Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4025

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
200.017.101-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van uithuisplaatsing. Wettelijk criterium, af te zetten tegen de feiten en omstandigheden van het concrete geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 februari 2009

Zaaknummer. : 200.017.101/01

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 08-1012

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.J. Schipper-de Bruijn,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,

kantoor houdende te Diemen,

hierna te noemen: WSJ.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. Harent.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 september 2008 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam.

De WSJ heeft op 22 december 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 9 december 2008, 29 december 2008 en 10 februari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de WSJ zijn bij het hof op 26 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming, vestiging Rotterdam, heeft het hof bij brief van 9 januari 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 11 februari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de WSJ: mevrouw D. Steigerwald (gezinsvoogd). De vader en zijn advocaat zijn niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

De vader en de moeder zijn op 6 januari 1997 gehuwd.

Uit dit huwelijk is geboren [naam kind] [in 2000] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige.

Bij beschikking van 27 juli 2007 van de rechtbank Rotterdam is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 5 september 2009 verlengd en is met ingang van 5 september 2009 de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een residentiële instelling verlengd tot 5 maart 2009.

De minderjarige verblijft thans in de residentiële instelling van Stichting Ipse De Brugge (hierna te noemen: De Brugge).

Het hof gaat verder uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de machtiging tot plaatsing in een residentiële instelling te vernietigen en, opnieuw beschikkende, (naar het hof begrijpt) het verzoek tot plaatsing van de minderjarige in een residentiële instelling af te wijzen.

3. De WSJ verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ter toelichting op haar hoger beroep stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de machtiging tot uithuisplaatsing dient te worden verlengd opdat in de komende tijd kan worden bezien of de moeder de aangeboden hulp bij de opvoeding van het zusje van de minderjarige accepteert en/of haar opvoedingsvaardigheid zal verbeteren. Volgens de moeder is zij degene die de minderjarige de liefde en structuur geeft die hij nodig heeft. De moeder is van mening dat zij wel open staat voor hulpverlening en dat zij slechts een kritische houding heeft jegens de hulp die haar zoon krijgt. De moeder acht het in zijn belang dat hij vijf keer in de week het kinderdagcentrum bezoekt. Of zij in staat is de minderjarige thuis op te voeden, dient volgens de moeder vanuit de thuissituatie bekeken te worden.

5. De WSJ stelt dat blijkens de rapportage van het Ambulatorium Ottho Gerard Heldring de verwachting bestaat dat de moeder zich ofwel tegen de inhoudelijke benadering van de behandeling bij het kinderdagcentrum zal verzetten, of dat zij zich tegen de frequentie van de vijf dagen per week zal verzetten op het moment dat de minderjarige thuis woont. De WSJ meent dat de bezoekregeling stapsgewijs uitgebreid dient te worden waarbij het belang van de minderjarige voorop gesteld dient te worden.

6. Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts mag worden verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 BW, nog altijd bestaan. De rechter zal moeten onderzoeken of de machtiging tot uithuisplaatsing nog altijd noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De rechter zal daarbij als uitgangspunt nemen dat in beginsel het uiteindelijke doel van een ondertoezichtstelling met een gelijktijdige uithuisplaatsing is dat de minderjarige terugkeert bij de ouders, en dat de ouders optimaal dienen te worden voorbereid en dat er ook actief dient te worden gewerkt aan een situatie waar binnen de kans van slagen zo groot mogelijk is.

8. Het hof verenigt zich, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. De minderjarige is een autistische jongen met een ernstige verstandelijke beperking. Hij is zeer beweeglijk, niet communicatief en loopt weg waardoor één op één begeleiding nodig is. De extreme en specifieke zorgbehoeften van de minderjarige vereisen specialistische en professionele hulp die de draagkracht van de gemiddelde opvoeder te boven gaat. De minderjarige heeft om die reden veel structuur nodig en dient vijf dagen per week het kinderdagverblijf te bezoeken. Alhoewel de pedagogische en affectieve vaardigheden van de moeder ten aanzien van de minderjarige goed zijn, acht het hof het in het belang van de minderjarige dat een terugkeer van hem naar de moeder geleidelijk plaatsvindt om hem de structuur, rust en stabiliteit te bieden die hij gelet op zijn problematiek nodig heeft. De WSJ tracht in overleg met een arts en pedagoog van De Brugge de terugkeer op deze wijze te laten verlopen. Thans is de minderjarige elke week op zaterdag bij de moeder (en op zondag bij de vader). De moeder wordt met dit beleid zo optimaal voorbereid op de terugkeer van de minderjarige. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof dit beleid van Jeugdzorg begrijpelijk en zinvol. Hoe lang dit proces van thuisplaatsing evenwel zal gaan duren, is thans niet te overzien. Het hof is dan ook van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog altijd noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking bekrachtigen.

9. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Van den Wildenberg en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2009.