Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4755

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
105.012.562.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stiefouderadoptie bij meerderjarigheid van de kinderen. Overgangsrecht artikel 1:228 BW. Oud geval, herhaald verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 29 april 2009

Zaaknummer : 105.012.562.01

Rekestnummer : FA RK 07-67

Rekestnr. rechtbank : 132-H-08

[de stiefvader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de stiefvader,

advocaat voorheen mr I.G.M. van Gorkum, thans mr. S.W. Hu,

tegen

[de biologische vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de biologische vader,

advocaat mr. M.J.W. Hoek,

Belanghebbenden:

1. [de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S.W. Hu

2. [dochter 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [dochter 1],

3. [dochter 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [dochter 2],

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De stiefvader is op 22 januari 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 oktober 2007.

De vader heeft op 23 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

De moeder heeft op 31 juli 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de stiefvader zijn bij het hof op 25 februari 2008 en 4 maart 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 11 maart 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de stiefvader, bijgestaan door zijn advocaat, de biologische vader, bijgestaan door zijn advocaat, [dochter 1] en [dochter 2]. De moeder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen in verband met verblijf in het buitenland. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de stiefvader tot adoptie van [dochter 1] en [dochter 2] afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de adoptie van [dochter 1] en [dochter 2].

2. De stiefvader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek, zoals geformuleerd in het verzoekschrift in eerste aanleg d.d. 3 januari 2007 alsnog toe te wijzen.

In dit betreffende verzoekschrift is verzocht de stiefouderadoptie uit te spreken van:

[dochter 1], geboren [in 1986] te [geboorteplaats] als dochter van [de moeder] en [de biologische vader], door [de stiefvader];

[dochter 2] geboren op [in 1987] te [geboorteplaats] als dochter van [de moeder] en [de biologische vader], door [de stiefvader].

3. De biologische vader bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de stiefvader in de kosten van de procedure.

4. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot adoptie van de stiefvader alsnog toe wijzen.

5. De stiefvader stelt dat de rechtbank ten onrechte in de meerderjarigheid van [dochter 1] en [dochter 2] aanleiding heeft gezien het adoptieverzoek van de stiefvader af te wijzen. De rechtbank is uitgegaan van een verkeerde lezing van artikel 1:288 BW, aldus de stiefvader. Dit artikel bepaalt namelijk: “dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is”. Reeds in 1995, toen [dochter 1] en [dochter 2] nog minderjarig waren, heeft de stiefvader zijn eerste adoptieverzoek gedaan. Derhalve kan bij beoordeling van het onderhavige verzoek aan het minderjarigheidsvereiste voorbij worden gegaan. Aan alle overige voorwaarden voor adoptie is voldaan en de adoptie is in het kennelijk belang van [dochter 1] en [dochter 2]. Immers de stiefvader zorgt al vanaf ongeveer hun derde levensjaar voor [dochter 1] en [dochter 2]. Beide kinderen hebben nauwelijks tot geen tastbare herinneringen aan hun biologische vader en beschouwen de stiefvader als hun echte vader. [dochter 1] en [dochter 2] hebben niets meer te verwachten van de biologische vader en wensen de feitelijke situatie en emotionele band met de stiefvader en de overige gezinsleden geformaliseerd te zien.

