Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4991

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
105.012.737/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:160 BW; geval van samenwonen als waren zij gehuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 februari 2008

Zaaknummer : 105.012.737.01

Rekestnummer : 308-H-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-6311

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. van Riet-Holst te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. S. van Gestel te Hilversum.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 22 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 december 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 22 april 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 26 mei 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 21 april 2008 en 24 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 1 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 12 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Alle aanwezigen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouw van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – voor zover hier van belang – tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken en is voorts onder meer – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de man met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw zal uitkeren een bedrag van € 1.530,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Het verzoek van de man te bepalen dat het recht van de vrouw op een uitkering tot het levensonderhoud op grond van artikel 1:160 BW van rechtswege eindigt na de ontbinding van het huwelijk door de rechtbank is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan:

- de echtscheidingsbeschikking is op 8 februari 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

1. In geschil tussen partijen is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw en de beëindiging van de alimentatieverplichting op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2. De vrouw verzoekt de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 december 2007 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het bedrag dat de man ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen vast te stellen op € 4.000,- bruto per maand, zonder nadere condities met betrekking tot de ingangsdatum van een eventueel zelf te generen eigen inkomen, alles onder compensatie van kosten.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans haar verzoeken af te wijzen en verzoekt incidenteel de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 december 2007 te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair te bepalen dat het recht van de vrouw op alimentatie op grond van 1:160 BW van rechtswege is beëindigd. Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat hij vanaf de datum ontbinding van het huwelijk met € 1.030,- dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn vorderingen ten deze te ontzeggen, alles onder compensatie van kosten.

5. Ter onderbouwing van haar beroep heeft de vrouw in de opgeworpen grieven – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft ten onrechte vastgesteld dat de vrouw over een periode van twee jaar in staat moet kunnen zijn om een inkomen van € 1.000,- bruto per maand te genereren. De rechtbank miskent daarmee dat de vrouw zichzelf, om in aanmerking te komen voor een baan in de gezondheidszorg, volledig moet omscholen omdat haar kennis inmiddels verouderd is. De door de rechtbank daaraan gekoppelde termijn is veel te krap bemeten, zo stelt de vrouw. De vrouw heeft tijdens het huwelijk tijdelijk een (bij)baantje van de kinderen bij de slagerij kunnen overnemen, doch van structurele inkomsten uit arbeid is nooit sprake geweest.

Voorts stelt de vrouw dat de rechtbank bij de berekening van de financiële draagkracht van de man ten onrechte is uitgegaan van een bruto jaarinkomen van de man van € 115.000,-, nu sprake is van zwarte inkomsten. Voorts stelt zij dat de rechtbank ten onrechte uitgaat van een door de dochters van partijen opgebouwde studieachterstand en aldus van een door de man aan de dochters te betalen (vrijwillige) bijdrage van € 500,- per maand per kind. Tot slot acht de vrouw het onjuist dat de rechtbank ten laste van de draagkracht van de man rekening heeft gehouden met een post van € 491,- per maand ter zake de aflossing hypotheek / premie levensverzekering, nu het hier om vermogensvormende posten gaat.

6. Ter terechtzitting heeft de vrouw haar beroepschrift toegelicht en haar stellingen nader aangevuld. De vrouw heeft verklaard dat zij in mei 2007 bij de heer [naam] is gaan wonen. De heer [naam] heeft haar opgevangen nadat zij uit de echtelijke woning was vertrokken en heeft voor haar gezorgd omdat zij nog geen alimentatie van de man ontving. Voorts heeft de vrouw gedurende de periode dat de heer [naam] ziek was intensief voor hem gezorgd. De samenwoning heeft geduurd tot 1 maart 2008. De vrouw huurt nu een kamer in een appartement met gebruik van keuken en douche bij een vriendin. Zij verblijft ongeveer om de twee dagen een aantal dagen de heer [naam]. De vrouw erkent dat zij samen met de kinderen van partijen en de heer [naam] op skivakantie is geweest naar Westendorf en met de heer [naam] naar Curaçao en Frankrijk. De vrouw heeft gesteld dat haar vakanties deels door haar moeder en voor het overige door haar zelf zijn betaald. De achterstand in de betalingen voor de Nuon voldoet zij met een bedrag van € 69,- per maand, aldus de vrouw.

7. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. Primair verzoekt de man bij incidenteel appel te bepalen dat de verplichting van de man om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de vrouw is geëindigd nu de vrouw sedert de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking samenwoont als ware zij gehuwd. De relatie is duurzaam en de vrouw en de heer [naam] verzorgen elkaar materieel en immaterieel, aldus de man. De man biedt nadrukkelijk aan getuigenbewijs aan van deze stelling.

Subsidiair stelt de man dat de vrouw, als gevolg van deze samenwoning, geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man. Voorts stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw heeft gesteld op € 3.248,- netto per maand. De man stelt dat de vrouw tijdens het huwelijk jarenlang in een slagerij heeft gewerkt en dat van haar verwacht mag worden dat zij eigen inkomsten genereert. De vrouw wordt echter thans niet meer opgeroepen voor werkzaamheden nu zij geruime tijd geen gehoor heeft gegegeven aan de oproepen van de slagerij. Partijen zijn in 2005 uit elkaar gegaan en zij heeft er sedertdien rekening mee kunnen houden dat zij deels in haar eigen levensonderhoud dient te voorzien. Het moet voor rekening en risico komen van de vrouw dat zij gedurende de afgelopen periode waarschijnlijk nog niets heeft gedaan om eigen inkomsten te kunnen verwerven. De vrouw zou met haar werkzaamheden bij de slager ten minste € 1.000,- per maand kunnen verdienen.

