Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4775

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
200.016.979.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grievend gedrag van de vrouw en daardoor einde van de alimentatieplicht van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2009, 80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 29 juli 2009

Zaaknummer : 200.016.979.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7447

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R. van Venetiën,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.D.A. Geleijns.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 30 september 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 juli 2008 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 25 maart 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 9 en 27 januari 2009 en 6 mei 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 mei 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vrouw, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – voor zover voor het hof van belang – bepaald dat van de man, wegens grievende gedragingen van de vrouw jegens hem, niet kan worden gevergd dat hij een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) betaalt. Deze bepaling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Voorts is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie van € 3.000,- per maand, afgewezen en heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vrouw aan de man een woonvergoeding dient te betalen van € 200,- per maand, met ingang van de dag van de inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand zolang de vrouw de voormalige echtelijke woning nog bewoont.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw en de woonvergoeding die de vrouw aan de man moet betalen.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank heeft bepaald dat van de man, wegens de grievende gedragingen van de vrouw jegens hem, niet kan worden gevergd partneralimentatie voor de vrouw te betalen, voor zover de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie van € 3.000,-- per maand heeft afgewezen en voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de vrouw aan de man een woonvergoeding dient te betalen van € 200,- per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, alsmede te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 3.000,- per maand aan de vrouw zal betalen als partneralimentatie, althans een zodanige bijdrage als het hof juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, kosten rechtens.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoek af te wijzen.

Partneralimentatie

4. In haar eerste en tweede grief bestrijdt de vrouw het standpunt van de rechtbank dat sprake is van dusdanig grievende omstandigheden, dat deze elk gevoel van lotsverbondenheid van de man jegens de vrouw onherroepelijk hebben beëindigd en dat van de man in redelijkheid niet meer kan worden gevergd dat hij nog langer partneralimentatie betaalt voor de vrouw. Zij stelt – onder meer – dat de uitingen en uitlatingen die zij over de man heeft gedaan enkel en uitsluitend een gevolg zijn geweest van de opgetreden stress en spanningen in samenhang met het stelselmatige, uitlokkende, en onaanvaardbare gedrag van de man. Daarnaast betoogt de vrouw dat uit artikel 284 jo 150 Rv blijkt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. De vrouw stelt dat de man derhalve zijn standpunten dient te bewijzen.

Verder brengt de vrouw naar voren dat ook zonder de gestelde gedragingen van haar, de man zou zijn ontslagen en reputatieschade zou hebben opgelopen zulks enkel en alleen door de ontoelaatbare gedragingen van de man waarvoor hij is veroordeeld.

5. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

6. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne, nu er in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof overweegt daarbij nog dat de man door middel van het overleggen van stukken, en door zijn verklaring ter terechtzitting, naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het handelen van de vrouw, met name door het contact van de vrouw, zowel mondeling als schriftelijk, met collega’s van hem bij [werkgever X], zijn baan bij [werkgever X] is kwijtgeraakt. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw ook erkend dat er contact is geweest tussen de vrouw en [werkgever X]. Doordat de vrouw niet ter terechtzitting is verschenen heeft zij het hof de mogelijkheid ontnomen om haar in eigen woorden hieromtrent te horen verklaren.

Gelet op het voorgaande is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat het van de man, wegens de grievende gedragingen van de vrouw jegens hem, in redelijkheid niet verwacht kan worden dat hij partneralimentatie voor de vrouw betaalt.

Woonvergoeding

7. In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte een woonvergoeding aan de vrouw heeft opgelegd. De vrouw wijst er op dat in de voorlopige voorzieningen procedure is erkend door de man dat zij behoefte heeft aan partneralimentatie. Volgens de vrouw komt aan de man de hypotheekrenteaftrek toe nu hij de hypotheeklasten voldoet en geniet hij geldelijk voordeel als zij vervolgens de bruto hypotheekrente aan de man moet betalen.

8. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

9. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij de volledige kosten van de woning voldoet. Vaststaat dat de vrouw het volledige gebruik van de woning heeft, en dat er op de woning een overwaarde rust. Voorts volgt uit de gewisselde stukken dat de man de hypothecaire lasten met betrekking tot het pand draagt. Gezien deze feiten en omstandigheden acht het hof het redelijk en billijk dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding voor het woonhuis voldoet.

10. Het hof zal als navolgend beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van Dijk en Van der Zanden, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2009.