Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3971

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.010.277-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing 90% bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 mei 2009

Zaaknummer : 200.010.277/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-6383

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. G. Bloem, gevestigd te ’s-Gravenhage,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.A.M. Koorn-Harkema, gevestigd te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 4 juli 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 april 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 1 september 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 14 augustus 2008 en 4 september 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 januari 2009 is van de zijde van de vader een aanvullend verzoekschrift ingekomen.

Op 19 maart 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. drs. E.A.A. Charry, gevestigd te Amsterdam, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de vader tot nihilstelling van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige afgewezen.

In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

De ouders zijn op 1 december 1994 gehuwd.

Uit dit huwelijk is geboren de thans nog minderjarige:

[naam kind 1], geboren [in 1997] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige.

Bij beschikking van 10 januari 2000 van de rechtbank ’s-Gravenhage is, onder meer, tussen de ouders de echtscheiding uitgesproken en is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de hierna te noemen minderjarige bepaald op een bedrag van fl. 250,- (thans: € 144,-) per maand. Voorts is bepaald dat de moeder het gezag over de minderjarige alleen uitoefent.

De minderjarige verblijft bij de moeder.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarige.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, (naar het hof begrijpt) de kinderalimentatie vast te stellen op nihil althans vast te stellen op een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Behoefte

4. De behoefte van de minderjarige is niet in geschil.

Draagkracht vader

5. De vader heeft drie grieven aangevoerd. In zijn eerste grief betoogt de vader dat hij niet in staat is om voldoende inkomen te generen om aan zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Voorts stelt hij in zijn tweede grief dat hij in verband met de verzorging van zijn dochter, [naam kind 2], hierna te noemen: [kind 2], geen passend werk heeft kunnen vinden. In de derde grief in het aanvullende beroepschrift stelt de vader dat hij thans onvoldoende inkomen heeft om de kinderalimentatie te voldoen, vanwege een op zijn inkomen gelegd loonbeslag.

6. De moeder heeft gemotiveerd het beroep van de vader bestreden.

7. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat de vader werkloos is geraakt.

Nu de vader met ingang van 26 maart 2007 een WW-uitkering heeft ontvangen, gaat het hof bij gebreke van nadere gegevens uit van deze datum, als zijnde de eerste werkeloosheidsdag. De WW-uitkering is met ingang van 27 maart 2007 voor 18 dagen verlaagd met 5% omdat hij zich niet tijdig als werkzoekende heeft ingeschreven bij het CWI. Sinds 18 juni 2007 heeft de vader geen recht meer op een uitkering. Hij is toen gaan werken via een uitzendbureau. Zijn dochter [kind 2] is met ingang van een datum begin januari 2008 onder toezicht gesteld. Blijkens de brief van Altra Jeugdzorg en Onderwijs, gedateerd 10 januari 2008, diende in verband met de ondertoezichtstelling van [kind 2] één van de ouders minimaal elke ochtend een kwartier op de groep begeleid te worden in het spel met [kind 2]. De vader heeft met ingang van 1 februari 2009 een arbeidsovereenkomst bij TNT. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij hier reeds eerder via een uitzendbureau werkte. Met ingang van 21 december 2008 is er op het loon dat hij ontvangt voor de werkzaamheden bij TNT beslag gelegd door de Dienst Werk & Inkomen van [een gemeente] (hierna DWI) voor een totaalbedrag van € 6.172,-. Hij ontvangt met ingang van 21 december 2008 dan ook een bedrag van € 821,- per maand aan salaris. Sinds oktober 2008 zijn de vader en zijn huidige echtgenote niet meer samenwonend, zij zijn echter nog niet officieel gescheiden.

8. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, nu de vader in eerste aanleg heeft gesteld dat hij een goede opleiding heeft genoten en dat hij in de ICT-branche heeft gewerkt, hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij onvrijwillig werkloos is geraakt. De vader had zich met het oog op de belangen van de minderjarige behoren te onthouden van de gedragingen die hebben geleid tot de inkomensvermindering door de werkloosheid. Ook de inkomensvermindering door de strafkorting op de WW-uitkering heeft de vader zelf teweeg gebracht. Het hof is dan ook van oordeel dat de vader gedurende zijn werkloosheid redelijkerwijs in staat had moeten worden geacht zich het oorspronkelijke inkomen dat hij verdiende voor zijn werkloosheid te verwerven. De verplichte dagelijkse begeleiding van [kind 2] staat hier naar het oordeel van het hof niet aan in de weg, omdat ook de huidige echtgenote van de vader bij deze begeleiding aanwezig kon zijn en deze begeleiding slechts een kwartier per dag duurde. Het vorenstaande neemt niet weg dat indien een kinderalimentatie over de periode dat hij werkloos was verschuldigd is, door deze inkomensvermindering het inkomen van de vader daalt tot ongeveer 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Het hof acht deze inkomensvermindering niet voor herstel vatbaar en deze daling onaanvaardbaar. Het hof zal derhalve de kinderalimentatie over de periode van 26 maart 2007 tot en met 30 juni 2007 op nihil stellen.

Nadien heeft de vader weer inkomen uit arbeid genoten en neemt het hof dan ook aan, nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, dat de vader weer voldoende draagkracht had om de kinderalimentatie te voldoen.

9. Ten aanzien van de derde grief van de vader overweegt het hof als volgt. De vader voert in zijn derde grief aan dat zijn draagkracht onvoldoende is om nog een kinderalimentatie te voldoen wegens een per 11 november 2008 gelegd loonbeslag. Dit beslag betreft een vordering van de Dienst Werk en Inkomen van [een gemeente] vanwege onterecht genoten uitkering over de perioden 19 december 2003 tot en met 30 juni 2004 en van 19 juni 2006 tot en met 30 juni 2006.

Het hof is van oordeel dat deze schuld enige noodzaak ontbeert. De vader heeft over enige periode teveel bijstand ontvangen, hetgeen hem valt te verwijten. Derhalve dient deze schuld voor de beoordeling van de draagkracht buiten beschouwing te worden gelaten.

Dit betekend dat de vader ook na 11 november 2008 voldoende draagkracht had om de kinderalimentatie te blijven voldoen.

Het voor de genoemde vordering gelegde beslag is voor zijn draagkracht, gelet op het bepaalde in artikel 478 Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) niet bepalend.

10. Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 10 januari 2000 van de rechtbank ’s-Gravenhage - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige over de periode van 26 maart 2007 tot en met

18 juni 2007 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Nievelt en Mink, bijgestaan door mr. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2009.