Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5118

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
21-08-2009
Zaaknummer
200.026.669-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling: verzoek van de raad wordt in hoger beroep alsnog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 juni 2009

Zaaknummer. : 200.026.669/01

Rekestnr. rechtbank : JE RK 08-975

[appellant A.],

hierna te noemen: de vader,

en

[appellante B.],

hierna te noemen: de moeder,

beide wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. N.Veerman, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoorhoudende te Dordrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 26 februari 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 januari 2009 van de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

De raad heeft het hof bij brief van 3 april 2009 een raadsrapport van 22 december 2008 doen toekomen.

Op 14 mei 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is verschenen: mevrouw T. Philippart. Namens Jeugdzorg zijn verschenen: mevrouw K. van Hoorn en mevrouw N. van der Grient. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de ouders onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit¬ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 30 december 2008, heeft de raad de kinderrechter in de rechtbank Dordrecht verzocht de minderjarige: [S.], geboren [in 1999] te [geboorteplaats] (verder: [S.]), voor een periode van twaalf maanden onder toezicht te stellen van Jeugdzorg en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - [S.] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, met benoeming van Jeugdzorg om de ondertoezichtstelling uit te voeren.

Het hof gaat voor het overige uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van [S.].

2. De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, naar het hof begrijpt: het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [S.] af te wijzen, althans de duur van de ondertoezichtstelling te bekorten tot 28 juli 2009, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.

3. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan slechts worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn. Bij zijn beoordeling dient het hof derhalve te onderzoeken of [S.] bij het uitblijven of beëindigen van de ondertoezichtstelling zodanig zal opgroeien, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen dan wel gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4. Uit het raadsrapport van 22 december 2008, dat ten grondslag ligt aan het inleidende verzoekschrift van Jeugdzorg, blijkt het volgende. Het Sophia Kinderziekenhuis (verder: SKZ) heeft op 25 juni 2008 een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling gedaan betreffende [S.]. [S.] is bekend met epilepsie, zwakbegaafdheid, ADHD, PDD-NOS, een afweerstoornis, chronische therapieresistente obstipatie, astma en fors overgewicht. Hij heeft in de loop der jaren voor de diverse ziektebeelden medicatie voorgeschreven gekregen. Uit opgevraagde medicatielijsten van de apotheek was het gebleken, dat medicijnen waarvan gedacht werd dat de toediening allang gestaakt was, nog steeds door de ouders gevraagd en ook aan hen verstrekt werden. [S.] is op 26 juni 2008 onder strikte voorwaarden opgenomen in het SKZ voor gecontroleerde medicatieafbouw. Het bleek mogelijk vrijwel alle medicatie in korte tijd te staken. Na de opname in het SKZ is [S.] op advies van het ziekenhuis opgenomen geweest in het revalidatiecentrum Rijndam voor nazorg. [S.] is zienderogen vooruitgegaan in zijn ontwikkeling, welke positieve ontwikkeling - zo is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken - tot op heden nog voortduurt.

5. De raad heeft op 24 december 2008 een verzoekschrift tot ondertoezichtstelling van [S.] ingediend, vanuit de zorg dat de ouders niet in staat zijn de ingezette positieve ontwikkeling van [S.] in de thuissituatie zelfstandig voort te zetten. Volgens de raad is de positieve ontwikkeling slechts mogelijk geweest dankzij de interventie van het ziekenhuis en het revalidatiecentrum. De ouders zijn eerder niet in staat geweest [S.] een veilige, voorspelbare en gestructureerde opvoedingssituatie te bieden en de ontwikkelingsbedreiging in samenwerking met hulpverlening in het vrijwillig kader af te wenden. Het is onduidelijk hoe het mogelijk is dat [S.] van een in de thuissituatie ernstig ziek jongetje in korte tijd is veranderd in een gezond jongetje nadat in het SKZ op gecontroleerde wijze de medicatie is afgebouwd, aldus de raad. Daarnaast acht de raad de ouders niet in staat de ingezette positieve ontwikkeling in de thuissituatie voort te zetten. Dankzij de druk die de raad op de ouders uitoefende heeft de positieve ontwikkeling van [S.] zich in de thuissituatie kunnen voortzetten. Het is van groot belang dat de hulpverlening wordt voortgezet nu het niet valt uit te sluiten dat [S.] vroeg of laat opnieuw stagnatie in zijn ontwikkeling zal vertonen en dat er zich mogelijk opnieuw onbegrepen klachten openbaren. Gelet hierop is de raad van mening dat [S.] in zijn ontwikkeling zal worden bedreigd indien de ondertoezichtstelling niet wordt gehandhaafd en dat hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende waarborg biedt om deze bedreiging af te wenden.

6. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het verzoek van de raad alsnog dient te worden afgewezen. Het hof stelt voorop dat onduidelijk is gebleven of het aan de ouders is te verwijten dat er aan hen medicatie is verstrekt die [S.] al lang niet meer behoorde te krijgen. Hiervan uitgaande, kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden gesteld dat de ouders niet in staat zijn [S.] een veilige opvoedsituatie te bieden. Uit het raadsrapport van 22 december 2008 komt voorts naar voren dat de ouders op een positieve manier op [S.] en de overige kinderen reageren en dat zij veel met hen ondernemen. Het hof acht de stelling van de raad dat de ouders niet in staat zijn [S.] een veilige, voorspelbare en gestructureerde opvoedingssituatie te bieden dan ook onvoldoende onderbouwd. De door de raad veronderstelde mogelijkheid dat er vroeg of laat een stagnatie in de ontwikkeling van [S.] zal kunnen plaatsvinden is naar het oordeel van het hof eveneens onvoldoende grond om een ondertoezichtstelling uit te spreken. Bovendien is gebleken dat de ouders hun volle medewerking hebben verleend aan de opname van [S.] in het ziekenhuis en dat zij zelf hulpverlening regelen, indien dit voor (een van) de kinderen nodig blijkt te zijn. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [S.] bij het uitblijven van een ondertoezichtstelling ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd zodat het inleidende verzoek reeds op deze grond dient te worden afgewezen.

7. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de raad af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, van Nievelt en Hulsebosch bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2009.