Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4226

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.026.834-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bestaan arbeidsovereenkomst; formele rechtskracht Arubaans besluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0579

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.026.834/01

Rolnummer rechtbank : 809672 / RL EXPL 08-29785

arrest van de negende civiele kamer d.d. 21 juli 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A. Klaassen te Veenendaal,

tegen

De openbare rechtspersoon

Aruba,

zetelend te Oranjestad, Aruba,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aruba,

advocaat: mr. K.P.D. Vermeulen te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 26 februari 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de kantonrechter als voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's Gravenhage van 29 januari 2009. Bij deze dagvaarding met producties heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd. Bij conclusie van eis van 24 maart 2009 heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig de gronden, middelen en eis in de inleidende appeldagvaarding. Aruba heeft bij memorie van antwoord met producties van 24 maart 2009 verweer gevoerd. Bij brief van 23 juni 2009 heeft [appellant] aanvullende producties in het geding gebracht. Partijen hebben hun zaak ter zitting van 26 juni 2009, onder overlegging van pleitaantekeningen, door hun advocaten doen bepleiten. Ter zitting hebben zij arrest gevraagd op basis van de voor pleidooi overgelegde stukken.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In deze procedure gaat het – samengevat en voor zover voor de beoordeling van het geschil relevant – om het volgende.

1.1 [appellant], geboren op 1 augustus 1948 te Aruba, is vanaf 7 januari 1992 werkzaam bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van Aruba (het Arubahuis) te 's-Gravenhage. Op 1 augustus 2008 heeft [appellant] de leeftijd van 60 jaar bereikt. Bij landsbesluit van 29 juli 2008 is aan [appellant] met ingang van 1 augustus 2008 eervol ontslag uit de dienst verleend wegens het bereiken van de 60-jarige leeftijd. [appellant] heeft niet binnen de daartoe op grond van artikel 41 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (AB 2001 no. GT 14; verder: LAR) geldende termijn van 30 dagen een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht in ambtenarenzaken te Oranjestad, Aruba.

1.2 Bij brief van 4 november 2008 aan [X], Gevolmachtigde Minister van Aruba, heeft [appellant] zich bij monde van zijn raadsman op het standpunt gesteld dat de relatie tussen partijen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht betreft. Hij heeft de rechtsgeldigheid van het ontslag betwist en Aruba, in de persoon van [X], onder meer gesommeerd zijn loon door te betalen. Aruba heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

1.3 [appellant] heeft Aruba in kort geding gedagvaard, waarbij hij primair (door)betaling van loon, afdracht van sociale premies met terugwerkende kracht, afgifte van salarisspecificaties en betaling van buitengerechtelijke kosten heeft gevorderd, en subsidiair betaling vanaf 1 augustus 2008 van een maandelijks bedrag ter hoogte van de WW aanspraak die [appellant] normaliter zou hebben gehad.

1.4 Bij vonnis van 29 januari 2009 (in het vonnis staat in de kop abusievelijk 29 januari 2008) heeft de kantonrechter [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen.

2. In hoger beroep vordert [appellant], onder aanvoering van een viertal grieven, vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van Aruba in de kosten van de procedures in beide instanties.

2.1 Het hof zal eerst toetsen of het in deze kwestie rechtsmacht heeft, nu het een geschil betreft met een interregionaal karakter. Artikel 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden bepaalt dat omtrent privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard bij rijkswet regelen kunnen worden gesteld. Aangezien een dergelijke regeling bij rijkswet ontbreekt, zal het hof de regels betreffende de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in internationale geschillen (artikelen 1 tot en met 14 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) analoog toepassen (vgl. HR 25 november 1988, NJ 1989, 421). Op grond van artikel 6 aanhef en onder c Rv. heeft het hof rechtsmacht in deze zaak, aangezien [appellant] zijn vorderingen stoelt op het bestaan van een individuele arbeidsovereenkomst, en hij de arbeid gewoonlijk in Nederland verrichtte.

