de notaris, waarbij de notaris zich ervan diende te vergewissen of de rechthebbende in staat was haar wil in volle vrijheid te bepalen.

6. De zoon stelt dat, in tegenstelling tot hetgeen is vermeld in het beroepschrift, de wet voor het instellen van bewind geen (ernstige) psychiatrische stoornis vereist. Er moet sprake zijn van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand dat de meerderjarige niet meer in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.

De moeder is thans 86 jaar oud. Zowel haar lichamelijke als haar geestelijke conditie is - mede als gevolg van het breken van haar heup - zodanig achteruit gegaan dat zij naar de mening van de zoon niet meer in staat is haar belangen zelf behoorlijk waar te nemen. De cognitieve achteruitgang van de moeder wordt bevestigd door de overgelegde verklaring van de arts ouderenpsychiatrie.

Ten aanzien van de door de moeder ondertekende stukken stelt de zoon dat het er sterk op lijkt dat de moeder meebuigt met degene die in haar omgeving druk op haar uitoefent. De zoon werpt de vraag op hoe het mogelijk is dat de moeder haar belangen ten volle kan waarnemen nu zij niet kan onthouden wat er besproken is.

Het staat buiten kijf dat de moeder een zeer kwetsbare en beïnvloedbare oude vrouw is. Zij dient te worden beschermd tegen haar schoonzoon, die zich tot levensdoel heeft gesteld de scepter over haar leven te zwaaien.

7. De bewindvoerder is van mening dat de rechthebbende beschermd dient te worden tegen de druk die de dochter en de schoonzoon op haar uitoefenen. Hij voert daartoe onder meer de volgende gebeurtenissen en omstandigheden aan.

De bewindvoerder stelt dat de dochter en schoonzoon de rechthebbende - zonder medeweten van de bewindvoerder en de zoon - hebben laten verhuizen naar een verzorgingstehuis in hun eigen woonplaats. Vervolgens hebben zij de bewindvoerder bewust tegengewerkt bij de in het kader van het bewind verplichte inventarisatie en taxatie van het woonhuis van de rechthebbende, waarna tevens allerlei schadeclaims van hun zijde volgden.

Voorts wijst de bewindvoerder op verklaringen van de rechthebbende waarin staat vermeld dat de dochter en schoonzoon rechten op de woning en de inboedel van de rechthebbende zouden hebben, waarvan de bewindvoerder niet op de hoogte was. Uit gesprekken met de rechthebbende is de bewindvoerder gebleken dat de rechthebbende in het conflict tussen de zoon en de dochter en schoonzoon geen standpunt durft in te nemen, alsmede dat zij onder enige druk bereid is dergelijke verklaringen te tekenen. Ten aanzien van de notariële verklaring van 4 mei 2007 merkt de bewindvoerder op dat hem uit contact met het desbetreffende notariskantoor is gebleken dat de dochter en schoonzoon de verklaring bij het notariskantoor hebben gebracht, waarna deze in een proces-verbaal is opgenomen, de tekst aan de rechthebbende is voorgelezen en zij op de vraag van de notaris op zij ermee eens was bevestigend heeft geantwoord en het stuk ten slotte heeft ondertekend. Desgevraagd heeft de rechthebbende tijdens een bezoek waarin de bewindvoerder haar confronteerde met het nieuwe testament en de notariële verklaring verklaard dat zij dit nog nooit heeft gezegd.

8. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter op verzoek van de rechthebbende een bewind opheffen, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan. In het onderhavige geval is destijds bij beschikking van 30 november 2006 het bewind ingesteld omdat naar het oordeel van de kantonrechter de rechthebbende, gelet op haar lichamelijke toestand, niet ten volle in staat moest worden geacht haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen. Vanwege de omstandigheid dat de kinderen van de rechthebbende met elkaar in onmin leven, is toentertijd een onafhankelijke derde tot bewindvoerder benoemd.

In hoger beroep wordt thans verzocht het bewind op te heffen nu er bij de rechthebbende geen sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis, zoals blijkt uit productie 2 van het verzoekschrift.

9. Zoals hierboven is overwogen en in het verweerschrift van de zoon is gesteld, is voor het instellen van bewind niet vereist dat er sprake is van een psychische stoornis. Er dient sprake te zijn van een lichamelijke of geestelijke toestand als gevolg waarvan de rechthebbende tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting verder naar voren is gekomen, is het hof genoegzaam gebleken dat de rechthebbende noch immer niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Naast de omstandigheid dat de lichamelijke toestand van de rechthebbende onweersproken niet is verbeterd, wordt dit oordeel bevestigd door de indruk die het hof zich heeft gevormd naar aanleiding van de antwoorden van de rechthebbende op de haar door het hof gestelde vragen. De rechthebbende gaf er blijk van niet te begrijpen waar het precies om ging en gaat. Nu de gronden voor de onderbewindstelling nog immer bestaan, dient de bestreden beschikking derhalve in zoverre te worden bekrachtigd.

10. Hetgeen verder door partijen naar voren is gebracht, behoeft geen nadere bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

11. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Mink en De Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2009.