6. De biologische vader stemt niet in met het adoptieverzoek teneinde de formeel juridische band met [dochter 1] en [dochter 2] te kunnen behouden. De biologische vader heeft en voelt een emotionele band met [dochter 1] en [dochter 2] en het spijt hem zeer dat er geen contact tussen hem en zijn dochters is. De biologische vader heeft drie tot vier jaar in gezinsverband met de kinderen samengeleefd en heeft [dochter 1] en [dochter 2] in de periode van 1989 tot 1990 in het kader van een omgangsregeling één keer per maand gezien. Nadat de moeder de omgang tussen de biologische vader en [dochter 1] en [dochter 2] heeft belemmerd, is door de rechtbank op 16 december 1992 een door de biologische vader ingediend verzoek tot omgang, afgewezen. De biologische vader hoopt echter nog altijd opnieuw met [dochter 1] en [dochter 2] in contact te treden. Voorts stelt de biologische vader dat de stiefvader niet ontvankelijk is in zijn verzoek aangezien [dochter 1] en [dochter 2] meerderjarig waren ten tijde van het inleidend verzoek van 3 januari 2007. Het inleidend verzoek kan niet worden begrepen als een herhaald verzoek, maar dient te worden opgevat als een eerste verzoek. Het uit 1995 stammende adoptieverzoek is afgewezen vanwege het ‘suspensief vetorecht’ van de biologische vader. Op grond van artikel 1:228 lid1 sub d BW (oud) wordt de oorspronkelijke verzoeker in de gelegenheid gesteld om twee jaar na afwijzing van het adoptie verzoek een herhaald verzoek in te dienen. De stiefvader heeft, door pas twaalf jaar later een verzoek in te dienen, van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Nu artikel 1:288 BW oud is komen te vervallen, althans grondig is gewijzigd, is daarmee het ‘herhaald verzoek’ als zodanig niet meer aan de orde.

7. De moeder stemt in met het adoptieverzoek van de stiefvader. [dochter 1] en [dochter 2] hebben een diepe wens om door hun stiefvader, die zij emotioneel gezien als hun echte vader beschouwen, geadopteerd te worden. Na de breuk tussen de moeder en de biologische vader heeft de biologische vader nimmer meer omgekeken naar de kinderen, aldus de moeder. Nu de moeder en de biologische vader uit elkaar zijn gegaan toen [dochter 1] en [dochter 2] nog erg jong waren, betwist de moeder dat de gezinsband met de biologische vader drie tot vier jaar heeft bestaan. De moeder stelt dat het verweer van de biologische vader indruist tegen het belang van [dochter 1] en [dochter 2], aangezien het alleen de biologische vader is, die waarde hecht aan het feit dat zijn naam en juridische connectie niet worden doorgesneden.

8. [dochter 1] en [dochter 2] stellen dat zij zich onderdeel voelen van de [familienaam] familie en dat zij deze emotionele band wensen te formaliseren door middel van adoptie. Het doet beiden verdriet dat zij niet officieel tot het gezin van de stiefvader behoren en derhalve zijn naam niet kunnen dragen. De stiefvader heeft [dochter 1] en [dochter 2] opgevoed en zij zien hem als hun echte vader. [dochter 1] en [dochter 2] stellen geen behoefte te hebben aan enige vorm van contact met de biologische vader.

9. Het hof overweegt als volgt. Naar aanleiding van hetgeen door [dochter 1] en [dochter 2] ter zitting naar voren is gebracht, overweegt het hof dat zowel [dochter 1] als [dochter 2] blijk geven van een sterke wil om door de stiefvader geadopteerd te worden. Beiden hebben op dit moment geen behoefte aan een nadere zoektocht naar hun identiteit. Het hof overweegt hierbij dat een adoptie door de stiefvader er voor [dochter 1] en [dochter 2] er niet aan in de weg staat later alsnog onderzoek te doen naar de eigen identiteit en de persoon van de biologische vader. Het hof is derhalve van oordeel dat het adoptieverzoek zich niet verzet tegen het belang van [dochter 1] en [dochter 2], waardoor thans zal worden overgegaan tot beoordeling van het verzoek.