2.2 Ook ten aanzien van de vraag naar het op de rechtsverhouding tussen partijen toepasselijke recht (Nederlands recht dan wel Arubaans recht), geldt dat analoog de regels van het internationale conflictenrecht dienen te worden toegepast. Ter beoordeling ligt voor of tussen partijen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten. Ingevolge artikel 6 lid 2 onder a Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) is bij gebreke van een rechtskeuze in de onderhavige kwestie Nederlands recht van toepassing, aangezien [appellant] ter uitvoering van de gestelde arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden gewoonlijk in Nederland verrichtte.

2.3 Het hof gaat voorbij aan de stelling van Aruba, dat [appellant] geen spoedeisend belang meer heeft bij zijn vorderingen. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, nu hij als gevolg van zijn ontslag met een aanzienlijke inkomstendaling geconfronteerd is. Het moge zo zijn dat hij inmiddels als geassocieerd partner genoemd staat op de website van het bedrijf Aalse & Partners, uit de door [appellant] overgelegde verklaring van [Y] blijkt dat zijn inkomstendaling daarmee niet wordt gecompenseerd. Het door Aruba gedane beroep op gebrek aan spoedeisend belang gaat dan ook niet op.

2.4 Waar het in deze zaak om draait is de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen kwalificeert als een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst, of dat [appellant] als ambtenaar in openbare dienst werkzaam was bij het Arubahuis.

2.5 Bij landsbesluit van 29 juli 2008 is aan [appellant] als ambtenaar in openbare dienst ontslag verleend. Vaststaat dat [appellant] niet conform de bepalingen in de LAR tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend bij het Arubaanse gerecht in ambtenarenzaken. Niet ter discussie staat dat deze rechtsgang met voldoende waarborgen omkleed is, onder meer nu op grond van artikel 94 LAR aan het gerecht in ambtenarenzaken een voorlopige voorziening verzocht kan worden. [appellant] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.6 Volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 16-10-92, LJN ZC0718, HR 08 11 2002, NJ 2002, 613) moet de burgerlijke rechter er in het geval zoals in r.o. 2.5 beschreven van uitgaan dat het besluit zowel wat zijn wijze van totstand¬koming als wat zijn inhoud betreft, in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Het hof gaat voorshands uit van de formele rechtskracht van het voormelde landsbesluit van 29 juli 2008, onder meer voor zover daaruit voortvloeit dat de rechtsverhouding tussen Aruba en [appellant] zich laat kwalificeren als een aanstelling als ambtenaar. Omstandigheden die tot een uitzondering nopen op dit beginsel zijn gesteld noch gebleken.

2.7 Daarbij is van belang dat het leerstuk van de formele rechtskracht onder meer is gestoeld op de gedachte dat het oordeel over vragen of een besluit wat betreft zijn totstandkoming en inhoud in overeenstemming is met het bestuursrecht bij uitstek toekomt aan de administratieve rechter (specialiteitsgedachte). De vraag of iemand is aan te merken als ambtenaar in dienst van een overheidsorgaan, is ontegenzeggelijk een kwestie die tot het terrein van de bestuursrechter behoort, zodat de burgerlijke rechter hier niet in dient te treden.

2.8 Het hof gaat er daarom voorshands van uit dat [appellant] tot 1 augustus 2008 als ambtenaar in dienst is geweest bij een publiekrechtelijk lichaam, zodat krachtens artikel 7:615 Burgerlijk Wetboek de bepalingen van titel 10 van boek 7 van dit wetboek niet op de rechtsverhouding tussen [appellant] en Aruba van toepassing zijn. Dit brengt mee dat naar het voorlopig oordeel van het hof de feitelijke grondslag waarop [appellant] zijn vorderingen baseert, te weten dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten, ondeugdelijk is. Anders dan de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft geoordeeld, leidt dit er niet toe dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, maar dat zijn vorderingen dienen te worden afgewezen.

2.9 Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre vernietigen, en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellant] afwijzen. [appellant] zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen de partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage van 29 januari 2009 voor zover [appellant] daarin niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vorderingen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen af;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Aruba tot op heden begroot op € 2.944, waarvan € 262,00 aan verschotten en € 2.682,00 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Beyer-Lazonder, M.J. van der Ven en W.E.M Leclercq en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009 in aanwezigheid van de griffier.