Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4985

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
200.018.590/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beeïndiging uithuisplaatsing met onmiddellijke ingang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 februari 2009

Zaaknummer : 200.018.590.01

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 08-829

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.A. Oosterveen.

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. van der Heijden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 11 november 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 september 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 11 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

De moeder is bij separaat beroepschrift, maar geheel overeenkomstig met dat van de vader op 11 november 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 september 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof respectievelijk op 11 november 2008, 4 december en 8 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de raad zijn bij het hof bij brief van 4 december 2008 rapporten ingekomen.

Op 22 januari 2009 zijn de beroepen van de vader en de moeder (hierna: de ouders) gezamenlijk mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat en namens de raad: de heer M.C. Dors. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouw van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – na te noemen minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar met benoeming van bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin met ingang van

20 september 2008 verlengd tot 17 september 2009.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige [naam], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] voor de periode van 20 september 2008 tot 17 september 2009. De moeder heeft het ouderlijk gezag. De vader heeft de minderjarige erkend.

2. De vader verzoekt het hof te bepalen dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd voor wat betreft de uithuisplaatsing en dat de uithuisplaatsing van de minderjarige niet zal worden verlengd tot 17 september 2009, doch zal worden beëindigd met onmiddellijke ingang, althans met ingang van een datum door het hof in goede justitie te bepalen.

3. De vader voert ter onderbouwing van zijn beroep – kort samengevat – aan dat de ouders, in tegenstelling tot het beeld zoals dat geschetst wordt in de stukken van de raad, wel degelijk in staat zijn om zelf de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen. Er is geen sprake van dat [de minderjarige] wordt bedreigd in zijn ontwikkeling.

De ouders staan er voor open om begeleiding en hulp te aanvaarden bij de opvoeding van [de minderjarige] indien dat nodig is, doch van intensieve gezinsbegeleiding is tot op heden geen sprake geweest. Het is in het belang van de minderjarige dat hij zo spoedig mogelijk weer thuis komt wonen om de draad van zijn leven op te pakken en te kunnen starten op de basisschool.

Uit de rapportage van de raad blijkt niet dat hij bij zijn ouders in zijn zedelijke en geestelijke belangen wordt belemmerd. De ouders ontkennen niet dat zij problemen hebben, doch niet in de mate waarin door de raad de psychische problemen, het alcohol en drugsgebruik alsmede het huiselijk geweld worden beschreven.

4. Ter toelichting op het beroep heeft de vader ter terechtzitting aangevoerd dat hij goed voor [de minderjarige] zorgen en dat dit wordt ondersteund door verklaringen van onder andere het kinderdagverblijf, de huisarts en het consultatiebureau.

Op dit moment gaat het goed met de ouders. De vader komt zijn afspraken bij Bouman en GGZ na en er is geen sprake van een terugval in alcohol- of drugsgebruik. Ook de afspraken bij Jeugdzorg worden door de ouders nagekomen. Desgevraagd hebben de ouders verklaard dat [de minderjarige] op korte termijn (opnieuw) kan worden aangemeld op de basisschool en dat er geen sprake zou zijn van een wachtlijst.

5. De raad bestrijdt het beroep van de vader. Ter terechtzitting heeft de raad aangevoerd dat er, alvorens bezien kan worden of [de minderjarige] terug naar huis kan, een persoonlijkheidsonderzoek dient plaats te vinden om de problemen bij [de minderjarige] in kaart te brengen en te bekijken welke vorm(en) van hulpverlening de ouders nodig hebben bij de opvoeding van [de minderjarige]. Daartoe dient het persoonlijkheidsonderzoek te geschieden en dient er een advies te worden opgesteld. De moeder heeft pas vorige week toestemming gegeven voor het onderzoek zodat dit ook niet eerder heeft kunnen plaatsvinden, aldus de raad.

De bezoekcontacten tussen de ouders en [de minderjarige] verlopen goed, maar de relatie tussen de moeder en de pleegmoeder verloopt moeizaam. De ouders doen in de basis hun best om goede ouders te zijn, maar er hebben zich tegelijkertijd in de afgelopen periode ook wat incidenten voorgedaan. Zo zijn de ouders niet altijd op afspraken met jeugdzorg of de gezinsvoogd verschenen. Voor [de minderjarige] is inmiddels een nieuw pleeggezin gevonden en hij zal daar op korte termijn geplaatst kunnen worden.

6. Het hof is op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat niet langer wordt voldaan aan de criteria van artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het hof is niet komen vast te staan dat de machtiging uithuisplaatsing nog altijd noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] of tot onderzoek van zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid. Het hof is niet gebleken dat de ouders thans niet in staat zullen zijn [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden op de wijze die voor hem noodzakelijk is. Het gaat op dit moment goed met de ouders en zij komen beiden hun afspraken met diverse instanties na. Beide ouders ontvangen thans (intensieve) begeleiding voor hun eigen problematiek en deze verloopt goed. Naar het oordeel van het hof blijft de noodzakelijke hulpverlening in het gezin gewaarborgd door de ondertoezichtstelling. De ouders kunnen dan ook worden ondersteund in hun opvoedingstaken en zij hebben beiden verklaard open te staan voor een dergelijke begeleiding. Voorts is gesteld noch gebleken is dat het door Jeugdzorg gewenste persoonlijkheidsonderzoek niet kan plaatsvinden vanuit de thuissituatie.

7. Uit het voorgaande volgt dat de bij de bestreden beschikking verlengde machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] dient te worden beëindigd. De bestreden beschikking dient in zoverre dan ook te worden vernietigd.

8. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de verlening van de duur van de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin voor zover die betrekking heeft op de periode na 4 februari 2009 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

beëindigt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin met ingang van 4 februari 2009;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, van Nievelt en Kamminga, bijgestaan door mr. M.I. van Drunick als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2009.