Ontvankelijkheid

10. De adoptie is een maatregel van kinderbescherming, die genomen wordt in het belang van het kind dat bescherming nodig heeft. Op grond van artikel 1:228 lid 1 sub a BW wordt derhalve als voorwaarde gesteld dat het kind op de dag van het eerste adoptieverzoek minderjarig is. Door de stiefvader is reeds in 1995 een eerste adoptieverzoek gedaan. Dit verzoek is destijds afgewezen op grond van het ‘suspensief vetorecht’ van de biologische vader. Dit zogenaamde ‘suspensief vetorecht’ is vastgelegd in artikel 1:228 lid 1 sub d BW oud. Dit artikel voorzag voorts in de mogelijkheid van een herhaald adoptieverzoek wanneer het verzoek enkel was afgewezen op grond van het suspensief vetorecht van een biologische ouder. Op 1 april 1998 is artikel 1:228 BW oud gewijzigd en is de mogelijkheid van het herhaald verzoek als zodanig komen te vervallen. Het toepasselijke overgangsrecht: ‘Wet herziening afstammingsrecht en regeling van adoptie’ bepaalt, dat wanneer een adoptieverzoek onder het tot 1 april 1998 geldende recht uitsluitend vanwege tegenspraak van één van de biologische ouders is afgewezen, de mogelijkheid van een herhaald adoptieverzoek blijft gehandhaafd. Nu deze overgangsbepaling nog immer van kracht is en de wet geen termijn stelt waarbinnen een herhaald verzoek dient te worden gedaan, anders dan niet eerder dan twee jaar na het eerste afwijzende verzoek, overweegt het hof dat het verzoek van de stiefvader dient te worden aangemerkt als een herhaald verzoek. Nu sprake is van een herhaald verzoek geldt thans geen minderjarigheidsvereiste. Het hof zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

11. Een herhaald verzoek brengt met zich mee dat voorbij mag worden gegaan aan de tegenspraak van de biologische vader. Nu onbetwist is komen vast te staan dat aan de overige voorwaarden als opgesomd in artikel 1:228 BW is voldaan, dient te worden beoordeeld of de adoptie in het kennelijk belang van [dochter 1] en [dochter 2] is en of voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat beide kinderen niets meer van de biologische vader in zijn hoedanigheid van ouder te verwachten hebben. Ten aanzien van het kennelijke belang, kan het hof niet anders oordelen dan dat de adoptie in het belang van [dochter 1] en [dochter 2] moet worden geacht. Het adoptieverzoek wordt kennelijk bepaald door de beleving van de identiteit en vanwege het feit dat [dochter 1] en [dochter 2] er hinder van ondervinden nu zij de door hen beleefde identiteit niet kunnen invullen. Het criterium dat er redelijkerwijs niets meer te verwachten moet zijn van de biologische vader in zijn hoedanigheid als ouder is niet langer aan de orde nu beide dochters meerderjarig zijn en derhalve door ouders nog maar op zeer beperkte wijze invulling zal worden gegeven aan opvoeding en verzorging. Het hof is op grond van het vorenoverwogene aldus van oordeel dat is voldaan aan alle voorwaarden voor adoptie, waardoor het verzoek van de stiefvader voor toewijzing in aanmerking komt.

12. Ten overvloede overweegt het hof, dat ook bij een inhoudelijke beoordeling van de tegenspraak van de biologische vader, hier in het kader van de te maken belangenafweging aan voorbij moet worden gegaan. Gelet op de intense wijze waarop [dochter 1] en [dochter 2] hun identiteit beleven, namelijk als onderdeel van het [familienaam] gezin, wordt hun beider leven in die mate beïnvloed, dat het belang van de biologische vader bij instandhouding van de familierechtelijke band ondergeschikt moet worden geacht. Voor het overige staat, zoals reeds overwogen, een adoptie niet in de weg aan een onderzoek naar de identiteit of het inhoud geven aan de relatie met de biologische vader op een later moment wanneer [dochter 1] en [dochter 2] daar aan toe zijn.

Het vorenoverwogene brengt met zich dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat zal worden beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

spreekt uit de adoptie van:

- [dochter 1], geboren [gin 1986] te [geboorteplaats] als dochter van [de moeder] en [de biologische vader];

- [dochter 2] geboren op [in 1987] te [geboorteplaats] als dochter van [de moeder] en [de biologische vader];

door de stiefvader, [de stiefvader];

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze uitspraak – zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan – mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ‘s-Gravenhage;

alsmede deze beschikking – zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan – te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag;

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand te Den Haag alsdan de vermelding van de adoptie in de geboorteakte van [dochter 1] en [dochter 2] toe te voegen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema-Andreae-Hartsuiker, Kamminga en Van Leuven, bijgestaan door mr. Braat als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2009.