8. Voorts stelt de man dat zijn inkomen thans als gevolg van de indexering € 119.179,-, per jaar bedraagt. Er is daarnaast geen sprake van zwarte inkomsten. Ter onderbouwing van zijn stelling biedt de man aan zijn boekhouders als getuige te doen horen.

De man vindt de bijdrage ten behoeve van zijn dochters geen onredelijke last in de draagkrachtberekening. Beide dochters studeren nog en hebben geen partners met een volwaardig inkomen zoals de vrouw stelt.

Ten aanzien van de aflossing hypotheek stelt de man dat partijen deze last gedurende het huwelijk ook altijd hebben voldaan en dat deze gekoppeld is aan de financiering van de echtelijke woning. De man heeft hiermee geen onredelijk hoge woonlast, zodat met deze last in redelijkheid rekening moet worden gehouden.

Tot slot stelt de man dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de volgende maandelijkse lasten:

- de premie ziektekosten ten behoeve van de beide studerende dochters;

- overige ziektekosten;

- rente over de rekening courant schuld en

- rente voor de schuld in Oostenrijk.

9. Ter terechtzitting heeft de man zijn beroepschrift toegelicht en zijn stellingen nader aangevuld. De man handhaaft zijn stelling dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd. De vrouw heeft al drie jaar een relatie met de heer [naam]. De inboedel uit de echtelijke woning is door de vrouw verhuisd naar het adres van de heer [naam], de kinderen van partijen bezoeken de vrouw bij de heer [naam] en ook verjaardagen en dergelijke worden daar gevierd. Daarnaast zijn zij een aantal keer op vakantie geweest, zoals een skivakantie, naar Westendorf en naar Zuid-Frankrijk. De vrouw heeft deze vakanties uit haar eigen financiële middelen niet kunnen bekostigen, aldus de man.

10. Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting zal het hof eerst het beroep van de man op artikel 1:160 BW behandelen nu dit het meest verstrekkende verzoek is.

Op grond van artikel 1:160 BW eindigt de verplichting van een gewezen echtgenoot om uit dien hoofde levensonderhoud te verschaffen indien de alimentatiegerechtigde opnieuw huwt, een geregistreerd partnerschap aangaat of met een ander gaat samenleven als waren zij gehuwd of als hadden zij een geregistreerd partnerschap aangegaan. Gelet op het feit dat toepassing van deze bepaling tot gevolg heeft dat de alimentatiegerechtigde definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de alimentatieplichtige verliest, wordt de zinsnede ‘samenleven als waren zij gehuwd’ in de jurisprudentie restrictief uitgelegd. Er dienen dan ook hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van de beslissing dat zodanige situatie zich voordoet. Als criteria voor ‘samenleven als ware zij gehuwd’ gelden op grond van de jurisprudentie in ieder geval cumulatief: (1) de aanwezigheid van een affectieve relatie van duurzame aard, (2) een samenwoning, (3) een wederzijdse verzorging en (4) een gemeenschappelijke huishouding. In het onderhavige geval erkent de vrouw de aanwezigheid van een duurzame affectieve relatie, doch zij betwist gemotiveerd dat de overige criteria zijn vervuld.

11. Dat de vrouw een affectieve relatie onderhoudt met de heer [naam] wordt door haar erkend. Het hof is voorts van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat deze relatie duurzaam van aard is. De vrouw en de heer [naam] hebben immers al geruime tijd een relatie en hebben in ieder geval vanaf mei 2007 tot 1 maart 2008 – en derhalve ook na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand – samengewoond. Zij hebben ook nadat de vrouw een kamer heeft gehuurd bij een vriendin de relatie voortgezet. De relatie duurt ook thans nog voort. De vrouw heeft voorts erkend dat haar deel van de inboedel van partijen ook thans nog bij de heer [naam] staat en de kinderen van partijen haar daar bezoeken. Daarmee is naar het oordeel van het hof ook voldaan aan het criterium van samenwoning.

Aan de orde is nog de vraag of de vrouw en de heer [naam] elkaar wederzijds verzorgen en of zij een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daartoe overweegt het hof dat de vrouw gesteld heeft dat de heer [naam] voor haar heeft gezorgd, dat hij haar heeft opgevangen in een periode dat zij niet over financiële middelen beschikte en dat zij ook gedurende een langere periode voor hem heeft gezorgd. Voorts heeft de vrouw desgevraagd ter terechtzitting geen valide antwoord kunnen geven op de vraag op welke wijze zij haar vakanties naar Westendorf, Zuid-Frankijk en Curaçao heeft betaald, zeker niet gezien haar verklaring dat er gaten zitten in haar betalingen en zij voorts een afbetalingsregeling met Nuon heeft moeten treffen.

Mede op grond van onder meer de verklaring van de vrouw ter terechtzitting is het hof van oordeel dat er sprake is van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

12. Alles overziend is het hof van oordeel dat geconcludeerd dient te worden dat de vrouw samenwoont, althans in ieder geval in de periode tussen inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 8 februari 2008 en 1 maart 2008 heeft samengewoond, als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW zodat daarmee het recht op levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 8 februari 2008 is geëindigd.

13. Nu naar het oordeel van het hof vaststaat dat het recht op levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 8 februari 2008 is geëindigd behoeven de overige grieven geen bespreking meer. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE¬LE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te verstrekken is geëindigd op 8 februari 2008;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Kamminga, Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. van Drunick als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2009.