Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4176

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
105.010.344-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Omgang: verplichting voor ouders om mee te werken aan begeleide contacten met oplegging van een dwangsom aan de moeder in geval zij haar medewerking niet verleent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 maart 2009

Zaaknummer : 105.010.344/01

Rekestnummer : 1624-M-06

Rekestnr. rechtbank : 570/06

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.J. Looij,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.J. de Wit.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 2 mei 2007, en welke is verbeterd bij beschikking van 30 mei 2007, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij deze beschikking, heeft het hof met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 17 november 2006 op nihil gesteld en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. Tevens heeft het hof een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling in behandeling genomen en heeft het de raad voor de kinderbescherming, vestiging Middelburg, hierna te noemen: de raad, verzocht de ouders te begeleiden bij het op gang brengen van de omgang tussen de vader en de kinderen en naar aanleiding hiervan rapport en advies uit te brengen. Voor het overige is de zaak ten aanzien van het zelfstandig verzoek aangehouden.

Op 13 november 2007 en op 29 februari 2008 zijn van de zijde van de raad brieven ingekomen.

De raad heeft op 12 december 2008 aan het hof advies uitgebracht.

Op 21 januari 2009 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de vader en de moeder, bijgestaan door hun respectieve advocaten, en namens de raad: de heer C.M.J. Vandenbooren. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De raad heeft in het bovengenoemde rapport geadviseerd een omgangsregeling vast te stellen van één middag per maand onder begeleiding in het Omgangshuis Zeeland, met voorafgaande gesprekken tussen de ouders onder begeleiding van dit zelfde omgangshuis. De raad stelt dat er geen contra-indicaties zijn aan de zijde van de vader met betrekking tot de omgang met de minderjarigen. Het is volgens de raad de moeder die al gedurende twee jaren weigert om haar medewerking te verlenen aan een omgangsregeling van de kinderen met de vader.

2. De vader heeft ter terechtzitting gesteld dat hij begrijpt dat de omgang tussen hem en de minderjarigen opgebouwd zal moeten worden en onder begeleiding dient plaats te vinden. De vader zou echter primair willen zien dat gestart wordt met frequenter contact, bijvoorbeeld éénmaal per twee of drie weken of een middag of enkele uren. Uiteindelijk zou de vader de minderjarigen nog vaker willen zien en daarom verzoekt hij dat nadrukkelijk bepaald wordt dat sprake is van opbouwcontact en dat de omgangsregeling zodra mogelijk geïntensiveerd wordt.

De vader vraagt zich echter af of de moeder wel haar medewerking zal verlenen gelet op haar houding in het verleden. Om die reden verzoekt de vader bij vaststelling van een omgangsregeling eveneens te bepalen dat een dwangsom zal worden opgelegd bij niet-nakoming van de omgangsregeling, in dier voege dat een dwangsom wordt bepaald van € 250,- per kind per dag dat de moeder niet aan de omgangsregeling meewerkt, met een maximum van € 5.000,-.

3. De moeder stelt dat omgang nog niet tot de mogelijkheden behoort zolang er geen duidelijke garantie voor haar is dat omgang tussen de vader en de minderjarigen veilig kan plaatsvinden. De moeder meent dat er te weinig inzicht is in de problematiek van de vader waarvoor hij zich bij Emergis laat behandelen. Daarnaast stelt de moeder dat de minderjarigen geen behoefte aan omgang met de vader hebben. Voorts stelt de moeder dat er geen reden is om een dwangsom op te leggen.

4. Het hof overweegt als volgt.

In zijn tussenbeschikking heeft het hof in overweging genomen dat de moeder, die haar bezwaar tegen vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen stoelt op onzekerheid of deze omgang wel verantwoord is en zich op het standpunt stelt dat door de raad onderzocht dient te worden in hoeverre de gezondheidstoestand van de vader een uitgebreide omgangsregeling toelaat, zich, nadat de raad tot zodanig onderzoek niet bereid bleek, bereid heeft verklaard mee te werken aan de door de raad voorgestelde hulpverlening, bestaande in het ter zijde staan van de ouders bij het opgang brengen van de omgang met voorafgaande gesprekken tussen de ouders om hun relatie respectvol af te hechten.

Blijkens de brief van de raad van 12 december 2008 heeft het beoogde gesprek ter afhechting van de relatie wegens het ontbreken van de medewerking van de moeder niet plaatsgevonden en heeft er na een eerste begeleid contact tussen de vader en de minderjarigen op 7 november 2007 geen vervolgcontact meer plaatsgevonden omdat de moeder daarvan afzag met een beroep op het belang van de kinderen.

Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat zij nog steeds beducht is voor de belangen van de kinderen, verwacht had dat de raad eerdere initiatieven tot voortgang van zijn bemoeienis zou hebben genomen en dat, toen de raad dat in het najaar van 2008 eenmaal deed, de arbeidsverplichting waaraan zij door de instanties wordt gehouden haar tot medewerking verhinderde.

5. Onder vooropstelling dat het omgangsrecht een fundamenteel recht is dat ouders en hun kinderen jegens elkaar hebben en dat aan de voor de effectuering van dit recht bij de kinderen noodzakelijke instelling ruimte dient te worden geboden door de verzorgende ouder, acht het hof het van wezenlijk belang dat de ouders alsnog komen tot gesprekken ter afhechting van hun relatie teneinde daarmee de voor effectuering van het omgangsrecht bij de kinderen noodzakelijke instelling te bevorderen.

Het hof houdt de moeder dan ook aan haar eerdere gedane toezegging tot medewerking aan zodanige gesprekken.

6. Voorts is het hof van oordeel dat geenszins (en in het bijzonder niet uit raadpleging door de raad van de behandelaars van de vader) is gebleken van in de persoon van de vader gelegen omstandigheden die in de weg staan aan het op gang brengen van een door een omgangshuis begeleide omgangsregeling.

7. Het hof zal dan ook overeenkomstig het advies van de raad partijen met het oog op zowel begeleide gesprekken ter afhechting van de relatie als begeleide omgang verwijzen naar Bureau Jeugdzorg Zeeland als nader in het dictum van deze beschikking te vermelden.

8. Het hof gaat ervan uit dat de begeleide omgangscontacten gedurende een half jaar plaatsvinden met een frequentie van één maal per maand. Het hof acht een dergelijke frequentie met inachtneming van de van haar gevergde arbeidprestatie zonder meer haalbaar voor de moeder. Het hof gaat er voorts van uit dat partijen zich strikt zullen houden aan de door het omgangshuis in overeenstemming met hen opgestelde agenda.

9. Het hof zal overeenkomstig het verzoek van de vader ter versterking van de medewerking van de moeder na te noemen en te maximeren dwangsom vaststellen, waartoe het hof aanleiding vindt in de weerwil van haar toezegging ter zitting van 11 april 2007 tot nog toe verleende gebrekkige medewerking. Deze dwangsom zal worden verbeurd voor iedere keer dat de moeder nalaat haar volledige medewerking te verlenen aan omgang volgens de door het omgangshuis in overleg met de ouders opgestelde agenda dan wel aan hetgeen het omgangshuis ter voorbereiding daarop noodzakelijk acht.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen;

verwijst partijen, te weten:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. J.J. Looij,

[telefoonnummer]

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. C.J. de Wit,

[telefoonnummer]

naar Bureau Jeugdzorg Zeeland voor het verkrijgen van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van omgangscontacten tussen de vader voornoemd en de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2002] te [geboorteplaats] en [kind 2], geboren [in 2003] te [geboorteplaats];

bepaalt dat partijen na het verkrijgen van een indicatie naar het omgangshuis te Parkveldzicht 43, (Postbus 140), 4330 AC Middelburg gaan voor begeleide omgangs-contacten;

bepaalt dat de moeder de minderjarigen tijdig voorafgaand aan ieder omgangscontact zal brengen naar het omgangshuis en hen daar aan het einde van elk contact weer zal ophalen;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:

Bureau Jeugdzorg Zeeland

Postbus 62

4330 AB Middelburg

Bezoekadres:

Roozenburglaan 89

4337 JB Middelburg

tel. 0118-677600

fax. 0118-677699

bepaalt dat het omgangshuis het hof vóór na te melden pro forma datum rapporteert omtrent het verloop van de omgangsregeling;

bepaalt dat partijen het hof vóór na te melden pro forma datum berichten of een nadere mondelinge behandeling is gewenst of dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder nalaat haar volledige medewerking te verlenen aan omgang volgens de door het omgangshuis in overleg met de ouders opgestelde agenda dan wel aan hetgeen het omgangshuis ter voorbereiding daarop noodzakelijk acht, tot een maximum van € 5.000,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 29 augustus 2009 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Bouritius en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2009.