Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4988

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
105.012.751/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap en daartoe behorende paarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 22 april 2009

Zaaknummer : 105.012.751.01

Rekestnummer : 322-R-08

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-1621

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat L.Ph.J. baron van Utenhove ,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.J.W. Alt.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 28 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2007.

De vrouw heeft op 18 maart 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 14 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 januari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.P. Schrale-Oranje, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. F. van Schaik. Alle aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang kort samengevat - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil tussen partijen is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De man verzoekt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2007 te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair te bepalen, dat

­ de verdeling van de boedel in stand blijft behoudens de toedeling van de paarden [paard I] en [paard II], welke in eerste aanleg zijn toegedeeld aan de vrouw, doch welke dienen te worden toegedeeld aan de man,

­ alsmede het in 2008 geboren veulen van [paard I], dat eveneens in eigendom van de man dient te komen, alsnog aan hem toe te delen, en

­ dat de paarden [paard III], [paard IV], [paard V en VI] met papieren, alsmede de papieren behorende bij [paard V] aan de man zullen worden afgegeven binnen 14 dagen na dagtekening van uw uitspraak, onder het vaststellen van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat de vrouw de tijdige afgifte van enig deel achterwege laat.

Subsidiair verzoekt de man voor wat betreft de paarden [paard III], [paard IV] en [paard VI], indien en voorzover deze niet geacht worden tot de boedel te behoren, € 6.500,- extra aan de hem toe te scheiden vanwege onderbedeling.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren en te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. Ter onderbouwing van zijn beroepschrift heeft de man - verkort en zakelijk weergeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte de paarden [paard I] en [paard II] aan de vrouw toebedeeld en aangenomen dat de vrouw meer affiniteit met deze paarden heeft dan de man. Het fokken van paarden is een hobby van de man en de man wenst de fok van paarden in de lijn van afstamming van [paard I] en [paard II] voort te zetten. Nu deze paarden zijn toebedeeld aan de vrouw is het voor hem vrijwel onmogelijk deze afstammingslijn voort te zetten. Voorts stelt de man dat het paard [paard I] inmiddels bevallen is van een veulen en dat dit veulen aan hem toekomt.

In zijn derde grief verzoekt de man om afgifte van [paard III], [paard IV], [paard V en VI] met papieren, alsmede om afgifte van de papieren behorende bij [paard V] op straffe van een dwangsom. Deze paarden zijn door de rechtbank aan de man toebedeeld doch zijn tot op heden niet aan hem afgegeven, aldus de man.

5. De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen de stellingen van de man welk verweer voor zover nodig hierna zal worden behandeld.

6. De eerste en de tweede grief van de man lenen zich voor een gezamenlijke bespreking en het hof overweegt daartoe als volgt.

Ter onderbouwing van zijn beroepschrift heeft de man gesteld dat het niet de affiniteit is van de vrouw doch juist die van hem, die had moeten leiden tot toedeling van de paarden [paard I] en [paard II] aan hem.

De vrouw heeft niet weersproken dat er sprake is van affiniteit van de man jegens de paarden, doch stelt dat zij evenzeer als de man affiniteit met de beide paarden heeft. Het paard [paard I] is door de man aan haar cadeau gedaan, hetgeen door hem ook niet wordt betwist, en zij heeft tijdens het huwelijk van partijen ook intensief voor dit paard gezorgd. Het paard [paard II] is geboren uit [paard I] Voorts betwist zij de stelling van de man dat hij alleen de dochter van partijen begeleidde bij diverse paardenevenementen en wedstrijden en stelt zij dat zij tijdens het huwelijk van partijen ook intensief betrokken is geweest bij de paardensport en de verzorging en van de paarden.

Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende gronden aangedragen om de vastgestelde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ongedaan te maken. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat hij meer dan de vrouw betrokken is bij de paarden, doch hij is er niet in geslaagd zijn stellingen - gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de vrouw - nader te onderbouwen. Het hof verwerpt derhalve de grief van de man en zal het verzoek van de man strekkende tot toedeling van de paarden [paard I] en [paard II] afwijzen.

7. Voorts overweegt het hof ten aanzien van het veulen uit [paard I] dat partijen het erover eens zijn dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap heeft de gelden 1 juli 2006. Nu het veulen vermoedelijk is geboren in februari 2008, althans in 2008, stelt het hof vast dat er op het moment van de peildatum geen sprake was van een veulen noch van een vrucht. Deze grief van de man faalt derhalve en het verzoek van de man strekkende tot toedeling van dit veulen aan de hem zal derhalve worden afgewezen.

8. Tot slot overweegt het hof dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot afgifte van de paarden [paard III], [paard IV], [paard V en VI] met papieren, alsmede de papieren behorende bij [paard V] en zijn verzoek tot vaststelling van een dwangsom nu deze verzoeken buiten het bestek van de echtscheidingsprocedure vallen.

9. Nu het primaire verzoek van de man zal worden afgewezen, dan wel de man in zijn primaire verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal het hof overgaan tot de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de man betreffende de paarden [paard III], [paard IV] en [paard VI]. Daartoe overweegt het hof als volgt. Ter bepaling van de omvang van de boedel dient de tussen partijen overeengekomen peildatum als uitgangspunt. Uit de stukken in het dossier is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat voornoemde paarden op 1 juli 2006 tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoorden en dat zij in het kader van de verdeling van de gemeenschap aan de man zijn toebedeeld. Het hof is dan ook van oordeel dat het subsidiaire verzoek van de man om die reden dient te worden afgewezen. Het feit dat de paarden zich (thans) niet in de feitelijke macht van de man bevinden maakt dit oordeel niet anders.

10. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep strekkende tot afgifte van de paarden [paard III], [paard IV], [paard V en VI] met papieren, alsmede afgifte van de papieren behorende bij [paard V], onder vaststelling van een dwangsom;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Van Drunick als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2009.