Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5027

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200.012.314/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitkering tot levensonderhoud. Behoefte en behoeftigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 maart 2009

Zaaknummer : 200.012.314.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7164

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.J. Vroegindeweij,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.A.G. Balkenende.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 24 juli 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 29 april 2008.

De vrouw heeft op 25 juli 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 26 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 6 februari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de man de partneralimentatie voor de vrouw met ingang van 1 december 2007 op nihil te stellen, dan wel (subsidiair) de partneralimentatie fors te verlagen met ingang van 1 december 2007 althans een zodanig bedrag vast te stellen en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, en met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud, hierna ook partneralimentatie, ten laste van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog zijn inleidend verzoek te honoreren.

Ter terechtzitting (bij pleitnotitie) heeft de man zijn verzoek gewijzigd: hij verzoekt primair de partneralimentatie op nihil te stellen en subsidiair, indien rekening wordt gehouden met het inkomen van de vrouw én inkomsten uit vermogen (vanwege verkoop woning) de alimentatie op € 334,- per maand te stellen, alsmede meer subsidiair, voor geval het hof geen rekening houdt met inkomen uit vermogen de alimentatie op € 667,- per maand te stellen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel de grieven van de man tegen de bestreden beschikking ongegrond te verklaren en deze beschikking te bekrachtigen.

4. De man stelt - kort gezegd - dat sprake is van een wijziging van omstandigheden ten aanzien van de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie. Hij voert daartoe primair aan dat de vrouw thans een inkomen geniet, hetgeen niet of nauwelijks het geval was ten tijde van de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant. Subsidiair is de man van mening dat, gezien het feit dat de kinderen van partijen inmiddels op school zitten, de vrouw de mogelijkheid heeft om voldoende middelen van bestaan te verwerven. De behoefte van de vrouw dient te worden verlaagd met het inkomen dat zij geniet, dan wel met het inkomen dat zij kan verwerven, aldus de man. Hij is ten slotte van mening dat het op de weg van de vrouw had gelegen haar inkomensgegevens over te leggen.

5. De vrouw stelt dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden sedert 5 mei 2004, zijnde de datum waarop het convenant door partijen is ondertekend. Volgens de vrouw heeft zij, gelet op haar huidige inkomen, haar leeftijd, opleiding en gezinssituatie, nog steeds behoefte aan de vastgestelde partneralimentatie. Voorts is zij van mening dat de man zijn verzoek tot nihilstelling dan wel verlaging van de partneralimentatie onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw verzoekt bij een eventuele verlaging van de partneralimentatie in hoger beroep de ingangsdatum te stellen op de datum van de uitspraak of te bepalen dat de vrouw het te veel ontvangene niet hoeft terug te betalen.

Behoefte

6. Het hof begrijpt uit hetgeen de man naar voren heeft gebracht, dat zijn verzoek stoelt op artikel 1:401 lid 1 BW. Beoordeeld dient te worden of zich een rechtens relevante wijziging ter zake de behoefte van de vrouw heeft voorgedaan.

7. De partijen verklaren ter terechtzitting dat ten tijde van het tot stand komen van het convenant niet uitputtend is gesproken over de behoefte van de vrouw. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw voorts - onder verwijzing naar de 60% norm - verklaard dat haar netto behoefte thans € 2.400,- bedraagt. Hij heeft deze stelling echter niet onderbouwd. De advocaat van de man heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de bruto behoefte van de vrouw € 1.500,- bedraagt.

8. Bij gebrek aan andere gegevens zoals een behoefteoverzicht, zal het hof bij de bepaling van de behoefte van de vrouw aanhaken bij de ‘hofnorm’, inhoudende dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde kan worden gelijkgesteld aan 60% van het verschil tussen het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen en de kosten van de kinderen.

9. Het hof gaat uit van een netto gezinsinkomen van € 3.500,- per maand, nu beide partijen ter terechtzitting hebben verklaard dat het maandelijkse gezinsinkomen ongeveer rond dit bedrag lag. Het hof stelt de kosten van de kinderen voorts op in totaal € 500,- per maand, conform het echtscheidingsconvenant. Gelet hierop en op hetgeen hierboven is overwogen, stelt het hof de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud vast op € 1.800,- netto per maand.

Behoeftigheid

10. Thans dient het hof te beoordelen of en in welke mate de vrouw redelijkerwijs in staat is eigen inkomen te verwerven, welke omstandigheid van invloed is op de omvang van haar behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man.

11. Tussen partijen is in confesso dat de vrouw ten tijde van de totstandkoming van het convenant enige inkomsten genoot, maar dat deze inkomsten niet substantieel waren. Uit de stukken en uit de verklaringen van de vrouw ter terechtzitting is voorts gebleken dat de vrouw sedertdien onder meer door uitzendwerk en werk in een hotel inkomsten uit dienstverband heeft verkregen. Het hof is met de man van oordeel dat deze inkomenswijziging als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden dient te worden aangemerkt.

12. Het hof ziet hierin echter geen aanleiding om de partneralimentatie te wijzigen. De door de vrouw in de achterliggende periode genoten inkomsten zijn niet van een zodanige omvang dat deze tot een ander oordeel leiden. Bovendien heeft de vrouw onweersproken gesteld dat zij sinds oktober 2008 niet meer werkt teneinde zich geheel aan de verzorging en opvoeding van haar kinderen, die extra zorg nodig hebben, te kunnen wijden. Het hof is voorts van oordeel dat de vrouw genoegzaam heeft aangetoond zich voldoende te hebben ingespannen om werk te vinden. Gelet op haar beperkte opleiding, de relatief lage leeftijd en de kwetsbaarheid van de twee kinderen, alsmede de zorg voor haar schoonouders die zij volgens haar verklaring ter terechtzitting op zich heeft genomen, acht het hof het aanvaardbaar dat de vrouw thans geen inkomen verwerft om in haar levensonderhoud te voorzien.

13. De vrouw heeft derhalve nog immer behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man zoals indertijd tussen partijen overeengekomen, ook al zou zij een inkomen genieten gelijk aan hetgeen zij in 2007 volgens de overgelegde jaaropgaven heeft verdiend. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

14. Hetgeen in hoger beroep omtrent verdeling van de eventuele verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning naar voren is gebracht, behoeft geen nadere bespreking nu deze verdeling, zoals zijdens de vrouw ter terechtzitting onweersproken is gesteld, nog niet heeft plaatsgevonden.

15. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Husson en Bos, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2009.