Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4995

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200.010.081/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen echtscheiding. Kansloze grief. Appellante en advocaat verschijnen niet bij de mondelinge behandeling. Kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 maart 2009

Zaaknummer : 200.010.081.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-9140 en 08-7240

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.M.J. Bos,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. F. van der Werff-Verwolf.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 4 juli 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Dordrecht van 9 april 2008.

De man heeft op 24 september 2008 een verweerschrift ingediend.

Op 6 februari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat. Op 4 februari 2009 is van de advocaat van de vrouw, per fax, een brief ontvangen houdende het bericht dat de vrouw “om haar moverende redenen” niet ter zitting zal verschijnen en dat de advocaat evenmin ter zitting aanwezig zal zijn. De man en zijn advocaat hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, de hoofdverblijfplaats der partijen minderjarige kinderen bepaald alsmede bepaald welke de omgangsregeling zal zijn tussen de man en de minderjarigen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de echtscheiding.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover bij die beschikking de echtscheiding is uitgesproken.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt de vrouw in haar beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans de grieven van de vrouw/hetgeen de vrouw stelt ongegrond te verklaren en de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

4. De vrouw heeft gesteld dat partijen, naast aandeelhouders in [de bv], ieder voor 50% vennoot zijn in een vennootschap onder firma, [naam] te Gorinchem (hierna: de VOF). Op grond van artikel 14.06 van de Akte van vennootschap onder firma, wordt de vennootschap ontbonden door echtscheiding. De man heeft te kennen gegeven de VOF te willen voortzetten. Omdat de jaarstukken over 2007 nog niet zijn opgemaakt, de vrouw niet bekend is met de hoogte van de kapitaalrekening noch met de eventuele winst en geen inzicht heeft in haar aangifte inkomstenbelasting, vreest de vrouw dat de man zal trachten de jaarcijfers en het aan haar toekomende aandeel in het vermogen van de VOF in zijn voordeel te laten spreken. De man zal de resultaten van de onderneming over het jaar 2008 zó beïnvloeden, dat een negatief resultaat ontstaat en aldus een verrekenvordering op de vrouw creëren. Er is, naar stelling van de vrouw, om die reden sprake van bijzondere omstandigheden die herstel van de band tussen de uitgesproken echtscheiding en de nevenvoorzieningen rechtvaardigt.

5. De man heeft aangevoerd dat de vrouw in haar beroepsschrift geen grieven heeft geformuleerd. Hetgeen de vrouw stelt maakte geen deel uit van de procedure in eerste aanleg zodat de vrouw zich niet gegriefd kan voelen door de beslissing van de rechtbank. De vrouw heeft zich in eerste aanleg gerefereerd aan de verzochte echtscheiding. De vrouw dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep bij gebreke van enig rechtens te respecteren belang. Voorts heeft de man aangevoerd dat in de echtscheidingsprocedure niet als nevenvoorziening de scheiding en deling van de VOF is verzocht, zodat er geen voor herstel vatbare band is.

Het hof overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

6. De schrapping van het tot 1 april 1995 geldende tweede lid van art. 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) had blijkens de wetsgeschiedenis ten doel de mogelijkheid te openen dat verzoeken tot het treffen van nevenvoorzieningen in de zin van dit artikel ook eerst in de loop van de procedure, en zelfs in hoger beroep gedaan zouden kunnen worden (HR NJ 2000, 377). Hieruit volgt - anders dan de man betoogt - dat het enkele gegeven dat de vrouw in appel komt tegen de uitgesproken echtscheiding doch daartegen geen grief heeft opgeworpen, aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet in de weg staat. De vrouw is ontvankelijk in het hoger beroep.

Inhoudelijke behandeling

7. De echtscheiding wordt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek, op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. De vrouw heeft zich terzake van het daartoe strekkende verzoek van de man, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. In hoger beroep heeft de vrouw niet bestreden dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is, zodat de echtscheiding op de juiste grond is uitgesproken.

8. De rechter kan, op grond van het bepaalde in artikel 827 lid 1 Rv, ingeval de echtscheiding wordt uitgesproken, nevenvoorzieningen treffen. Indien eenmaal door de rechter in eerste aanleg de echtscheiding is uitgesproken voordat over verzochte nevenvoorzieningen is beslist, kan het hoger beroep slechts op grond van door de in hoger beroep gekomen echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden worden aangewend teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken (HR NJ 2006, 76).

9. Uit de bestreden beschikking volgt dat de man in eerste aanleg als nevenvoorziening een omgangsregeling tussen hem en der partijen minderjarige kinderen heeft verzocht. De vrouw heeft als nevenvoorzieningen verzocht bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, kinderalimentatie, partneralimentatie en bepaling van de kosten van de tenuitvoerlegging ten behoeve van de alimentatieverplichtingen. In de bestreden beschikking is een omgangsregeling bepaald en de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. Voor het overige is iedere beslissing aangehouden.

10. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw in eerste aanleg als nevenvoorziening verdeling tussen partijen van de VOF heeft verzocht. Ook in hoger beroep heeft zij een zodanig verzoek niet gedaan. Om die reden ontbeert het door de vrouw gestelde feitelijke grondslag in die zin dat er geen sprake kan zijn van het bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorziening wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. Reeds daarom is het hoger beroep zonder grond.

11. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

Kostenveroordeling

12. De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de vrouw - gelet op hetgeen zij heeft aangevoerd - evident kansloos in hoger beroep is gegaan. Daarbij komt dat zij, zonder opgaaf van reden, ter zitting niet is verschenen terwijl de man, vergezeld van zijn advocaat, wel is verschenen. Hierdoor wordt de man onnodig op kosten gejaagd. De man acht de proceshouding van de vrouw misbruik van recht dan wel bevoegdheid, waardoor een verwijzing van de vrouw in de proceskosten (het hof begrijpt: in hoger beroep) op zijn plaats is.

13. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de procedure in hoger beroep nodeloos ingesteld nu hetgeen zij heeft aangevoerd, gelet op hetgeen onder 10 is overwogen, evident kansloos is terwijl de vrouw, daags voor de zitting, zonder opgaaf van redenen, heeft laten weten niet te zullen verschijnen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling. Het hof ziet hierin aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure in hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van de man gevallen, met dien verstande dat het hof, met inachtneming van het liquidatietarief, daarbij alleen rekening zal houden met de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de man tot deze uitspraak begroot op € 894,-, gespecificeerd als salaris advocaat.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Labohm en Mos-Verstraten, bijgestaan door mr. Van Drunick als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2009.